Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-665082-18
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
ingeschreven op het [adres 1] ,
raadsman mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is behandeld op de zitting van 22 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.E. Dekker en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
Verdachte wordt faillissementsfraude (feit 1) en valsheid in geschifte (feiten 2 en 3) verweten. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Het procesverloop
De procedure bij de Rechtbank Roermond/Rechtbank Limburg
Op 22 augustus 2008 werd de [de B.V.] in staat van faillissement verklaard. Door mr. [getuige 1] is, in de hoedanigheid van curator van de [de B.V.] , op 5 november 2008 schriftelijk aangifte gedaan ter zake vermoedelijke faillissementsfraude jegens verdachte. Vervolgens is de zaak op een regiezitting bij de rechtbank Roermond op 10 november 2010 behandeld. De zaak werd aangehouden om de verdediging in de gelegenheid te stellen onderzoekswensen kenbaar te maken en daarop de regiezitting voort te zetten. De daaropvolgende regiezitting van 26 januari 2011 werd aangehouden voor het horen van zeven getuigen (mr. [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] ) bij de rechter-commissaris.
Ter zitting van 14 september 2011 is bepaald dat voornoemde getuigen niet meer bij de rechter-commissaris, maar ter zitting zullen worden gehoord.
Op de zitting van 2 februari 2012 heeft de advocaat (mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam) de verdediging neergelegd.
Op 1 juni 2012 vond een zitting plaats met een nieuwe raadsman, mr. J.W. Soeteman.De zaak werd aangehouden om op volgende zittingen de eerdergenoemde zeven getuigen en de nieuw toegewezen getuigen, te weten [getuige 8] , [getuige 9] en [getuige 10] , te horen. Op 12, 14, 15, 16 en 19 november 2012 en op 25 september 2013 hebben zittingen plaatsgevonden, waarop die genoemde getuigen zijn gehoord.
Op de zitting van 27 september 2013 zijn nadere onderzoekswensen ingediend, die zijn afgewezen. Aansluitend heeft de verdediging tijdens dezelfde zitting een wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de rechtbank ingediend. Dit wrakingsverzoek is toegewezen.
Op 26 februari 2014 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen en werden onderzoekswensen toegewezen, te weten het (opnieuw) horen van de getuigen mr. [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] , [getuige 9] , [getuige 10] , mr. [getuige 11] , mr. [getuige 12] , mr. [getuige 13] en mr. [getuige 14] .
Op 21 januari 2015 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarbij door de verdediging is verzocht de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank dan wel aan te houden. Toen is ook een nieuw wrakingsverzoek gedaan. Deze verzoeken zijn afgewezen.
Op 18 juni 2015 verschoont een rechter zich.
Op 23 juni 2016 wordt de zaak in eerste instantie verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant, maar dat is later gecorrigeerd naar de rechtbank ZeelandWest-Brabant, mede op verzoek van de verdediging.
De procedure voor de Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 21 november 2017 heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Zeeland-West-Brabant overleg gehad met de officier van justitie om te bekijken hoe de zaak versneld kan worden. Toen heeft de officier van justitie aangegeven dat zij met een concreet voorstel van de verdediging tot procesafspraken wellicht uit de voeten zou kunnen. Er is geen overeenstemming bereikt over procesafspraken. De behandeling ter zitting van 27 juli 2018 is aangehouden wegens ziekte van de raadsman. Tijdens de zitting van 18 april 2018 heeft de rechtbank kenbaar gemaakt niet gebonden te zijn aan de eerdere beslissingen van de rechtbank Roermond/Rechtbank Limburg, op grond van een arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2018, noch aan de beslissing van de rechtercommissaris. Het verzoek tot het horen van de eerder door de Rechtbank Roermond/Limburg toegewezen getuigen is afgewezen, omdat dit niet is onderbouwd. Daarnaast is sprake geweest van een misverstand tussen de rechtbank en de raadsman met betrekking tot het moment van onderbouwen van het verzoek tot het horen van de getuigen. Het wrakingsverzoek, dat daarop volgde, werd eveneens afgewezen.
Op 24 juni 2021 is de zaak aangehouden wegens ziekte van verdachte.
Op de zitting van 11 januari 2022 is door de rechtbank medegedeeld dat indien het partijen niet lukt om procesafspraken te maken, de rechtbank alsnog een beslissing zal nemen inzake de onderzoekswensen die de raadsman heeft opgegeven op 31 december 2021.
Op 5 januari 2022 heeft de raadsman een mail gestuurd waaruit blijkt dat het partijen niet is gelukt om tot procesafspraken te komen. Ook zou er die dag een zitting plaatsvinden, maar de zaak is toen aangehouden omdat de officier van justitie niet tijdig ter zitting aanwezig was.
Op de zittingen van 30 maart 2023 en 13 april 2023 zijn de onderzoekswensen van de verdediging toegewezen, te weten de eerder door de Rechtbank Roermond/Limburg toegewezen veertien getuigen. Daartoe is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris.
Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 15 januari 2026 blijkt dat zij gedurende 2024 en 2025 meerdere pogingen heeft gedaan om de toegewezen getuigen te horen.
Op 14 maart 2025 hebben de getuigenverhoren van [getuige 1] en [getuige 11] plaatsgevonden. Daarnaast zijn er in de loop van 2024 en 2025 pogingen gedaan om tot een alternatieve afdoening te komen. De officier van justitie heeft op 9 december 2025 laten weten dat het niet is gelukt om procesafspraken te maken, maar het Openbaar Ministerie op korte termijn de zaak op zitting gepland wil hebben om haar nietontvankelijkheid te vorderen, omdat het voortzetten van de vervolging niet meer opportuun is. Hierop heeft de rechtercommissaris het onderzoek gesloten en de zaak terugverwezen naar de rechtbank met het verzoek om een beslissing te nemen op de vordering van de officier van justitie om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte.
Vervolgens is alleen de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op de zitting van 22 april 2026 behandeld.
4. Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid in de vervolging
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de lange duur van de vervolging tot de conclusie leidt dat gesproken kan worden van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat een oordeel van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd is. Dit is het geval wanneer een zo ernstige inbreuk is gemaakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, dat die inbreuk niet meer kan worden hersteld of gecompenseerd op een wijze die recht doet aan een behoorlijke en effectieve verdediging. De inbreuk moet van dien aard zijn dat het proces als geheel niet meer als eerlijk kan worden aangemerkt.
Artikel 6, eerste lid, EVRM garandeert elke verdachte het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg beoogt te voorkomen dat een verdachte onnodig lang onder de dreiging van een strafvervolging leeft. De termijn begint te lopen op het moment dat vanwege de Staat een handeling jegens verdachte is verricht, waaruit hij heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had hem te vervolgen.
De rechtbank stelt vast dat in deze strafzaak de redelijke termijn is aangevangen op 20 oktober 2009, toen verdachte in verzekering is gesteld. De zaak betreft feiten die dateren uit 2008. Feit van algemene bekendheid is dat personen die na achttien jaar worden gehoord over feiten zoals aan verdachte zijn ten laste gelegd, daar geen scherpe herinnering meer aan hebben. Dit blijkt reeds uit de verhoren van twee van de veertien destijds (2014) door de verdediging verzochte getuigen [getuige 1] en [getuige 11] van 14 maart 2025. Dit enorme tijdsverloop maakt dat de betrouwbaarheid van het mogelijk belastend dan wel ontlastend bewijs vanuit deze getuigenverklaringen in sterke mate negatief wordt beïnvloed. De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat het recht van verdachte op een eerlijk proces reeds nu al zodanig is geschonden, dat die inbreuk niet meer kan worden hersteld of gecompenseerd, ook al zijn de overige negen toegewezen getuigen nog niet gehoord. .
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door de ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijk proces, het belang van een behoorlijke en effectieve verdediging niet kan worden gewaarborgd doordat de behandeling van de strafzaak niet binnen een redelijke termijn heeft kunnen plaatsvinden. De overschrijding is van een zodanige omvang dat zij niet meer door strafvermindering of een andere vorm van compensatie kan worden gerepareerd, zelfs rekening houdend met de complexiteit van de zaak, de aanhouding wegens ziekte van verdachte en de pogingen tot een alternatieve afdoening. Daarom moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging tegen verdachte.
Verdachte wil dat de rechtbank inhoudelijk een (eind) uitspraak doet in zijn zaak, zodat zijn naam wordt gezuiverd. Hij is van mening dat hij ten onrechte is vervolgd vanwege zijn rol als klokkenluider. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor zijn standpunt is zij echter gebonden aan de wet. In de wet heeft de wetgever aan de rechter een strikte (en dwingende) volgorde opgelegd ten aanzien van de beslissingen die hij moet nemen. Die volgorde houdt in dat in het geval de rechtbank concludeert dat het Openbaar Ministerie nietontvankelijk is in de vervolging, zoals in deze zaak, de rechtbank niet meer toe mag komen aan de inhoudelijke behandeling van de feiten.
5. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
en mr. J.F.C. Janssen en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 6 mei 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2008 tot en met 30 juli 2008, in
elk geval in het jaar 2008, in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland
als bestuurder of commissaris van de rechtspersoon [de B.V.] , welke
op 22 augustus 2008 in staat van faillissement is/was verklaard, ter bedrieglijke
verkorting van de rechten der schuldeisers van die rechtspersoon,
Euro 44.500.- en/of Euro 10.000.- en/of Euro 20.000.- en/of Euro 10.000.-
en/of Euro 30.000.- (totaal bedrag Euro 114500.-) aan de boedel heeft
onttrokken bestaande uit het overmaken van dat geld van rekening [nummer]
van [de B.V.] naar een privé rekening van hem, verdachte;
en/of
ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij, verdachte, wist dat
het faillissement niet kon worden voorkomen, zichzelf als schuldeiser heeft
bevoordeeldbestaande uit het overmaken van Euro 44.500.- en/of Euro 10.000.- en/of Euro
20.000.- en/of Euro 10.000.- en/of Euro 30.000.- (totaal bedrag Euro 114500.-) van
rekening [nummer] van [de B.V.] naar een privé rekening van hem,
verdachte;
(blad 94/109)
(artikel 343 lid 1 en 3 van het Wetboek van Strafrecht)
Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:
hij in of omstreeks de periode van juli 2007 tot en met 23 juni 2008, in elk geval in
de/het ja(a)r(en) 2007 en/of 2008, in de gemeente Roermond en/of elders in
Nederlandeen of meer factu(u)r(en) van [verdachte] gericht aan [de B.V.] ,
respectievelijk gedateerd d.d. 18-07-08 (blad 78), 07-04-08 (blad 79),
07-01-08 (blad 80), 01-10-07 (blad 81), 02-07-07 (blad 82), 02-07-07 (blad
83), 07-01-08 (blad 86) en 09-01-07 (blad 87),
- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te
dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,
immers heeft verdachte (telkens) valselijk op of in die facturen vermeld
-zakelijk weergegeven-
dat [de B.V.] aan [verdachte]
huur voor of van de/het pand(en) en kantoren [adres 2] en/of [adres 3] te
[plaats] conform overeenkomst 2 juli 2007 in de op of in die factu(u)r(en)
vermelde periode het daarin of daarop vermeld(e) bedrag(en) aan geld diende te
betalen
en/of
huur voor of van de Schepen [naam] en vier bakken conform overeenkomst 16 december 2005 in de op of in die factu(u)r(en) vermelde periode het daarin
of daarop vermeld(e) bedrag(en) aan geld diende te betalen,
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
(artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht)
2.
[de B.V.] in of omstreeks de periode van 10 januari 2008 tot en met
24 april 2008, in elk geval in het jaar 2008, in de gemeente Roermond en/of
elders in Nederland een factuur van [de B.V.] gericht aan [bedrijf 1]
BV d.d. 10 januari 2008, - zijnde een geschrift dat bestemd was om
tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft
[de B.V.] valselijk in of op die factuur vermeld - zakelijk weergegeven -
dat [de B.V.] aan [bedrijf 1] BV heeft geleverd (een
kraan) Priestman Lion voor de prijs van Euro 101.150,-,
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en
onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht
heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte
feitelijke leiding heeft gegeven;
(blad 1439)
(artikel 225 i.v.m. 51 van het Wetboek van Strafrecht)
3.
[de B.V.] in of omstreeks de periode van 10 januari 2008 tot en met
24 april 2008, in elk geval in het jaar 2008, in de gemeente Roermond en/of elders in
Nederland een of meer pandlijst(en) (respectievelijk) gedateerd 20-02-2008 en/of
2 april 2008 en/of 21-05-2008 van [de B.V.] aan Fortis Bank
(Nederland) N.V.
(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te
dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,
immers heeft [de B.V.] valselijk
in of op de pandlijst gedateerd 20-02-2008 (blad 1739) vermeld
als "Totaal vorderingen" een bedrag van Euro 2.761.180,46
en/of
in of op de lijst "Ouderdomsanalyse Debiteuren" (van die pandlijst)
als " [bedrijf 2] " een bedrag van Euro 14229,62 en/of als
" [bedrijf 4] BV" een bedrag van Euro 1190.-
en/of
in of op de pandlijst gedateerd 2 april 2008 (blad 1767) vermeld als "Totaal
vorderingen" een bedrag van Euro 3.121.266,65
en/of
in of op de lijst "Ouderdomsanalyse Debiteuren" (van die pandlijst) als
" [bedrijf 6] " een bedrag van Euro 4038,85
en/of
als " [bedrijf 2] " een bedrag van Euro 14817,19 en/of
als " [bedrijf 3] " een bedrag van Euro 17.500.- en/of
als " [bedrijf 4] BV" een bedrag van Euro 1190.-
en/of
in of op de pandlijst gedateerd 21-05-2008 (blad 305) vermeld
als "Totaal vorderingen" een bedrag van 2.523.850,06
en/of
in of op de lijst "Ouderdomsanalyse Debiteuren (van die pandlijst)
als " [bedrijf 2] " een bedrag van 12535,36 en/of
als " [bedrijf 3] " een bedrag van 17.500.- en/of
als " [bedrijf 4] BV" een bedrag van 1190.00 en/of
als " [bedrijf 5] " een bedrag van 26325,09 en/of
als " [bedrijf 6] " een bedrag van 10.095,53
en/of
als " [bedrijf 7] GmbH" een bedrag van 2795,31
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en
onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht
heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven
(artikel 225 i.v.m. 51 van het Wetboek van Strafrecht)