Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-036692-21
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [plaats 1] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [inschrijfadres] ,
[plaats 1] ,
raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode 10 juni 2013 tot en met 17 juli 2017 minstens 12 personen heeft opgelicht.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit voor de gehele periode wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is ten aanzien van de ten laste gelegde periode van mening dat in 2013-2014 geen sprake is geweest van oplichting. Van oplichting was pas sprake toen overgestapt werd vanaf de datingsites naar Whatsapp. Verder is van een aantal in de tenlastelegging genoemde personen enkel een aangifte in het dossier te vinden, zonder een ander bewijsmiddel. Dat is te weinig om tot een bewezenverklaring van het feit te komen, voor die personen. Voor het overige kan de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van het ten laste gelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt de volgende feiten vast.
Verdachte was eigenaar van het bedrijf " [bedrijf] " gevestigd op [adres] te [plaats 1] . Via dit bedrijf had en beheerde hij internetsites gericht op “adult entertaining”, of te wel datingsites. Op deze "dating-sites" konden klanten een profiel aanmaken. Met aangekochte credits konden deze klanten vervolgens met een ‘vrouw’ chatten, die niet een werkelijk bestaande vrouw was, maar met een man (moderator) die zich voordeed als een vrouw. Verdachte was zo’n moderator. Dit handelen van verdachte is niet strafbaar.
Op een gegeven moment, rond juni 2016, is verdachte mannen op datingsites gaan benaderen om de datingsite te verlaten en privé via Whatsapp verder te chatten met hem in zijn rol als vrouw. Hij kweekte een vertrouwensband met de aangevers genoemd in de tenlastelegging. Die vertrouwensband werd opgebouwd door bijna dagelijks te chatten met hen . De aangevers waren ervan overtuigd met een echte vrouw te chatten. Deze chatberichten op Whatsapp gingen over dagelijkse dingen en de suggestie werd gewekt dat sprake was van een (toekomstige) affectieve relatie. Vervolgens kwam verdachte met verzonnen verhalen om de aangevers zover te krijgen om geld over te maken. Het ging dan van het niet over geld kunnen beschikken tot het hebben van financiële problemen . De aangevers maakten geld aan verdachte over en sommigen gaven daarnaast ook hun bank inloggegevens en TAN-codes aan verdachte zodat de ‘vrouw’ waarmee ze aan het chatten waren, zelf geldbedragen kon overboeken naar zijn bankrekening. Vervolgens werden er bedragen op de bankrekeningen van aangevers bij- en afgeschreven. Het geld werd eerst naar bankrekeningen van andere aangevers overgemaakt en daar werden dan bitcoins mee gekocht of het geld werd op een zogenaamde PSP (Payment Service Providers) overgemaakt. Van die PSP's werd geld weer overgemaakt op de rekening van verdachte. Tevens kregen sommige aangevers opdrachten om geldbedragen over te boeken ten behoeve van aankoop van bitcoins via een zogenaamde Skrill-account. Zij kregen dan geld op hun rekening gestort hiervoor.
Deze handelingen heeft verricht terwijl hij in [plaats 1] of [plaats 2] (Tsjechië) was.
Is er sprake van oplichting?
De rechtbank is van oordeel dat verdacht zich schuldig gemaakt heeft aan oplichting vanaf het moment dat hij (na het contact via de datingsites) overging naar het als vrouw, via de app persoonlijk contact (blijven) onderhouden, waarin de suggestie werd gewekt van een (toekomstige) affectieve relatie, met daarin ook de vraag om geld in verband met verzonnen redenen van geldproblemen,.
Ten aanzien van een aantal aangevers (te weten: [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] , [aangever 6] , [aangever 7] , [aangever 8] , [aangever 9] ) oordeelt de rechtbank dat de gang van zaken niet alleen ondersteund wordt door hun aangifte, maar ook door andere bewijsmiddelen, zoals banktransacties en chatberichten.
Met betrekking tot de overige aangevers (te weten: [aangever 10] , [aangever 11] en [aangever 12] ) geldt dat hun aangifte weliswaar niet in alle gevallen ondersteund wordt door aanvullende objectieve stukken, maar dat de inhoud van hun aangifte op essentiële punten overeenkomt met de hiervoor vastgestelde werkwijze van verdachte. Deze werkwijze is van een zodanig kenmerkende en specifieke modus operandi, dat de zaken met betrekking tot de verschillende aangevers zo met elkaar samenhangen dat zij over weer als schakelbewijs kunnen dienen.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van alle in de tenlastelegging personen schuldig heeft gemaakt aan oplichting.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 10 juni 2013 tot en met 17 juli 2017te [plaats 1] en/of [plaats 2] meermalen,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangever 1] ,
- [aangever 2] ,
- [aangever 3] ,
- [aangever 10] ,
- [aangever 4] ,
- [aangever 5] ,
- [aangever 6] ,
- [aangever 7] ,
- [aangever 8] ,
- [aangever 9] ,
- [aangever 11] ,
- [aangever 12] en/of
- een of meer andere slachtoffers,
heeft bewogen tot
- de afgifte van geld en/of een of meer paysafe-kaarten, en/of
- het ter beschikking stellen van een of meer inloggegevens van
internetbankieren en TAN-codes,
door
- zich via WhatsApp voor te doen als een in
die slachtoffers geïnteresseerde vrouw,
- een of meer verschillende vrouwennamen te gebruiken in
berichten naar die slachtoffers,
- die slachtoffers mede te delen en/of te doen geloven dat hij en die
slachtoffers samen konden/zouden zijn op enig moment,
- die slachtoffers voor te houden dat hij (tijdelijk) niet over zijn geld
kon beschikken en/of (tijdelijk) onvoldoende geld had om een of
meer verschillende redenen,
- die slachtoffers een of meer verschillende rekeningnummers ten
name van hemzelf en/of een of meer anderen te geven waarop
geld kon worden overgemaakt en/of
- een enkel slachtoffer te verzoeken een Skrill-account aan te maken
waarnaar geld kon worden overgemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van vier jaren, waarbij als aanvangsdatum het eerste verhoor van verdachte op 16 december 2020 bij de politie is gehanteerd.
Het standpunt van de verdediging
De redelijke termijn is fors overschreden. Voor berekening van die overschrijding moet
uitgegaan worden van de datum van doorzoeking van de woning van verdachte, zijnde 30 mei 2017. De redelijke termijn is dan ook overschreden met zeven jaren. Gelet op deze overschrijding en op straffen in soortgelijke zaken wordt voorgesteld om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een forse proeftijd en daarnaast een taakstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan meermalen gepleegde oplichting. Hij heeft, onder valse namen, via verschillende datingsites als vrouw contact gelegd met de aangevers en gebruikte daarna telkens dezelfde werkwijze (modus operandi). Als het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen was en zij dachten een affectieve relatie met hem/haar te hebben of binnenkort te krijgen, begon hij met het vragen van geld. Nadat de aangevers een bedrag aan verdachte hadden overgemaakt, vergokte hij dit geld. Verdachte was continu bezig meer geld van de aangevers los te krijgen door misbruik te maken van het in hem gestelde vertrouwen en de kwetsbaarheid van de slachtoffers. Het totale benadelingsbedrag bedraagt in ieder geval € 647.828. Op grote schaal heeft verdachte geld afgetroggeld enkel om zijn gokverslaving te bekostigen. Van deze feiten is bekend dat de slachtoffers naast boosheid over het financiële bedrog ook emotionele schade oplopen en (onterecht) veel schaamtegevoelens ervaren.
De aard en ernst van het feit, de geruime periode waarin verdachte zijn handelen heeft verricht en het aantal slachtoffers rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Waar voor een dergelijk feit doorgaans een gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden als uitgangspunt geldt, ziet de rechtbank in de omvang van het nadeel en het structurele karakter van zijn handelen over een geruime periode aanleiding om in deze zaak als hogere uitgangspunt een gevangenisstraf van 36 maanden te nemen.
Ook weegt zij mee de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in dit specifieke geval als startpunt de doorzoeking van de woning van verdachte op 30 mei 2017 genomen moet worden, nu verdachte vanaf dat moment in redelijkheid kon verwachten dat hij zou worden vervolgd. Tijdens die doorzoeking kon voor hem namelijk duidelijk zijn wat de verdenking was tegen hem. De redelijke termijn is in de onderhavige zaak dan ook met ongeveer zeven jaar overschreden, terwijl geen sprake is van een complexe zaak die een dergelijke vertraging kan rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding compenseren door een strafvermindering toe te passen van één derde deel. Wat zou resulteren in een op te leggen gevangenisstraf van 24 maanden.
Bij de bepaling van de uiteindelijke straf houdt de rechtbank ook rekening met het blanco strafblad van verdachte.
Ten aanzien van de persoon van verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte door niet aan het reclasseringsonderzoek mee te werken, weinig inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke omstandigheden. Wel is op grond van zijn verklaring ter zitting gebleken dat hij op dit moment geen bron van inkomen heeft, dat sprake is (geweest) van een verslaving aan oxycodon, alsmede van een nog bestaande gokverslaving en depressieve klachten. Daarnaast heeft verdachte geen blijk gegeven van inzicht in het laakbare van zijn handelen. Integendeel, uit zijn eigen verklaring dat de slachtoffers “al verliefd” waren voordat hij met zijn oplichtingspraktijken begon leidt de rechtbank af dat verdachte de impact van zijn handelen bagatelliseert en onvoldoende verantwoordelijkheid neemt. De huidige situatie rondom verdachte roept nog altijd zorgen op, vooral omdat er nog steeds geen sprake is van een stabiel inkomen, door zijn gokverslaving er nog steeds een voortdurende behoefte is aan geld, en hij inmiddels weet hoe eenvoudig het is om aan geld te komen.
De rechtbank overweegt dat, hoewel het feit geruime tijd geleden is gepleegd, de persoonlijke omstandigheden van verdachte immer zorgen voor een hoog recidiverisico. Naast een onvoorwaardelijk strafdeel dient de straf dan ook een voorwaardelijk strafdeel te bevatten om begeleiding van verdachte mogelijk te maken.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijk deel strekt ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en hem te bewegen tot gedragsverandering. Ook wordt het met een voorwaardelijk strafdeel mogelijk gemaakt om de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling gericht op zijn gokverslaving en het meewerken aan reclasseringstoezicht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Het beslag
De teruggave
Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 40.260,36 voor het tenlastegelegde feit.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen zal worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 32.980,86, waarvan € 32.380,86 materiële schade en € 600,- immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Ten aanzien van de posten “Overschrijvingen Stichting Escrow Ice Pay” à € 660,- en “Overschrijvingen Stichting Pay.nl” à € 6.619,50 is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is gevorderd, te weten 23 januari 2024.
De benadeelde partij [aangever 4] vordert een schadevergoeding van ongeveer € 50.000,- voor het tenlastegelegde feit. De rechtbank begrijpt dat hij € 50.000,- vordert.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden voor een bedrag van €101.318,70. De rechtbank komt tot dit bedrag op grond van de zich in het dossier bevindende bankafschriften (pagina 385 tot en met 445). Nu de benadeelde niet meer heeft gevorderd dan €50.000,-, acht de rechtbank de gevorderde schadevergoeding dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 50.000,- aan materiële schade, .
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is gevorderd, te weten 13 januari 2024.
De benadeelde partij [aangever 7] vordert een schadevergoeding van € 4.750,- voor het tenlastegelegde feit.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen zal worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.375, - aan materiële schade. De rechtbank komt tot dit bedrag op grond van de zich in het dossier bevindende bankafschriften (pagina 774 tot en met 780).
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is gevorderd, te weten 10 januari 2024.
De benadeelde partij [aangever 8] vordert een schadevergoeding van € 80.000,- voor het tenlastegelegde feit.
De rechtbank stelt vast dat de vordering niet is onderbouwd en dat deze onderbouwing ook niet in het dossier te vinden is. Zij is dan ook van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij [aangever 12] vordert een schadevergoeding van € 4.572,- voor het tenlastegelegde feit.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen zal worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 4.572,- aan materiële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is gevorderd, te weten 15 januari 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
oplichting, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275, 5037 PD te Tilburg , na het maken van een afspraak via telefoonnummer 088-8041505. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat onderzoeken, behandelen en begeleiden voor zijn gokverslaving. De zorgverlener zal bepaald worden door de reclassering, zolang de reclassering de hulp nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van onderzoek, behandeling en begeleiding;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
Toewijzing
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 12] van € 4.572,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Niet-ontvankelijk
- verklaart de benadeelde partij [aangever 8] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Deels toewijzing deels niet-ontvankelijk
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van
€ 32.980,86, waarvan € 32.380,86 aan materiële schade en € 600,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 4] van
€ 50.000,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 7] van
€ 1.375,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 12], € 4.572,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 32.980,86,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 120 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 4], € 50.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 200 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 7], € 1.375,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregelen de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
2 STK Goud (Omschrijving: PL2000-ZB4R017030_395562 Australië, elk stuk 50 gram, Goud, merk: The Pert MInt).
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
en mr. J.F.C. Janssen en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 6 mei 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2013 tot en met 17 juli 2017
te [plaats 1] en/of [plaats 2], althans in Nederland en/of Tsjechië,
meermalen, althans eenmaal,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het
aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangever 1] ,
- [aangever 2] ,
- [aangever 3] ,
- [aangever 10] ,
- [aangever 4] ,
- [aangever 5] ,
- [aangever 6] ,
- [aangever 7] ,
- [aangever 8] ,
- [aangever 9] ,
- [aangever 11] ,
- [aangever 12] en/of
- een of meer andere slachtoffers,
heeft bewogen tot
- de afgifte van geld en/of een of meer paysafe-kaarten, in elk geval
enig goed en/of
- het ter beschikking stellen van een of meer inloggegevens van
internetbankieren, TAN-codes en/of verificatiecodes, in elk geval
gegevens,
door
- via een of meer datingwebsites contact te leggen met die
slachtoffers,
- zich via datingwebsites en/of WhatsApp voor te doen als een in
die slachtoffers geïnteresseerde vrouw,
- een of meer verschillende (vrouwen)namen te gebruiken in
berichten naar die slachtoffers,
- die slachtoffers mede te delen en/of te doen geloven dat hij en die
slachtoffers samen konden/zouden zijn op enig moment,
- die slachtoffers voor te houden dat hij (tijdelijk) niet over zijn geld
kon beschikken en/of (tijdelijk) onvoldoende geld had om een of
meer verschillende redenen,
- die slachtoffers een of meer verschillende rekeningnummers ten
name van hemzelf en/of een of meer anderen te geven waarop
geld kon worden overgemaakt en/of
- die slachtoffers te verzoeken een Skrill-account aan te maken
waarnaar geld kon worden overgemaakt;
(Artikel 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht)