Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-180457-21
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. M.C. van der Want, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in ‘t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De procesafspraken
Het openbaar ministerie en de raadsman van verdachte hebben de mogelijkheid onderzocht tot het maken van procesafspraken met betrekking tot afdoening van deze strafzaak. Naar aanleiding van dit overleg tussen het openbaar ministerie en de verdediging is met instemming van beide partijen een overeenkomst opgemaakt, die in april 2025 is ondertekend door verdachte, de officier van justitie en de raadsman van verdachte.
Inhoud procesafspraken
Kort samengevat bevat het afdoeningsvoorstel de volgende procesafspraken:
Inhoudelijke behandeling ter zitting
Tijdens de zitting van 22 april 2026 is de korte inhoud van het afdoeningsvoorstel medegedeeld en zijn de procesafspraken met verdachte besproken. Verdachte heeft verklaard dat hij de hele procedure is bijgestaan door zijn raadsman en dat hij goed heeft begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Hij heeft ter zitting nogmaals aangegeven dat hij akkoord is met de procesafspraken.
Oordeel rechtbank
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is ook voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt. Dit brengt mee dat de rechtbank acht kan slaan op de gemaakte procesafspraken.
De voorzitter heeft benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de gemaakte afspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend is geweest.
5. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de overeenkomst.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de gemaakte procesafspraken heeft de verdediging geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Gelet op de procesafspraken volstaat de rechtbank met een verkort vonnis.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juli 2021 tot 12 april 2022 in de gemeente Hulst, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2
op 12 april 2022 te Hulst, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.400 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3
op 12 april 2022 te Lamswaarde, gemeente Hulst, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 16.900 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en
- ongeveer 21.575,6 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
6. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert conform de procesafspraken aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 107 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 240 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de procesafspraken te volgen en de in de overeenkomst opgenomen straf aan verdachte op te leggen, te weten een gevangenisstraf van 107 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 240 uren.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere overtredingen van de Opiumwet. Hij heeft gedurende ruim acht maanden gehandeld in hennep en een flinke hoeveelheid hennep en hasjiesj aanwezig gehad. Verdachte heeft hierdoor een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit en de daarmee gepaard gaande vormen van andere criminaliteit en risico’s voor het ontstaan van schade aan de gezondheid van gebruikers. De handel in verdovende middelen is overlastgevend voor de omgeving en kan zorgen voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals hierboven omschreven, de persoon van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank kennisgenomen van het strafblad van verdachte en de persoonlijke omstandigheden die op grond van het dossier en ter zitting naar voren zijn gekomen. Verdachte heeft sinds de gepleegde feiten geen soortgelijke delicten gepleegd en zijn persoonlijke situatie is al langere tijd stabiel, wat mede blijkt uit het rapport van de reclassering van 18 april 2024 over de voortijdige positieve beëindiging van het toezicht. Hij heeft een vaste baan, een woning en een vriendin die in verwachting is en met wie hij samenwoont. Ook is rekening gehouden met de nog jonge leeftijd van verdachte ten tijde van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn.
Met inachtneming van het voorgaande constateert de rechtbank dat de eis van de officier van justitie en daarmee de in het afdoeningsvoorstel overeengekomen straffen binnen de bandbreedte vallen van straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen staan ook in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de overige omstandigheden zoals die blijken uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting. Daarbij heeft de rechtbank in strafmatigende zin in het bijzonder meegewogen dat het erg lang heeft geduurd voor de zaak op zitting werd besproken en daarmee de redelijke termijn is overschreden en dat verdachte al langere tijd laat zien dat sprake is van een stabiele situatie.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. Zij zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 107 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis als verdachte de taakstraf niet (goed) uitvoert.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 107 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter,
en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 mei 2026.
De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli
2021 tot en met 12 april 2022 in de gemeente Hulst, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen,
meermalen althans eenmaal,
opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of
vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid
van meer dan 30 gram hennep, en/of
een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast
mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep
(hasjiesj) waaraan
geen andere substanties zijn toegevoegd,
zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde
lid van artikel 3a van die wet;
( art 3 ahf/ond B Opiumwet )
2
hij op of omstreeks 12 april 2022 te Hulst, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.400 gram, in elk geval een
hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1
Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 12 april 2022 te Lamswaarde, gemeente Hulst,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16.900 gram, in elk geval een
hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel
van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj),
waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer
21.575,6 gram,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde
lid van artikel 3a van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )