Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-287869-21; 02-169769-21 (ttz. gev.)
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in ’t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02-287869-21
02-169769-21
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De procesafspraken
Het openbaar ministerie en de raadsman van verdachte hebben de mogelijkheid onderzocht tot het maken van procesafspraken met betrekking tot afdoening van deze strafzaken. Naar aanleiding van dit overleg tussen het openbaar ministerie en de verdediging is met instemming van beide partijen een overeenkomst opgemaakt, die in mei 2025 is ondertekend door verdachte, de officier van justitie en de raadsman van verdachte.
Inhoud procesafspraken
Kort samengevat bevat het afdoeningsvoorstel de volgende procesafspraken:
namelijk het totaalbedrag van 10.000 euro en een telefoon, zoals opgenomen in de bijlage bij de overeenkomst;
Inhoudelijke behandeling ter zitting
Tijdens de zitting van 22 april 2026 is de korte inhoud van het afdoeningsvoorstel medegedeeld en zijn de procesafspraken met verdachte besproken. Verdachte heeft verklaard dat hij de hele procedure is bijgestaan door zijn raadsman en dat hij goed heeft begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Hij heeft ter zitting nogmaals aangegeven dat hij akkoord is met de procesafspraken.
Oordeel rechtbank
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is ook voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt. Dit brengt mee dat de rechtbank acht kan slaan op de gemaakte procesafspraken.
De voorzitter heeft benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de gemaakte afspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend is geweest.
5. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de overeenkomst.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de gemaakte procesafspraken heeft de verdediging geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Gelet op de procesafspraken volstaat de rechtbank met een verkort vonnis.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-287869-21
1
op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juli 2021 tot en met 12 april 2022 in de gemeente Hulst, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2
op 12 april 2022 te Hulst, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2.400 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
02-169769-21
1op 17 maart 2021 te Hulst opzettelijk [politieagent] , politieambtenaar bij de eenheid Zeeland-West- Brabant, in zijn tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "rot op met je kankerkop";
2op 17 maart 2021 te Hulst een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 10.000,-- Euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp (geldbedrag) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;
3op 17 maart 2021 te Hulst een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een veerdrukwapen dat een sprekende gelijkenis vertoonde met een echt vuurwapen, te weten een Glock, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
6. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert conform de procesafspraken aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 66 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 120 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de procesafspraken te volgen en de in de overeenkomst opgenomen straf aan verdachte op te leggen, te weten een gevangenisstraf van 66 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 120 uren.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere overtredingen van de Opiumwet. Hij heeft gedurende ruim acht maanden gehandeld in hennep en een flinke hoeveelheid hennep en hasjiesj aanwezig gehad. Verdachte heeft hierdoor een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit en de daarmee gepaard gaande vormen van andere criminaliteit en risico’s voor het ontstaan van schade aan de gezondheid van gebruikers. De handel in verdovende middelen is overlastgevend voor de omgeving en kan zorgen voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar, het witwassen van geld en het voorhanden hebben van een op een wapen lijkend voorwerp. De politieagent, die bezig was met zijn werk, voelde zich beledigd door de uitlatingen van verdachte. Van witwassen is bekend dat dit doorgaans resulteert in een aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Het ongecontroleerde bezit van een op een vuurwapen lijkend voorwerp brengt onaanvaardbare risico’s met zich. Het kan leiden tot ernstige incidenten, omdat een dergelijk voorwerp kan worden gebruikt om een ander mee te bedreigen.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals hierboven omschreven, de persoon van verdachte en straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank kennis genomen van het strafblad van verdachte en de persoonlijke omstandigheden die op grond van het dossier en ter zitting naar voren zijn gekomen. Verdachte heeft sinds de gepleegde feiten geen soortgelijke delicten gepleegd en zijn persoonlijke situatie is al langere tijd stabiel. Hij heeft werk en een vriendin met wie hij samenwoont. Ook is rekening gehouden met de nog jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn.
Met inachtneming van het voorgaande constateert de rechtbank dat de eis van de officier van justitie en daarmee de in het afdoeningsvoorstel overeengekomen straffen binnen de bandbreedte vallen van straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen staan ook in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de overige omstandigheden zoals die blijken uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting. Daarbij heeft de rechtbank in strafmatigende zin in het bijzonder meegewogen dat het erg lang heeft geduurd voor de zaak op zitting werd besproken en dat verdachte al langere tijd laat zien dat er sprake is van een stabiele situatie.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. Zij zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 66 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis als verdachte de taakstraf niet (goed) uitvoert.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 266, 267 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-287869-21
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
02-169769-21
feit 1: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;feit 2: witwassen;
feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 66 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter,
en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 mei 2026.
De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-287869-21
1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en
met 12 april 2022 in de gemeente Hulst, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen althans eenmaal,
opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer
dan 30 gram hennep, en/of
een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van
hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan
geen andere substanties zijn toegevoegd,
zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet;
( art 3 ahf/ond B Opiumwet )
2
hij op of omstreeks 12 april 2022 te Hulst, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 2.400 gram, in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )
02-169769-21
1hij op of omstreeks 17 maart 2021 te Hulstopzettelijk[politieagent] , politieambtenaar bij de eenheid Zeeland-West- Brabant,in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling,heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "rot op met jekankerkop", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 17 maart 2021, te Hulst,althans in Nederland,van een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer10.000,-- Euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemdingen/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/ofheeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weteneen of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 10.000,-- Euro, was, en/ofheeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten een of meerderegeldbedrag(en) van in totaal ongeveer 10.000,-- Euro, voorhanden heeft gehad,althans in elk geval een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 10.000,--Euro heeft verworven en/of voorhanden heeft gehadterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat datvoorwerp(geldbedrag) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstigwas uit enig misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )
3hij op of omstreeks 17 maart 2021 te Hulsteen wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weteneen door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat eenernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapengeleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijkeen veerdrukwapen dat een sprekende gelijkenis vertoonde met een echtvuurwapen, te weten een Glock, voorhanden heeft gehad;
( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )