RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-173242-22
vonnis van de meervoudige kamer van 7 mei 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
wonende [adres] ,
ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting
in [plaats] ,
raadsman mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.S. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een vuurwapen in zijn richting te schieten; feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een vuurwapen in zijn directe nabijheid te schieten;
feit 3: heeft geprobeerd [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een vuurwapen in haar directe nabijheid te schieten;feit 4: opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld paspoort.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door het schieten met een vuurwapen heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden (feit 1) en dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feiten 2 en 3). Hij baseert zich daarbij op de verklaringen van deze slachtoffers, hun letsel, de verklaring van verdachte, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en de videobeelden waarop het schieten te zien is. De officier van justitie acht ook bewezen dat verdachte een niet op zijn naam gesteld paspoort heeft gebruikt (feit 4). Verdachte heeft dit laatste feit bekend.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, omdat er geen sprake was van enige vorm van opzet bij verdachte. Voor de bewezenverklaring van feit 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten 1, 2 en 3
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 9 juli 2022 na afloop van het Latino Gang Festival op het parkeerterrein van Breepark in Breda een woordenwisseling en vechtpartij is ontstaan tussen verdachte (en zijn vrienden) en aangever van feit 1 [slachtoffer 1] (en zijn vrienden). Op enig moment is er drie keer met een vuurwapen geschoten. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij degene is die heeft geschoten. Ook heeft verdachte verklaard dat hij geen ervaren schutter is en dat hij naar beneden, richting de grond heeft geschoten.
Poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , feit 1
Op de in het dossier beschreven en op de zitting getoonde en besproken videobeelden is te zien dat aangever [slachtoffer 1] op enig moment op de grond viel en daar bleef zitten. Verdachte liep vervolgens om [slachtoffer 1] heen, pakte een vuurwapen van iemand over en schoot drie keer vanaf ongeveer één meter afstand naar beneden, in de richting van de plek waar [slachtoffer 1] op dat moment op de grond zat. Uit de beelden blijkt dat [slachtoffer 1] in de schotlijn van het vuurwapen van verdachte zat. [slachtoffer 1] heeft dan ook in- en uitschotwonden opgelopen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte drie keer in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten.
De vraag die door de rechtbank moet worden beantwoord, is of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Daarvoor is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat bij verdachte sprake is geweest van vol opzet. Wel heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft namelijk met een vuurwapen meermalen op korte afstand in de richting van [slachtoffer 1] geschoten. Naar algemene ervaringsregels levert het op korte afstand meermalen op een persoon schieten met een vuurwapen, de aanmerkelijke kans op dat vitale onderdelen van het lichaam worden geraakt en dat die persoon daardoor komt te overlijden. Dit geldt te meer nu verdachte geen ervaren schutter was en dus niet gericht te werk kon gaan. Hij mag dan ook van geluk spreken dat bij [slachtoffer 1] geen vitaal lichaamsdeel is geraakt en het niet veel erger is afgelopen.
De gedraging van verdachte kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer 1] gericht, dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken.
De rechtbank acht de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.
Poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] feiten 2 en 3
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte met een vuurwapen drie keer in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten. [slachtoffer 1] was daar niet als enige aanwezig. Het was een drukte op het parkeerterrein, na afloop van een festival. De vechtpartij trok bovendien aandacht en bekijks. Er stonden en bewogen veel mensen om [slachtoffer 1] heen. Verdachte heeft dus in de nabijheid van vele anderen, waaronder [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , geschoten. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of dat kan worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
De rechtbank stelt voorop dat door als onervaren schutter met een vuurwapen drie keer in de richting van de op de grond zittende [slachtoffer 1] te schieten, terwijl mensen om hem heen bewegen, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestaat dat de door verdachte afgevuurde kogels één of meer andere personen dan [slachtoffer 1] zouden raken en dan zwaar lichamelijk letsel zouden veroorzaken. Niet denkbeeldig is dat de kogels ook andere personen zouden raken of dat een kogel op de grond zou afketsen en vervolgens iemand van de omstanders raken. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] stonden zo dicht in de buurt van [slachtoffer 1] dat zij eenvoudig geraakt konden worden. Dit gevaar heeft zich zelfs verwezenlijkt. [slachtoffer 3] heeft namelijk een schampschot op haar bovenbeen opgelopen, waardoor zij hard ten val is gekomen en [slachtoffer 2] voelde na een van de drie schoten iets bij zijn linkerknie en had daar een klein schaafwondje. Een schotwond kan echter gemakkelijk zwaarder letsel veroorzaken als forse botbreuken, zenuw- en/of peesschade.
Verdachte heeft door onder deze omstandigheden en op deze manier driemaal te schieten de kans dat [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] door een kogel zwaar gewond zou raken op de koop toegenomen. De rechtbank acht de poging van verdachte tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
Op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank dit feit bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 9 juli 2022 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen kogels in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op 9 juli 2022 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen kogels in de directe nabijheid van die voornoemde [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3op 9 juli 2022 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen kogels in de directe nabijheid van die voornoemde [slachtoffer 3] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4op 8 augustus 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een (Nederlands) paspoort met nummer: [paspoortnummer] en tenaamgestelde: [persoon] , door voornoemd paspoort ter identificatie van zichzelf, verdachte, aan de politie te tonen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Door de verdediging is voor de feiten 1, 2 en 3 aangevoerd dat verdachte een beroep op (putatief) noodweer (exces) toekomt, waardoor hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet sprake zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder ook is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van geweest.
Zoals in de bewijsoverwegingen genoemd, is er na een woordenwisseling een vechtpartij ontstaan en is [slachtoffer 1] op de grond terechtgekomen en daar blijven zitten. Er was op dat specifieke moment al enige tijd geen fysiek contact meer tussen verdachte en [slachtoffer 1] . Zij waren zelfs aanvankelijk meters uit elkaar en de vechtpartij was al gestopt. Verdachte is vervolgens teruggekomen, om [slachtoffer 1] heen gelopen, heeft een vuurwapen van een ander overgepakt en daarmee drie keer van dichtbij in de richting van [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 1] zat op dat moment op de grond en uit niets is gebleken dat hij of één van de omstanders een wapen had of dat er op een andere manier sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Het beroep op (putatief) noodweer wordt bij gebrek aan het bestaan van een noodweersituatie verworpen. De rechtbank komt daarom niet toe aan het beroep op noodweer exces.
Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op, waarvoor verdachte ook strafbaar is.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om aan verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Er is bij de feiten 1, 2 en 3 sprake van samenloop. Ook is bij de aanhouding van verdachte niet noodzakelijk en disproportioneel geweld gebruikt en daarmee gehandeld in strijd met de Ambtsinstructie voor de politie, hetgeen is aan te merken als een vormverzuim en dient te leiden tot strafvermindering.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Nadat het Latino Gang Festival was afgelopen en de bezoekers daarvan naar het parkeerterrein gingen, is de auto waar verdachte in zat in botsing gekomen met de auto waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in zaten. Er is vervolgens een ruzie ontstaan, waarbij ook door meerdere mensen werd gevochten. Verdachte heeft met een vuurwapen drie keer op korte afstand in de richting van [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] (een verkeersregelaar die daar aan het werk was) stonden hier dichtbij. Er mag van geluk worden gesproken dat het handelen van verdachte niemand fataal is geworden.
Het incident moet voor de slachtoffers een zeer beangstigende en traumatische ervaring zijn geweest. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] , waarin zij heeft omschreven dat ze veel psychische klachten heeft sinds de schietpartij. Bij haar is PTSS gediagnosticeerd, ze heeft nog steeds last van paniekaanvallen en ze slaapt slecht. Ook [slachtoffer 1] heeft moeite om de schietpartij een plekje te geven. De blijvende littekens door de kogels herinneren hem er dagelijks aan. Ook vindt hij het moeilijk om te beseffen dat hij dood had kunnen zijn.
Buiten dat neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat hij op een parkeerterrein, dat vol stond met bezoekers van een festival, meerdere keren met een vuurwapen heeft geschoten. Verdachte heeft zich hiermee volstrekt onverschillig getoond voor het welzijn van anderen. Al deze mensen zijn getuige geweest van een ingrijpende gebeurtenis en de rechtbank heeft het hiervoor al eerder aangehaald, maar dit had zo maar nog veel ernstiger af kunnen lopen.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en wapenfeiten. Ook de proceshouding van verdachte neemt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid mee. De schietpartij heeft plaatsgevonden op 9 juli 2022. Verdachte is direct daarna vertrokken en heeft zich ook later niet uit eigen beweging bij de politie gemeld. Hij is zelfs lange tijd onvindbaar geweest. Toen verdachte werd aangehouden op 8 augustus 2025 heeft hij eerst gebruik gemaakt van een paspoort van een ander. Bij de politie en op de verschillende pro-formazittingen heeft verdachte vervolgens niets willen verklaren. Pas kort voor de zitting heeft verdachte verklaard dat hij de schutter is geweest.
Van disproportioneel geweld bij de aanhouding van verdachte of anderszins strijd met de Ambtsinstructie voor de politie, zoals de raadsman wel in pleidooi heeft aangevoerd, is de rechtbank op basis van het dossier niet gebleken.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden en legt dit aan verdachte op.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De benadeelde partijen
De benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 5.916,00 voor feit 1, bestaande uit € 416,00 aan materiële schade en € 5.500,00 aan immateriële schade.
De gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd en een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal het bedrag van € 416,00 toewijzen.
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij ook immateriële schade heeft ondervonden van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Verdachte heeft met een vuurwapen drie keer van dichtbij in de richting van de benadeelde geschoten. Hierdoor heeft de benadeelde schotverwondingen met in- en uittrede aan zijn rechter onderarm en linkerflank opgelopen. De schotverwondingen hebben littekens achtergelaten, waardoor de benadeelde steeds aan het incident wordt herinnerd. Het incident heeft ook een grote impact gehad, omdat de benadeelde beseft dat hij dood had kunnen gaan.
Gelet op de omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk. De rechtbank wijst dus
€ 5.500,00 toe. Anders dan door de verdediging is gesteld, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat sprake is van eigen schuld bij de benadeelde partij, zodat er geen aanleiding is om het bedrag te matigen.
De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal: € 5.916,00) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 9 juli 2022. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 15.860,46 voor feit 3, bestaande uit € 7.860,46 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade.
Materiële schade
De materiële schade bestaat uit:
* medische kosten in de jaren 2022, 2025, 2026 en 2027: € 1.423,24;
* kapotte armband: € 180,00;
* reiskosten voor therapie: € 1.054,04;
* toekomstige reiskosten voor therapie: € 1.000,00;
* gederfde inkomsten: € 4.203,18.
De rechtbank is van oordeel dat de medische kosten in de jaren 2022, 2025 en 2026 en de al gemaakte reiskosten voor therapie voldoende zijn onderbouwd en een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal deze posten met een totaalbedrag van € 2.092,28 daarom toewijzen.
Voor de (onherstelbare) schade aan de armband en de gederfde inkomsten is de rechtbank van oordeel dat de schade dan wel het causale verband in relatie tot het bewezenverklaarde onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De benadeelde zal ook niet-ontvankelijk worden verklaard voor de medische kosten in 2027 en de toekomstige reiskosten voor therapie, omdat deze schade nog niet is ontstaan.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij immateriële schade heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Verdachte heeft drie keer met een vuurwapen in de nabijheid van de benadeelde geschoten. Hierdoor heeft zij een schampschot opgelopen en vele psychische klachten. Bij de benadeelde is PTSS gediagnosticeerd en zij staat onder behandeling van een psycholoog.
Gelet op de omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 4.000,00 billijk. Voor het overige zal de benadeelde niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal: € 6.092,28) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 9 juli 2022. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. Het beslag
De in beslag genomen drugs worden onttrokken aan het verkeer. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dat voorwerp te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 231, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
De eendaadse samenloop van:
feit 1: poging tot doodslag;
feit 2: poging tot zware mishandeling;
feit 3: poging tot zware mishandeling;
en
feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken een niet op zijn naam gesteld
reisdocument/identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of
nationaal belang;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf (5) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[slachtoffer 1] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van
€ 5.916,00, waarvan € 416,00 aan materiële schade en € 5.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2022 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] , € 5.916,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 59 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[slachtoffer 3] (feit 3)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 6.092,28, waarvan € 2.092,28 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2022 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 3] , € 6.092,28 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 65 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp:
1. STK verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2022178464-G2892661).
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 mei 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 9 juli 2022 te Breda, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met dat opzet) met een vuurwapen een of meerdere kogels in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(art. 287/302 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2hij op of omstreeks 9 juli 2022 te Breda, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen een of meerdere kogels in de richting van, althans in de directe nabijheid van die voornoemde [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3hij op of omstreeks 9 juli 2022 te Breda, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen een of meerdere kogels in de richting van, althans in de directe nabijheid van die voornoemde [slachtoffer 3] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
4hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en/ofidentiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een (Nederlands) paspoort met nummer: [paspoortnummer] en tenaamgestelde: [persoon] , door voornoemd paspoort ter identificatie van zichzelf, verdachte, aan de politie te tonen;(art. 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht).