RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
locatie Middelburg
Zaak- / rekestnummer: C/02/437596 / FA RK 25-3593
beschikking d.d. 7 april 2026
in de zaak van
[de vrouw] (hierna te noemen: de vrouw),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
verzoekster,
advocaat: mr. H. Devkinandan, kantoorhoudende te Zoetermeer,
voorheen mr. Ç. Bayrak, kantoorhoudende te Bergen op Zoom.
tegen
[de man] (hierna te noemen: de man),
wonende te [plaats 1] ,
verweerder,
advocaat mr. M.S. Yap, kantoorhoudende te Bergen op Zoom.
1. De procedure
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, met producties, ingekomen op 9 juli 2025;
- een betekeningsexploot, ingekomen op 18 juli 2025;
- het F9-formulier d.d. 12 september 2025 van mr. Devkinandan, met bijlage(n);
- het F9-formulier d.d. 12 november 2025 van mr. Yap;
- het F9-formulier d.d. 1 december 2025 van mr. Devkinandan;
- het F9-formulier d.d. 7 januari 2026 van mr. Devkinandan;
- de brief d.d. 13 januari 2026 van de Raad;
- het F9-formulier d.d. 12 februari 2026 van mr. Yap;
- het op 13 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- de brief d.d. 5 februari 2026 van de Raad.
2. De feiten
Partijen zijn op [datum] 1999 te Rijswijk met elkaar gehuwd.
Uit het huwelijk van partijen is geboren de nu nog minderjarige:
- [minderjarige 1] (roepnaam en hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011.
Partijen zijn daarnaast de ouders van de inmiddels meerderjarige dochter [minderjarige 2] (roepnaam en hierna: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
3. De beoordeling
Echtscheiding (bij vervroeging)
De rechtbank begrijpt dat namens de vrouw wordt verzocht de echtscheiding bij vervroeging en zonder mondelinge behandeling uit te spreken, omdat zij daarbij een belang heeft. Zij stelt hiertoe dat zij de echtscheidingsbeschikking nodig heeft zodat zij in de schuldsanering kan. Zij is namelijk belast met diverse schulden van de man en een loonbeslag als gevolg van de schulden van de man, aldus de vrouw. De man verzet zich niet tegen het bij vervroeging uitspreken van de echtscheiding.
Ontvankelijkheid;
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtswetvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoek tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
De rechtbank constateert dat er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat partijen niet in staat zijn om gezamenlijk afspraken over de minderjarige te maken die in een ouderschapsplan kunnen worden opgenomen. Tijdens het huwelijk van partijen was er sprake van spanningen, met fysiek geweld gepaard gaande ruzies, bedreiging en dwingende controle door de man jegens de vrouw. De minderjarige is hier getuige van geweest en er zijn dan ook op dit moment de nodige zorgen rondom de minderjarige. Gelet op deze zorgen is heeft de voorzieningenrechter in de procedure met kenmerk C/02/439166 / KG ZA 25-441 verzocht om een raadsonderzoek in te stelen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen. Het is voldoende aannemelijk dat de verhouding tussen partijen zodanig verslechterd is, dat zij op dit moment niet in staat zijn om gezamenlijk afspraken over de minderjarige te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw voldoende heeft toegelicht waarom redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij binnen een redelijke termijn alsnog een ouderschapsplan overlegt dat voldoet aan alle vereisten van artikel 815 lid 3 Rv.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het verzoek tot echtscheiding van de vrouw ontvankelijk.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat partijen, gelet op het tijdsverloop en hetgeen de vrouw daarover heeft aangevoerd, een wezenlijk belang hebben bij het vervroegd uitspreken van de echtscheiding. Gelet hierop en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het echtscheidingsverzoek, zal het verzoek tot echtscheiding, gelet op de referte van de man, als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Overige verzoeken
De rechtbank houdt de zaak ten aanzien van de overige verzoeken die nog voorliggen aan de rechtbank aan en verwijst deze naar een nader te bepalen mondelinge behandeling.
Het voorgaande leidt tot de volgende tussenbeslissing.
4. De beslissing
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1999 te [plaats 2] ;
verwijst de zaak voor wat betreft de overige verzoeken aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in tegenwoordigheid mr. De Haard, griffier.
SdH