RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446436 / FA RK 26-1544
Datum uitspraak: 7 april 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] , Duitsland,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats] ,
verblijvende in [accommodatie] te [plaats] ,
advocaat mr. E.S. van Aken uit Zierikzee.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 25 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Duitse taal;
mevrouw [persoon 1] , regiebehandelaar;
mevrouw [persoon 2] , mentor,
[persoon 3] , persoonlijk begeleider.
2. Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van vijf jaar.
3. De standpunten
Betrokkene geeft tijdens de zitting aan dat zij niet meer in Nederland wil blijven maar terug wil keren naar Duitsland en dan bij voorkeur bij haar dochter thuis wil gaan wonen. Zij geeft aan zich niet thuis te voelen in de huidige instelling; zij voelt zich hier opgesloten. Betrokkene verveelt zich en voelt zich niet begrepen in haar persoonlijke en culturele achtergrond. Volgens betrokkene wordt er onvoldoende rekening gehouden met haar wensen en haar verleden. Zij staat wel open voor een opname maar dan uitsluitend in Duitsland zodat zij Duits met haar medebewoners kan praten en over de Duitse politiek kan praten.
De behandelaar van betrokkene stelt dat het in het belang van betrokkene is dat er duidelijkheid en rust wordt gecreëerd door middel van een rechterlijke machtiging voor een langere duur, te weten vijf jaar. De behandelaar benadrukt dat betrokkene de afgelopen periode aanzienlijk is achteruitgegaan in haar cognitief en lichamelijk functioneren en dat zij aangewezen is op de huidige zorgsetting. Betrokkene heeft 24 uurs zorg nodig, die niet in de thuissituatie kan worden ingezet. De wens van betrokkene om naar Duitsland te gaan is volgens haar pas recent ontstaan en lijkt beïnvloed door de huisvriend van betrokkene. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat een overplaatsing naar Duitsland een meerwaarde heeft voor de zorg en het welzijn van betrokkene. Tot slot merkt de behandelaar nog op dat betrokkene geen contact heeft gehad met haar dochter in de tijd dat zij in de instelling verblijft en dat is nu al anderhalf jaar. De dochter heeft ook nooit contact opgenomen met de behandelaar om op de hoogte te worden gebracht van de situatie van haar moeder. Een verblijf van betrokkene bij haar dochter in Duitsland is dan ook niet in het belang van betrokkene, aldus de behandelaar.
De mentor sluit zich aan bij het standpunt van de behandelaar en acht een machtiging voor vijf jaar in het belang van betrokkene. De mentor wijst erop dat betrokkene eerder andere, wisselende verklaringen gaf over haar achtergrond en familie en dat de huidige wens om naar Duitsland te gaan recent is ontstaan en mogelijk door de huisvriend van betrokkene is geopperd. De mentor geeft aan dat indien in de toekomst blijkt dat een overplaatsing naar Duitsland daadwerkelijk in het belang van betrokkene is, zij bereid is dit te faciliteren.
De advocaat van betrokkene geeft aan dat het verzet van betrokkene tegen haar verblijf in de instelling beperkt en niet eenduidig is en vooral samenhangt met haar wens tot overplaatsing naar Duitsland. Volgens de advocaat moet nader onderzocht worden of een dergelijke overplaatsing in het belang van betrokkene is, mede gelet op de rol van de dochter en de betrokken huisvriend van betrokkene. Gelet op deze onduidelijkheden acht de advocaat een machtiging voor de duur van vijf jaar te lang. De advocaat verzoekt de duur van de machtiging tot beperken tot een kortere termijn zodat de situatie rondom betrokkene op een later moment opnieuw kan worden beoordeeld.
4. De beoordeling
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van vijf jaar. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Bij betrokkene is namelijk sprake van dementie, te weten type Alzheimer. Er is sprake van achteruitgang van het kortetermijngeheugen en de mobiliteit van betrokkene. Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en geen ziektebesef.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene niet in staat is haar algemene dagelijkse levensverrichtingen zelfstandig uit te voeren. Zij heeft daarbij voortdurende sturing en begeleiding nodig. Zonder deze ondersteuning verwaarloost zij haar persoonlijke verzorging, voeding en leefomgeving. Zo was er langdurig sprake van weigering van basale hygiënische zorg (zoals het wassen van het haar), is structurele aansporing nodig bij eten en drinken om gewichtsverlies te voorkomen en raakt haar woonruimte vervuild bij het uitblijven van schoonmaken. Ook toont betrokkene ontremd gedrag waaronder het toenaderen van mannelijke medebewoners wat kan leiden tot grensoverschrijdende situaties.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Hoewel geen sprake is van fysiek verzet, uit betrokkene herhaaldelijk en consistent verbaal de wens om de instelling te verlaten en terug te keren naar Duitsland en naar haar dochter in Duitsland te gaan. Zij geeft duidelijk aan terug naar huis te willen gaan. Daarbij voelt betrokkene zich te goed voor de groep, ervaart zij het verblijf als opgesloten zijn en geeft zij aan zich te vervelen.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft 24 uurs zorg nodig die haar niet in de thuissituatie geboden kan worden.
5. De beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats] , Duitsland;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 7 april 2031.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.