RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445758 / JE RK 26-388
Datum uitspraak: 7 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
hierna te noemen de vader,
wonende te [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 15 oktober 2025 en tot 15 oktober 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een omgangsregeling vast te stellen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het verzoek is ter zitting gewijzigd, in die zin dat wordt verzocht om een omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader, begeleid en op locatie van [hulpverlening 1] / [hulpverlening 2] voor tweemaal per week voor de duur van anderhalf uur en daarbij te bepalen dat uitbreiding van de regeling kan plaatsvinden naar bevinden van en onder regie van de GI.
4. De standpunten
De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat de vader nu wekelijks tweemaal anderhalf uur begeleid contact heeft met [minderjarige] , op locatie van [hulpverlening 1] . De GI wil deze regeling graag als basis aanhouden, waarbij het de bedoeling is dat toegewerkt wordt naar uitbreiding, mits de ouders zich aan de veiligheidsafspraken houden. De ouders komen de veiligheidsafspraken op dit moment niet na. Om die reden vindt de GI omgang bij de moeder thuis nog geen goed idee. Daarbij komt dat de GI vanuit de hulpverlening heeft vernomen dat tussen de ouders nog steeds escalaties plaatsvinden, die zich voordoen op het moment dat de hulpverlening niet aanwezig is. Zes weken geleden vond het laatst gemelde incident plaats. Het uiteindelijke doel is onbegeleide omgang. De frequentie en duur daarvan is nog onduidelijk, omdat dit ook afhangt van de wijze waarop de ouders invulling zullen geven aan het ouderschap en hun relatie. De bezoeken zullen vanaf 1 mei 2026 worden begeleid door [hulpverlening 2] . De GI denkt dat het goed is om met behulp van een andere hulpverleningsinstantie te proberen om de huidige patronen van de ouders te doorbreken.
De moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het nakomen van de veiligheidsafspraken best lastig is. De vader wil graag bij [minderjarige] zijn en hij heeft er moeite mee dat hij hem zo weinig ziet. Hij wil steeds meer betrokken zijn en vindt het ook moeilijk dat hij niet in de woning mag zijn als de andere kinderen thuis zijn. De moeder vindt het zelf ook lastig dat zij niet vaker met de vader kan zijn, bijvoorbeeld om met hem te kunnen praten. De moeder doet haar best om de veiligheidsafspraken na te komen, omdat zij weet wat er op het spel staat en zij wil niet terug naar de situatie van vorig jaar. Het is erg lastig, ook om ‘nee’ te zeggen tegen de vader. De omgang tussen de vader en [minderjarige] op de locatie van [hulpverlening 1] verloopt goed. Daarin kan mogelijk wel uitbreiding plaatsvinden. Voor [minderjarige] zou het wel fijner zijn om de omgang thuis plaats te laten vinden. Daar heeft hij alle ruimte en ook de beschikking tot zijn eigen spulletjes. De moeder realiseert zich tegelijkertijd ook dat het dan misschien wel lastig zal worden voor de ouders om zich goed aan de tijdsduur te houden. [minderjarige] heeft momenteel ook omgang met zijn oma en tante, zo’n vier uur per week. Daarnaast passen zij ook regelmatig op [minderjarige] als de moeder moet werken.
De vader heeft verklaard dat hij wekelijks hulp ontvangt vanuit [hulpverlening 3] . De analyse vanuit de hulpverlening moet nog worden besproken en ook zal de moeder nog worden betrokken. De vader realiseert zich dat hij zich aan de (veiligheids)afspraken moet houden. Hij wil echter heel graag bij [minderjarige] en de moeder zijn en alle ontwikkelingen van [minderjarige] meemaken. De vader wil de moeder ook graag ondersteunen bij het huishouden. Hij zou graag laten zien dat hij de afspraken wel na kan komen, nu hij zich ook realiseert dat het niet nakomen van de afspraken het uitbreiden van het contact bemoeilijkt. De vader zegt daarom toe om niet meer onverwachts langs te komen bij de moeder en [minderjarige] .
5. De beoordeling
Ingevolge artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijzigen of vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De kinderrechter stelt vast dat nog niet eerder een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader werd vastgesteld. Uit de stukken van de GI volgt dat zij inmiddels een begeleide omgangsregeling hanteren waarbij [minderjarige] en de vader tweemaal per week contact hebben met elkaar op de locatie van [hulpverlening 1] . Tijdens de zitting heeft de GI haar verzoek gewijzigd, in die zin dat verzocht wordt om een omgangsregeling vast te stellen in de mate en frequentie waarop deze thans al plaatsvindt en daarnaast te bepalen dat uitbreiding van de omgangsregeling plaatsvindt naar bevinden en onder regie van de GI.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken concludeert de kinderrechter dat er verschillende signalen zijn ten aanzien van de rol van de vader. De vader heeft met [minderjarige] op dit moment tweemaal anderhalf uur begeleid contact per week. IPT ziet enerzijds een positief en ontspannen contact tussen de vader en [minderjarige] en constateren verder dat de vader in staat is om de aanwijzingen van de moeder en IPT ten aanzien van de verzorging van [minderjarige] op te volgen. Anderzijds blijkt uit gesprekken die de jeugdbeschermers hebben gehad met de andere kinderen van de moeder, dat de vader regelmatig – tegen de afspraken in – bij de moeder langskomt en hebben de kinderen over deze bezoeken zorgelijke uitspraken gedaan die wijzen op gevoelens van angst, onveiligheid en spanning ten aanzien van de vader. Hoewel de vader heeft verklaard dat hij het huis van de moeder alleen bezoekt als de andere kinderen van de moeder niet thuis zijn, erkennen de ouders dat zij de veiligheidsafspraken en bodemeisen (die werden gemaakt om de veiligheid en stabiliteit in de opvoedingsomgeving van [minderjarige] te waarborgen) niet zijn nagekomen, nu de vader [minderjarige] en de moeder naar eigen inzicht bezoekt. De vader heeft hiervoor als verklaring gegeven dat hij meer betrokken wil zijn in het leven van [minderjarige] en de moeder wil ondersteunen. De moeder vindt het vervolgens lastig om hier weerstand aan te bieden en de deur gesloten te houden. Dit leidt tot zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen, (in elk geval) op het moment dat de vader in de aanwezigheid van de kinderen in de woning van de moeder aanwezig is. Deze zorgen worden versterkt door het incident dat zich enkele weken geleden voordeed in de woning van de moeder, waarbij de vader weigerde om de woning te verlaten en dit vervolgens leidde tot een escalatie. Dit leidt bij de kinderrechter vervolgens tot de conclusie dat de ouders, maar in elk geval de vader, op de momenten dat zij de (veiligheids)afspraken niet nakomen, ruzie maken en op onverwachte momenten contact hebben, hun eigen behoeften boven die van [minderjarige] en de andere kinderen stellen. Dit vindt de kinderrechter een zorgelijke vaststelling. Positief is dat de vader tijdens de zitting heeft toegezegd dat hij zich in het vervolg aan de afspraken zal houden. Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan een regeling van tweemaal anderhalf uur per week, onder begeleiding en op locatie van [hulpverlening 1] . Deze regeling lijkt goed te verlopen. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat deze regeling wordt vastgelegd in de beschikking, zodat voor alle betrokkenen duidelijk is wanneer en waar de vader en [minderjarige] omgang kunnen hebben met elkaar. Gelet hierop zal de kinderrechter conform het gewijzigde verzoek van de GI een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader vaststellen voor tweemaal per week voor de duur van anderhalf uur per bezoekmoment, onder begeleiding. De kinderrechter heeft begrepen dat de begeleiding plaatsvindt door [hulpverlening 1] / [hulpverlening 2] , waarbij de kinderrechter de nadere invulling van de data en de locatie van het bezoek in handen legt van de GI.
De kinderrechter begrijpt dat de vader [minderjarige] graag meer wil zien, omdat de vader niets wil missen van de ontwikkeling van [minderjarige] . Hiervoor is naar het oordeel van de kinderrechter echter eerst nodig dat de vader, maar ook de moeder, laat zien een betrouwbare ouder te zijn die in staat is om te handelen in het belang van (de veiligheid van) [minderjarige] , door in elk geval de gemaakte (veiligheids)afspraken na te komen. Dit betekent dus ook dat de vader niet meer onaangekondigd en tegen de afspraken in een bezoek mag brengen aan [minderjarige] . Ook is nog onduidelijk welke uitbreiding [minderjarige] aan kan. De kinderrechter ziet daarom nog geen aanleiding om de omgangsregeling nu al uit te breiden of een hiervoor een opbouw op te nemen in de beschikking. Dit neemt niet weg dat het uiteindelijk wel de bedoeling is dat de omgangsregeling wordt uitgebreid, waarbij de kinderrechter begrijpt dat de GI uiteindelijk wil komen tot een regeling waarbij de vader onbegeleid contact kan hebben met [minderjarige] . De kinderrechter zal derhalve bepalen dat de regeling verder dient te worden uitgebreid naar bevinden van en onder regie van de GI. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij de omgangsregeling regelmatig evalueert en op basis daarvan beoordeelt of uitbreiding mogelijk is, dan wel wat nodig is of ingezet moet worden om uitbreiding van de regeling mogelijk te maken. Het belang van [minderjarige] staat hierbij voorop. De kinderrechter wijst de GI er tot slot op dat het haar is toegestaan om de omgangsregeling verder uit te breiden, maar dat zij deze niet mag verminderen. Indien daarvoor wel aanleiding wordt gezien, dient de GI zich opnieuw tot de kinderrechter te wenden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt dat [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, begeleid en op een door de GI te bepalen locatie, tweemaal per week voor de duur van anderhalf uur per contactmoment en dat de omgangsregeling naar bevinden van en onder regie van de GI verder kan worden uitgebreid;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 20 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.