RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446474 / JE RK 26-520
Datum uitspraak: 7 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N.A.H. Limbourg uit Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
zonder een bekende woon- en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland.
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
erna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
1. Het nadere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de in deze zaak gegeven beschikking van 25 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;
het stelbericht van mr. Limbourg van 26 maart 2026;
het bericht met bijlagen van mr. Limbourg van 30 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van de persoonlijk begeleider van de moeder vanuit het moeder-kindhuis.
2. De feiten
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders zijn belast met het gezag over [minderjarige] .
Bij voornoemde beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 25 maart 2026 tot 8 april 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 25 maart 2026 tot 8 april 2026, onder de aanhouding van het resterende deel. Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige] op een geheime locatie.
3. Het (resterende) verzoek
Op dit moment ligt het volgende verzoek nog ter beoordeling voor.
De Raad verzoekt om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.
Ook verzoekt de Raad om aansluitend aan de spoedmachtiging een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de Raad
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Er bestaat een ernstig vermoeden dat aan de gronden voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. Een voorlopige ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk zodat er door de Raad onderzoek kan worden gedaan of een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De Raad maakt zich ernstige zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] . De moeder laat een patroon zien waarbij zij keuzes maakt die niet in het belang zijn van [minderjarige] . De Raad is bezorgd dat [minderjarige] niet de zorg en veiligheid bij de moeder krijgt die hij nodig heeft om zich goed en veilig te kunnen hechten en om zich gezond te kunnen ontwikkelen. Een pasgeboren baby is zeer kwetsbaar, volledig afhankelijk van zijn verzorgers en daar kan en mag geen enkel risico in genomen worden. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld. De laatste melding is van nog geen jaar geleden. De moeder is toen door de vader mishandeld, waarbij de politie letsel heeft vastgesteld. De moeder is weggegaan uit het moeder-kindhuis en is met zijn halfbroertje [het halfbroertje] aangetroffen in een hotel, dit geheel tegen de afspraken in. Dit maakt dat er de afgelopen week sprake is geweest van een risicovolle situatie. Er waren duidelijke veiligheidsafspraken. Door weg te gaan uit het moeder-kindhuis en door naar het hotel te gaan, heeft de moeder zich aan de hulpverlening en aan de veiligheidsafspraken onttrokken. Het is onduidelijk of de vader bij de moeder en de kinderen in het hotel was maar gelet op de voorgeschiedenis en gelet op het feit dat [minderjarige] een baby van slechts drie weken oud is, is het erg zorgelijk dat er daar geen zicht op de situatie was. Ook is het zorgelijk hoe de communicatie tussen de ouders en de GI verloopt. Het is belangrijk dat er afspraken worden gemaakt tussen partijen waar iedereen achterstaat.
Het is in het belang van [minderjarige] dat er een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken wordt verleend. Het ontbreekt op dit moment nog aan een concreet plan. De komende weken moet dit plan worden geformuleerd. Daarbij is het belangrijk dat er wordt onderzocht wat de mogelijkheden van een eventuele terugplaatsing bij de moeder zijn en waar een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] zou moeten plaatvinden: in het huidige moeder-kindhuis, in een andere voorziening of met een gezinsopname. Ook moet er worden onderzocht of de terugplaatsing ook voor het halfbroertje geldt of alleen voor [minderjarige] . Er moet in de komende periode dus veel gebeuren.
5. De standpunten van belanghebbenden
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
De moeder kan zich niet vinden in de verzoeken omdat er geen zorgen bestaan over de veiligheid of ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder vraagt zich af waarom er, als de zorgen zo groot zouden zijn, de weken na de geboorte van [minderjarige] geen voorlopige ondertoezichtstelling of spoeduithuisplaatsing is verzocht. Over de situatie van de afgelopen week heeft de moeder naar voren gebracht dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing onterecht is verleend. De moeder heeft, voordat zij uit het moeder-kindhuis vertrok, aangegeven dat zij weg zou gaan. Er heeft blijkbaar een intern overleg plaatsgevonden, maar er is daarvan geen terugkoppeling naar de moeder geweest. Zij wist niet dat zij iets fout deed door zo te vertrekken. Er waren geen duidelijke veiligheidsafspraken gemaakt over [minderjarige] . Zij heeft zich hier dus ook niet aan onttrokken.
Er bestonden wel veiligheidsafspraken met betrekking tot [het halfbroertje] . De GI heeft deze doorgetrokken naar [minderjarige] en heeft direct besloten dat [minderjarige] uit huis moest. Dat, terwijl de vader niet in het hotel was. De moeder weet niet waarom de oma (mz) heeft gezegd dat de vader bij haar en de kinderen in het hotel was. De moeder wilde gewoon een dagje rust. Bovendien hebben de moeder, de vader en [minderjarige] eerder in maart ook met elkaar gelogeerd en heeft de GI toen gezegd dat zij niets over [minderjarige] te zeggen hadden omdat er geen ondertoezichtstelling was. Er was geen enkele reden om te vermoeden dat dit verzoek eraan zat te komen. Als er al zorgen waren over de veiligheid van [minderjarige] dan had, na het interne overleg, een terugkoppeling aan de moeder moeten plaatsvinden over de consequentie van het logeren in een hotel. Als de moeder had geweten dat zij niet met de kinderen weg mocht dan had zij dat niet gedaan.
De moeder wil graag in het moeder-kind huis blijven maar volgens haar heeft de GI aangegeven dat zij ergens anders aangemeld moet gaan worden. Het moeder-kindhuis heeft aangegeven dat de financiering daarvoor nog wel geregeld moet worden maar dat de moeder nu niet weg hoeft. De moeder begrijpt niet waarom het huidige moeder-kindhuis niet meer passend zou zijn. Dat is door de Raad en de GI onvoldoende onderbouwd. Er is daar stabiliteit, begeleiding en ondersteuning voor haar en de kinderen. Het is de moeder daarom niet duidelijk waarom [minderjarige] daar niet kan terugkeren bij haar. Er kunnen duidelijke afspraken worden gemaakt.
De moeder vindt het lastig dat er gesproken wordt over een patroon van huiselijk geweld omdat er volgens haar daarmee oude koeien uit de sloot worden gehaald. Het laatste incident dateert van de zomer van 2025. De moeder geeft aan dat er geen tijd is om de situatie te bekijken en om een plan op te stellen omdat zij [minderjarige] borstvoeding geeft. De uithuisplaatsing is funest voor [minderjarige] zijn hechting en is traumatisch voor hem. [minderjarige] is van haar afgenomen zonder dat zij iets fout heeft gedaan. De moeder doet alles wat er van haar wordt gevraagd maar geeft aan dat het nooit genoeg is. Zij en de vader staan open voor hulpverlening. De moeder heeft EMDR-therapie en cognitieve gedragstherapie. De moeder is een ander mens geworden door deze behandeling. Zij is gestopt met het middelengebruik en is bijna klaar met haar opleiding.
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich niet kan vinden in de verzoeken. Toen de vader erachter kwam dat de moeder zwanger was, heeft hij aan zichzelf gewerkt. De vader heeft zich meer verdiept in zijn geloof en is mede daardoor meer tot rust gekomen. In het verleden was de vader weleens verbaal agressief maar dat heeft hij niet meer in zich. De vader is nooit fysiek agressief geweest. Het beeld dat van de vader wordt geschetst, klopt niet. De wijkagent kan dat bevestigen. De vader heeft de dag vóór de zitting met de jeugdbeschermer en de wijkagent gesproken. In augustus 2025 heeft de vader contact gezocht met Veilig Thuis omdat hij betrokken wil zijn bij het leven van zijn kind. De vader was op de dag van de afgegeven spoedmachtiging tot uithuisplaatsing aan het werk. Hij was niet in het hotel.
6. Het standpunt van de GI
Door de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat de GI de onderbouwing van het verzoek van de Raad kan volgen. De afgelopen week is er van alles gebeurd en moest er snel worden gehandeld. Er ligt daarom nu nog geen concreet plan van aanpak. De GI verzoekt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in ieder geval tijdelijk te verlengen zodat er een nieuwe passende plek voor [minderjarige] en de moeder kan worden gevonden.
Op de dag van de spoeduithuisplaatsing heeft de moeder zich afgemeld bij de nachtzorg. Zij had verteld dat zij naar de oma (mz) zou gaan omdat zij ondersteuning en rust wilde hebben. De oma (mz) heeft verteld dat de moeder pas een dag later naar haar toe zou komen. De moeder is niet transparant geweest, waardoor het vertrouwen van de GI is geschaad. Vervolgens is de moeder met de kinderen in een hotel aangetroffen. Daar was de vader niet bij maar de oma (mz) had in paniek aangegeven dat de moeder én de vader in het hotel zouden zijn met de kinderen. Er golden duidelijke veiligheidsafspraken voor [het halfbroertje] . Zo mocht de moeder geen contact hebben met de vader in het bijzijn van [het halfbroertje] . De GI is van mening dat deze afspraken konden worden doorgetrokken naar [minderjarige] . Omdat er geen zicht was op de veiligheid van de kinderen, is er aan de bel getrokken. Er zijn in het verleden verschillende zorgmeldingen gedaan over de situatie tussen de vader en de moeder. Gelet daarop, gelet op het feit dat de moeder niet transparant is geweest en omdat de moeder sinds de geboorte van [minderjarige] niet de zorg voor één maar inmiddels voor twee kinderen draagt, is de GI van mening dat zowel de gehele duur van de voorlopige ondertoezichtstelling als het restant van de machtiging totuithuisplaatsing noodzakelijk zijn. De GI merkt op dat er geen zorgen bestaan over het moederschap op zich. De moeder doet het goed. De zorgen liggen bij de veiligheid van de kinderen en bij de relatie tussen de ouders.
De GI ziet niet in hoe de moeder en de kinderen terug zouden moeten gaan naar het moeder-kindhuis waar zij voorheen samen verbleven. De moeder heeft bovendien vóór de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing al aangegeven dat zij weg wilde uit dit moeder-kind huis. De GI heeft toen met de ouders gesproken over een gezinsopname. De ouders willen daaraan meewerken. De gezinsopname zou eerst alleen voor de ouders bedoeld zijn. Later moet dan worden onderzocht of [minderjarige] , en mogelijk [het halfbroertje] , hierbij kunnen worden geplaatst. De GI zal onderzoeken wat de mogelijkheden voor een terugplaatsing in het huidige moeder-kindhuis zijn. De GI heeft ook een andere plek in gedachten maar moet daarvan nog een reactie ontvangen.
7. De (nadere) beoordeling
Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
Bij voornoemde beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend voor twee weken en heeft deze iedere verdere beslissing aangehouden, zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden. Tijdens de zitting van 2 april 2026 zijn de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om hun standpunt kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan is naar de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Dit betekent dat de spoedbeslissing op goede gronden is genomen.
Voorlopige ondertoezichtstelling
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:257 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255 BW, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt.
Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling nu er sprake is van een vermoeden van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Op zitting is gebleken dat de ouders enerzijds en de Raad en GI anderzijds een heel andere kijk op de situatie van het gezin hebben. Zij lijken elkaar niet te begrijpen en elkaar niet te kunnen vinden. Ongeacht wat er precies gebeurd is, is de situatie hoe dan ook erg zorgelijk. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld. De meest recente melding is van de zomer van 2025. Die melding is vrij recent. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de moeder is mishandeld door de vader tijdens de zwangerschap. Ook is er een melding dat de vader bij de oma (mz) is langsgegaan en dat hij heeft gedreigd haar huis op te blazen als hij niet in contact met de moeder kon komen.
Daarnaast is het zorgelijk dat sprake is van een patroon van aantrekken en afstoten, waarbij de moeder niet altijd keuzes lijkt te maken in het belang van [minderjarige] . Het verblijf in het hotel is daarvan een sprekend voorbeeld. Er bestaan zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] . Dat terwijl hij, gelet op zijn leeftijd, zeer kwetsbaar is en volledig afhankelijk is van zijn verzorgers,
Ongeacht of de vader in het hotel was met de moeder, [minderjarige] en [het halfbroertje] , heeft de moeder aangegeven dat zij bij de oma (mz) zou verblijven zodat zij door haar ondersteund kon worden en heeft zij niets verteld over het verblijf in een hotel. De moeder is niet transparant geweest en heeft zich daarmee niet aan de veiligheidsafspraken gehouden. Het maakt daarbij niet uit dat deze afspraken zijn gemaakt in het kader van de ondertoezichtstelling van [het halfbroertje] . De moeder wist wat deze afspraken inhielden, kon begrijpen dat deze al helemaal golden voor een kwetsbaar baby’tje, dat ook in het hotel was en heeft zich hier niet aan gehouden. Door het verstrekken van onjuiste informatie over het verblijf was er geen zicht op de veiligheid van [minderjarige] . Gezien het patroon van geweld uit het verleden is het begrijpelijk dat de Raad en de GI zich zorgen maakte over de situatie. De kinderrechter overweegt dat het zeer sprekend is voor de situatie dat de oma (mz) aan de Raad en de GI heeft verteld dat de moeder met de kinderen én de vader in een hotel verbleef.
De kinderrechter benadrukt dat er geen zorgen bestaan over de opvoedvaardigheden van de moeder, hoewel zij zich kan voorstellen dat de verzorging en opvoeding voor twee jonge kinderen anders zal zijn ten opzichte van de situatie van toen de moeder slechts één kind had. De zorgen die er zijn, zien op de veiligheid van [minderjarige] .
Gelet op de zorgen en op het feit dat de moeder en de vader aangeven dat zij hun relatie willen voortzetten, moet goed worden onderzocht hoe de situatie rondom [minderjarige] veilig kan zijn. Er moeten daarover duidelijke veiligheidsafspraken worden gemaakt en er moet een plan van aanpak komen, dat in ieder geval ingaat op de mogelijkheden van een terugplaatsing bij de moeder en op hoe en waar deze eventueel zou moeten plaatsvinden. Omdat het de verwachting is dat dit onderzoek nog enige tijd zal duren, wordt de voorlopige ondertoezichtstelling verleend voor de verzochte duur van drie maanden. Het restant van het verzoek zal dus worden toegewezen.
Resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en door wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat ook aan de voorwaarden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing wordt voldaan. Gelet op voornoemde zorgen is de uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Er is sprake geweest van huiselijk geweld en er is onvoldoende zicht op de veiligheid van de huidige situatie. De moeder en de vader geven aan dat zij hun relatie willen voortzetten. Gelet hierop, gelet op het feit dat de moeder eerder niet transparant is geweest en gelet op het feit dat de communicatie met de GI niet optimaal is, is het risico op een (soortgelijke) onveilige situatie te groot om [minderjarige] op dit moment terug te plaatsen bij de moeder. Voor een terugplaatsing is het daarom belangrijk dat er eerst meer zicht komt op de veiligheid van de relatie tussen de ouders en [minderjarige] . Er zal moeten worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn van een eventuele terugplaatsing en er moet daarvoor een gedegen plan van aanpak worden opgesteld. Ook de uithuisplaatsing wordt daarom voor de duur van drie maanden verleend, gelet op de zorgen en gelet op de verwachting dat het onderzoek enige tijd zal duren. Het restant van het verzoek zal daarom worden toegewezen.
De kinderrechter merkt op dat op zitting is gebleken dat de communicatie tussen de moeder en de GI niet optimaal is en zij geeft de GI in overweging een andere jeugdbeschermer aan te stellen zodat met een schone lei voornoemd voorgestelde onderzoek kan worden gedaan. Het is voor een geslaagd onderzoek erg belangrijk dat er vertrouwen bestaat tussen de ouders en de GI.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal de beslissing ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
8. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 7 april 2026 tot 25 juni 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 7 april 2026 tot 25 juni 2026;
verklaart de beslissing onder 8.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.