RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446506 / JE RK 26-523
Datum uitspraak: 7 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTERS EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE VLISSINGEN,
zetelende te Vlissingen,
hierna te noemen het college,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. S. van Steenberge te Terneuzen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
EDUCONSULT JEUGDHULPVERLENERS, gevestigd te Middelburg.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
De beschikking van de kinderrechter van 26 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;
de instemmingsverklaring van de gekwalificeerd gedragswetenschapper van 31 maart 2026, ingekomen op 1 april 2026;
het e-mailbericht van het college van 1 april 2026 met bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de moeder;
een vertegenwoordiger van het college;
een tweetal medewerkers van Educonsult.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 26 maart 2026 en tot 9 april 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden.
3. Het verzoek
Het college verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. Thans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode met ingang van 9 april 2026 en tot 23 april 2026.
4. De standpunten
[minderjarige] heeft, in bijzijn van haar advocaat, tijdens het gesprek met de kinderrechter het volgende verteld. Het ging mis op het moment dat zij niet meer naar school ging. [minderjarige] ging zich vervelen en vervolgens deed zij dingen die zij niet moest doen. [minderjarige] denkt dat het weer beter zal gaan als zij weer naar school toe gaat. [minderjarige] heeft geen autisme. [minderjarige] heeft niet per se de behoefte om met behulp van hulpverlening te achterhalen wat de oorsprong is van de gebeurtenissen. [minderjarige] staat achter de huidige plaatsing. Bij [accommodatie] heeft ze in elk geval wat te doen en zo verveelt zij zich minder. Daarna zou zij mogelijk bij Via BIT onderwijs kunnen gaan volgen, iets wat ook de voorkeur heeft van [minderjarige] .
Het college handhaaft het verzoek. Aanstaande woensdag wordt [minderjarige] besproken binnen het CAT, de commissie advies en toewijzing binnen het samenwerkingsverband onderwijs, zodat duidelijk wordt welke stappen ten aanzien van het onderwijs van [minderjarige] genomen kunnen worden. Er is plek voor [minderjarige] bij Via BIT. Het college zal zich nog buigen over de vraag wat na de gesloten plaatsing moet gebeuren, waarbij ook een voorwaardelijke machtiging kan worden besproken.
De moeder heeft verklaard dat alle CSW’s momenteel capaciteitsproblemen hebben in de maatwerklokalen. Gelet op de ondersteuningsbehoefte van [minderjarige] kunnen zij haar daarom op dit moment niets bieden. Als het beoogde bovenschools kindtraject van Via BIT niet wordt geadviseerd door het CAT en regulier onderwijs geen plek blijkt te hebben, zal mogelijk voortgezet speciaal onderwijs ingezet kunnen worden. Het is belangrijk dat [minderjarige] de cirkel kan doorbreken. De moeder denkt dat het goed is om naast de betrokkenheid vanuit Educonsult ook een buddy in te zetten via Stichting OpenDoor. De moeder stemt in met het voorliggende verzoek. Dit zal betekenen dat [minderjarige] in de meivakantie een week thuis is, maar de moeder denkt dat zij deze periode wel kan overbruggen. Als eerder blijkt dat het nodige opgezet kan worden voor [minderjarige] , zou de moeder graag zien dat zij daar al gelijk mee kan starten, in plaats van de machtiging maar uit te moeten zitten.
Namens Educonsult is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Morgen zal met het CAT worden besproken of het traject Via BIT passend is voor [minderjarige] . Als daar akkoord op komt, zou nog een intakegesprek plaats moeten vinden en vervolgens zal Via BIT moeten beoordelen of dit ook passend is voor [minderjarige] .
De advocaat van [minderjarige] heeft tijdens de zitting verklaard dat [minderjarige] graag bij de moeder thuis wil zijn. Zij vindt het thuis fijn en gezellig, maar [minderjarige] erkent ook dat als zij zich verveelt en in een sleur terechtkomt, het gaat botsen. [minderjarige] is nu binnen [accommodatie] niet alleen, heeft overdag dingen te doen bouwt structuur op. Het zou fijn zijn als terugkeer naar huis mogelijk is middels een veiligheidsplan, maar daar moet [minderjarige] dan zelf wel akkoord op geven. Als het niet mogelijk is om deze afspraken te maken en het beter is dat [minderjarige] voor haar eigen veiligheid nog twee weken bij [accommodatie] blijft, dan is begrijpelijk om daar voor te kiezen. Het is ook lastig om te beoordelen of [minderjarige] dan niet weer wegloopt. Mogelijk kan er ook worden gekozen voor een tussenweg, waarbij [minderjarige] kan starten met Via BIT op het moment dat dit mogelijk is. De spoedmachtiging is voldoende onderbouwd. Hoewel duidelijk is dat [minderjarige] liever naar huis wil, zijn er zorgen waarbij voorstelbaar is dat nog wat langer tijd nodig is om terugkeer naar huis te kunnen realiseren. De advocaat van [minderjarige] vindt het overigens treurig om te constateren dat [minderjarige] nu instemt met de gesloten plaatsing zodat zij maar wat te doen heeft. Dat had op zo veel andere manieren ook gerealiseerd kunnen worden.
5. De beoordeling
Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De kinderrechter moet allereerst bepalen of deze spoedmachtiging gesloten jeugdhulp al dan niet moet worden herroepen. Tijdens de mondelinge behandeling zijn [minderjarige] , haar advocaat, de moeder, het college en de betrokken hulpverleners van Educonsult gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping van die beslissing. Dit betekent dat die beslissing in stand blijft.
De onafhankelijk gedragswetenschapper, de heer [persoon] , heeft schriftelijk ingestemd met het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp ten behoeve van [minderjarige] .
De kinderrechter heeft (nog steeds) een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter is derhalve van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp nog steeds noodzakelijk is. De kinderrechter zal gelet daarop het resterende deel van het verzoek toewijzen met ingang van 9 april 2026 en tot 23 april 2026. De kinderrechter legt zijn beslissing als volgt uit. De situatie van [minderjarige] is in relatief korte tijd ernstig geëscaleerd, hoewel ook in de periode daarvoor sprake was van problematiek die bij [minderjarige] leidde tot een groeiende last aan psychische en sociale spanningen. Er was de laatste periode sprake van (onder meer) structureel weglopen van huis, middelengebruik (3-MMC), contact met (jong)volwassenen, agressief gedrag in de thuissituatie, automutilatie en het ontbreken van onderwijs en/of dagbesteding. [minderjarige] gaat al langere tijd niet naar school. In de thuissituatie werd eerder intensieve hulpverlening ingezet, waaronder specialistische GGZ, ambulante hulp en crisisdienst. Deze hulpverlening heeft echter onvoldoende geleid tot het doorbreken en verbeteren van de situatie van [minderjarige] . De thuissituatie van [minderjarige] wordt omschreven als instabiel, gelet op de recente scheiding van de moeder en de aanwezigheid van problematiek bij de zus van [minderjarige] . Ten tijde van het uitspreken van de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp was onbekend waar [minderjarige] verbleef. Zij is uiteindelijk op 27 maart 2026 op [accommodatie] geplaatst en verblijft hier nog steeds. [minderjarige] stemt in met deze plaatsing, omdat zij nu niet alleen is, structuur ervaart en iets te doen heeft. Het gebrek daaraan heeft volgens [minderjarige] dan ook geleid tot haar snelle afglijden. Om te voorkomen dat [minderjarige] zich opnieuw in risicovolle situaties begeeft en verder, dan wel opnieuw, afglijdt, is de kinderrechter van oordeel dat de gesloten plaatsing van [minderjarige] ook voor de komende twee weken nog noodzakelijk is. Bij die beoordeling heeft de kinderrechter ook betrokken dat er nu nog geen vervolgplan ligt voor [minderjarige] . De komende twee weken dient dan ook te worden gebruikt om een vervolgplan te maken voor [minderjarige] en hiervoor ook al de nodige stappen te zetten. Gedacht wordt aan een traject van Via BIT, zodat [minderjarige] weer de stap kan maken richting onderwijs en daarnaast de inzet van MST (of soortgelijk) en de inzet van een buddy via Stichting Open Door. Indien de door de hulpverlening beoogde trajecten geen doorgang kunnen vinden, dient op korte termijn te worden gezocht naar passende alternatieven. Daarnaast acht de kinderrechter van belang dat wordt bezien wat [minderjarige] verder nodig heeft om zich buiten de gesloten kaders op een goede manier staande te kunnen houden. De kinderrechter gaat ervan uit dat de gesloten plaatsing van [minderjarige] op uiterlijk 23 april 2026 eindigt en zo mogelijk eerder als blijkt dat [minderjarige] die stap al kan maken.
Omdat de moeder instemt met het verzoek, is een ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet vereist.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de duur van de spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 9 april 2026 en tot 23 april 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier en op schrift gesteld op 16 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.