ECLI:NL:RBZWB:2026:3842

ECLI:NL:RBZWB:2026:3842

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer C/02/410969 FA RK 23-2935
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Es convenant maakt deel uit van de bs en is aangehecht. Raadsonderzoek gelast naar zorgregeling. Voorlopige zorgregeling bepaald. Overige verzoeken aangehouden in afwachting raadsonderzoek.

Uitspraak

2. De verdere beoordeling

Bij genoemde beschikking d.d. 7 februari 2025 is de echtscheiding uitgesproken, is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepaald, is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, is een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage bepaald en is de zaak ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling, het ouderschapsplan, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en het echtscheidingsconvenant aangehouden en verwezen naar de familiekamerrol.

Thans zijn nog aan de orde de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling, het ouderschapsplan, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en het echtscheidings-convenant.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en echtscheidingsconvenant

Bij genoemd F9-formulier d.d. 20 mei 2025 van mr. Broekman-de Feijter is een door beide partijen ondertekend echtscheidingsconvenant overgelegd en heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden gewijzigd in die zin dat zij thans verzoekt om het convenant aan de beschikking te hechten en daarvan onderdeel te laten uitmaken.

Bij genoemd F9-formulier d.d. 20 mei 2025 van mr. De Houck heeft de man ingestemd met het gewijzigde verzoek van de vrouw.

Gelet op de overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank beslissen op onderstaande wijze. Het convenant wordt aan de beschikking gehecht.

Ouderschapsplan

Een ouderschapsplan hebben partijen niet overgelegd. In afwachting van het hierna onder r.o. 2.12.2 genoemde raadsonderzoek zal dit verzoek worden aangehouden.

Zorgregeling

Aan de orde is het verzoek van de man om een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw, alsmede de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen. Tijdens de vorige zitting (9 januari 2025) hebben partijen een voorlopige zorgregeling afgesproken die zou lopen zolang de hulpverlening via [hulpverlening 1] nog niet was gestar. Samengevat hebben partijen het volgende afgesproken:

- de man ziet [minderjarige] op woensdag tussen 15.30 uur en 16.30 uur bij [persoon 1] onder de voorwaarde dat [persoon 1] op dat moment bereikbaar is voor de vrouw en er na afloop een kort bericht komt over hoe het contact is verlopen;

- de man ziet [minderjarige] op zaterdag tussen 15.30 uur en 16.30 uur bij mevrouw [persoon 2] ;

- de bezoekmomenten zijn zo gepland dat partijen elkaar niet treffen;

- de man en [minderjarige] hebben iedere dinsdag om 17.00 uur contact via videobellen.

Uit de nadien ingekomen stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen, blijkt, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende. Er hebben na de beschikking van 7 februari 2025 wekelijks contactmomenten tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden bij mevrouw [persoon 2] . [hulpverlening 1] werd verzocht om haast te maken met het starten van begeleide omgangsmomenten bij een professionele instantie en om hulpverlening in te zetten op de communicatie tussen partijen. De man heeft vanaf eind augustus 2025 tot 19 november 2025 in voorlopige hechtenis gezeten in verband met het overlijden van [persoon 3] . Er loopt nu nog een strafrechtelijk onderzoek naar deze kwestie en er is nog geen duidelijkheid over wanneer dit onderzoek is afgerond en welke beslissing het Openbaar Ministerie vervolgens gaat nemen. [minderjarige] is doorverwezen naar een kinderpsycholoog en is van school gewisseld. Aanleiding daarvoor waren gerezen zorgen over seksueel misbruik. Nadat de man is vrijgekomen, wilde mevrouw [persoon 2] de omgangsbezoeken tussen de man en [minderjarige] niet meer begeleiden en zijn er alleen videobelcontacten (eenmaal per week) tussen de man en [minderjarige] geweest. Ten tijde van de zitting vinden deze wekelijkse videobelcontacten tussen de man en [minderjarige] nog plaats en staat [minderjarige] nog op de wachtlijst bij [hulpverlening 2] te [plaats 2] voor begeleide omgangscontacten.

De man heeft tijdens de zitting, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Hij wil zijn toestemming verlenen voor hulp die nodig is voor [minderjarige] . Er is dan ook geen reden om hem niet te contacteren over een hulpvraag voor [minderjarige] . Hij wil zijn medewerking verlenen. Het kan jaren duren voordat er een inhoudelijke behandeling in de strafzaak komt, als deze er al komt. Als er al die tijd geen contact tussen hem en [minderjarige] is, is dat niet in haar belang. Communicatie tussen partijen is er op dit moment niet. De omgang die bij [hulpverlening 2] gaat plaatsvinden, wordt door een derde begeleid, zodat partijen geen contact met elkaar hoeven te hebben. Voor ouderschapsbemiddeling staat de man open. Hij kan zich wel voorstellen dat dit moeilijk zal zijn zolang er geen duidelijkheid is over de strafzaak. De man vindt het gedrag van de minderjarige zorgelijk. Hij wil hierover meer informatie en gaat daarvoor contact opnemen met school en [hulpverlening 1] . De man heeft zijn bedenkingen nu mevrouw [persoon 4] van [hulpverlening 1] contactpersoon is voor zowel hem als voor de vrouw, maar hij heeft niet aangegeven dat zij hem niet mocht contacteren. [hulpverlening 1] zou een andere contactpersoon zoeken. Hij heeft meerdere mails naar [hulpverlening 1] gestuurd, maar daarop is niet gereageerd.

De man begrijpt dat de contacten met [minderjarige] moeten worden opgebouwd. Hij stemt in met begeleide contacten bij [hulpverlening 2] van een uur per week. [hulpverlening 1] heeft aangegeven dat eind februari 2026 daarvoor plek zou zijn, aldus de man. Voorts geeft de man aan dat de videobelcontacten soms moeizaam gaan en dat [minderjarige] hem dan vragen stelt. Hij ontkent tijdens die gesprekken slechte dingen over de vrouw te zeggen. De man geeft aan te wensen dat naast de begeleide contacten bij [hulpverlening 2] de videobelcontacten blijven doorgaan.

De man sluit zich aan bij het raadsadvies.

De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven primair een raadsonderzoek te vragen en subsidiair begeleide omgang. Zij wil dat de videobelcontacten stop gezet worden.

Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verhalen van partijen over [hulpverlening 1] liggen uit elkaar. De vrouw kreeg van mevrouw [persoon 4] teruggekoppeld dat de communicatie met de man moeizaam gaat. De vrouw heeft twijfels over het starten van de begeleide omgang bij [hulpverlening 2] omdat onbekend is hoelang de strafzaak nog gaat duren. [minderjarige] heeft periodes gehad van wel en geen contact met de man. [minderjarige] geeft uitingen van interne problematiek waarover [hulpverlening 1] geen advies kan geven. Onbekend is of de man straks weer vast komt te zitten. Daarbij komt dat het voor de vrouw lastig is om de omgang van [minderjarige] met de man op een goede manier te begeleiden. Er heeft zich veel afgespeeld in de afgelopen jaren en de vrouw zit nog steeds in de overlevingsstand. Zij doet haar best [minderjarige] te helpen. De videobelmomenten verlopen moeizaam en gaan niet goed. Enerzijds gelet op de wijze waarop de gesprekken gaan en anderzijds omdat [minderjarige] boos is na afloop van die gesprekken. [minderjarige] is dan ook boos op de vrouw, zij verwijt de vrouw dat zij haar vader niet mag zien. De man doet uitspraken richting [minderjarige] zoals: “Heb jij vakantie, dan kan je naar mij komen. Dat mag van mij maar van mama mag het niet.” Aan het gedrag van [minderjarige] is te zien dat haar hoofd vol zit en de vrouw weet niet hoe daarmee om te gaan. De hulpverlening van de kinderpsycholoog is nog niet gestart omdat [minderjarige] daarvoor te jong is. De school van [minderjarige] geeft aan dat speltherapie noodzakelijk is voor [minderjarige] . De vrouw doet haar best en zou willen dat [minderjarige] weer goed contact met de man kan hebben maar zij weet niet waar zij goed aan doet. De vrouw is bang dat de omgang straks weer moet stoppen en [minderjarige] haar dan zal vragen wat zij verkeerd heeft gedaan.

De Raad heeft tijdens de zitting het volgende aangevoerd. De Raad vindt een raadsonderzoek noodzakelijk. In dit onderzoek zou gekeken moeten worden naar wat in het belang is van [minderjarige] en welke regeling kan worden uitgevoerd tussen deze ouders. Daar is informatie voor nodig. Bij [hulpverlening 1] lijkt het niet adequaat te verlopen. De Raad vraagt zich af waarom [hulpverlening 1] geen contact met de Raad heeft opgenomen. Punten van zorg zijn de jonge leeftijd van [minderjarige] , alles wat zij al heeft meegemaakt, de verstoorde communicatie tussen haar ouders en het strafrechtelijk onderzoek dat nog niet is afgerond. Dit zijn factoren waardoor een raadsonderzoek nodig is. In de tussenliggende periode kunnen de begeleide contacten blijven plaatsvinden. Die contacten moeten goed voor- en nabesproken worden. De begeleiding kan daarbij helpen zodat [minderjarige] een zo goed mogelijk contact met de man kan hebben. De strafzaak is nu geen contra-indicatie om de begeleide omgang niet te starten. [minderjarige] heeft nu behoefte aan contact met haar vader. Dat de man mogelijk iets vreselijks heeft gedaan wil niet zeggen dat hij geen recht heeft op contact met [minderjarige] . De Raad ziet geen reden om niet gelijktijdig met speltherapie te starten omdat die therapie fijn voor [minderjarige] kan zijn. Gelijktijdig ook met Words en Pictures starten voor [minderjarige] is mogelijk veel. Het is aan [hulpverlening 1] om de regie hierin te pakken. Dit zal in het raadsonderzoek worden meegenomen. Voorts adviseert de Raad om de videobelcontacten te stoppen nu partijen het moeilijk vinden om vorm daaraan te geven en deze manier van contact sowieso moeilijk is voor een meisje van vier jaar. Als [hulpverlening 1] aangeeft dat het ook twee uur begeleide omgang kan zijn dan is dat akkoord, aldus de Raad. Voor het starten van onbegeleide contacten dient het raadsrapport te worden afgewacht.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een beslissing over de zorgregeling te kunnen nemen. Zoals tijdens de zitting is aangekondigd wordt de Raad, conform zijn advies, gevraagd de volgende vragen te beantwoorden en daarover rapport en advies uit te brengen:

1. welke zorgregeling is het meest in het belang van [minderjarige] ?

2. als er contra-indicaties zijn voor de zorgregeling die de man verzoekt, welke contra-indicaties zijn dat en zijn deze op te heffen?

3. welke hulpverlening heeft [minderjarige] nodig?

4. welke andere bevindingen volgen uit het onderzoek die de Raad relevant acht voor de te nemen beslissing ten aanzien van de zorgregeling?

De Raad wordt verzocht zijn rapport en advies op de familiekamerrol van [datum] 2026 bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen.

Vervolgens zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld te reageren op het rapport en advies van de Raad en het door hen gewenste verdere procesverloop aan te geven.

De zaak zal ten aanzien van de definitieve zorgregeling worden aangehouden tot de familiekamerrol van [datum] 2026.

De rechtbank zal, zoals eveneens tijdens de zitting is aangekondigd, thans een voorlopige zorgregeling vaststellen voor de komende periode - totdat er een nadere beslissing van de rechtbank is - waarbij begeleide contacten tussen de man en [minderjarige] plaatsvinden, onder regie van [hulpverlening 1] . Er moet zo snel mogelijk gestart worden met begeleide contacten van één uur per week, deze zijn eventueel, als [minderjarige] dat aan kan, uit te breiden tot maximaal drie uur per week. De contacten dienen steeds begeleid plaats te vinden. De rechtbank acht van belang dat een eventuele uitbreiding van de contacten (tot maximaal drie uur per week) op geleide van de draagkracht van [minderjarige] gebeurt; de behoefte van [minderjarige] is hierin leidend en niet de wens van de man. De rechtbank wil dat [hulpverlening 2] in nauw contact gaat en blijft met de eventuele speltherapeut van [minderjarige] . Zij moeten goed met elkaar schakelen, in die zin dat als de speltherapeut vindt dat het niet goed gaat met de speltherapie dan moet worden bezien of meer of minder begeleide omgang de speltherapie weer beter kan laten lopen. [hulpverlening 2] en de speltherapeut dienen acht te slaan op de informatie over [minderjarige] die vanuit de school komt. Het is van belang dat [minderjarige] zich goed kan ontwikkelen. Haar ontwikkeling en welbevinden dienen centraal te staan.

De videobelmomenten vinden geen doorgang meer. Mede gelet op het - door partijen onweersproken gebleven - advies van de Raad hieromtrent is de rechtbank van oordeel dat deze niet in het belang van [minderjarige] zijn.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte convenant deel uitmaken van deze beschikking;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder r.o. 2.12.2. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport op de familiekamerrol van [datum] 2026 bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;

stelt, uitvoerbaar bij voorraad, onder wijziging van de beschikking d.d. 7 februari 2025 voor wat betreft daarin vastgestelde voorlopige zorgregeling, de voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast inhoudende begeleide contacten tussen de man en [minderjarige] , onder regie van [hulpverlening 1] , te starten met contacten van één uur per week en eventueel uit te breiden tot maximaal drie uur per week en verder zoals nader onder r.o. 2.13 van deze beschikking is omschreven;

houdt aan de beslissing op het verzoek ten aanzien van de definitieve zorgregeling tot de familiekamerrol van [datum] 2026, in afwachting van het rapport van de Raad;

houdt aan de beslissing op het verzoek ten aanzien van het ouderschapsplan, in afwachting van het rapport van de Raad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Van Triest

Griffier

  • mr. Krijger-de Keuning

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand