RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaaknummer.: 11604145 \ MB VERZ 25-305
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 12 maart 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. J. Piet (Verkeersboete.nl)
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen [naam] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Rijksweg A4 te Bergen op Zoom op 6 oktober 2023 om 08:32 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat er ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Uit de verklaring van verbalisant, zoals weergegeven in het zaakoverzicht, volgt dat de verbalisant heeft afgezien van een staandehouding vanwege – kort gezegd – ‘betrokkene nam afslag’. Dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, valt niet te rijmen met andere (delen van) verklaringen. De verbalisant verklaard in het aanvullend proces-verbaal uitgebreid hoe hij betrokkene heeft ingehaald, hoe hij meerdere keren zou hebben gezien dat betrokkene afwisselend op zijn mobiel keek en naar de weg en dat hij het kenteken zag toen hij voor het voertuig kwam. In dit verband is het niet geloofwaardig dat in het tijdsbestek van al deze waarnemingen geen tijd meer was om betrokkene staande te houden. De verbalisant had daarom niet mogen afzien van een staandehouding. De inleidende beschikking komt voor vernietiging in aanmerking, wegens strijd met artikel 5 van de Wahv. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de redelijke termijn is overschreden. Gemachtigde verzoekt om deze reden de sanctie met 25% te matigen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Volgens het aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant afgezien van staandehouding, omdat tijdens de constatering het voertuig van betrokkene afrit Bergen op Zoom nam. De verbalisant was al voorbij het puntstuk van de afrit en kon hierdoor niet op veilige wijze een staandehouding verrichten. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De boete dient daarom met 25% gematigd te worden.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een enkele verklaring de gedraging niet te hebben verricht is te summier om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant die getraind is om een dergelijke gedraging te herkennen. De boete is dus terecht opgelegd.
Staandehouding
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant afgezien van staandehouding, omdat tijdens de constatering het betrokken voertuig de afrit Bergen op Zoom nam. De verbalisant was met de dienstauto al voorbij het puntstuk van deze afrit. Hierdoor kon verbalisant het voertuig niet op een veilige wijze een volgteken geven. Doordat de eerstvolgende afrit meer dan een kilometer verderop was, en daar geen mogelijkheid was om terug de snelweg op te draaien heeft verbalisant besloten om de bekeuring op kenteken uit te schrijven. Naar het oordeel van de kantonrechter was er dan ook geen reële mogelijkheid tot staandehouding. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. Verder is de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 233,50.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 285,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 95,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: