ECLI:NL:RBZWB:2026:3867

ECLI:NL:RBZWB:2026:3867

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer 02-009884-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor drie woninginbraken en een poging daartoe. Verdachte oppert dat zijn DNA mogelijk is neergelegd. Het door verdachte geschetste scenario komt de rechtbank niet realistisch voor. Er zijn geen aanknopingspunten voor dat een ander het DNA van verdachte heeft gedeponeerd. Verklaring verdachte ongeloofwaardig en onverifieerbaar. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. Geen betwisting gevorderde schade. Toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-009884-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 mei 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1997,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,

raadsman mr. L. Palanciyan, advocaat te Amsterdam, waarnemend namens mr. A.D. Kupelian.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. L. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte drie woninginbraken heeft gepleegd en één keer heeft ingebroken in een woning, maar niets heeft weggenomen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Het bewijs wordt gevormd door de aangiften, de sporen met het DNA-materiaal van verdachte en het ontbreken van een aannemelijke verklaring hiervoor van verdachte zelf.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Hoewel het dossier DNA-sporen van verdachte op verschillende objecten bevat, kunnen deze DNA-sporen door anderen op die objecten zijn achtergelaten of via omwegen overgedragen zijn. Omdat de bewijsvoering tekortschiet, verzoekt de verdediging naar de rechtbank begrijpt primair vrijspraak en subsidiair - indien de rechtbank tot een veroordeling komt - nader onderzoek om de volledige bewijsketen bloot te leggen en volledige inzage te verkrijgen in de bewijsstukken.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

[aangever 1] heeft aangifte gedaan van een inbraak in de woning van zijn ouders aan [adres 1] in de nacht van zondag 21 september 2025. Ter plaatse bleek in de keuken een ladder tegen een ingeslagen raam te staan. In de achtertuin stonden twee tuinstoelen tegen de schutting en het doek van de poort was kapot. In de woning lagen spullen op de grond, stonden kasten en lades open, en was de alarminstallatie van de muur getrokken. Aangeefster [aangever 2] heeft een lijst met weggenomen spullen aan de politie toegezonden.

Er is een forensisch onderzoek ingesteld naar deze inbraak. Bij dit onderzoek is ter hoogte van de deurklink van het kantoor een bloedspoor aangetroffen en veiliggesteld. Gelet op de hierboven genoemde bevindingen, is de rechtbank van oordeel dat de het bloedspoor dient te worden aangemerkt als een daderspoor.

Van het bloedspoor kon een DNA-profiel worden opgemaakt, dat is vergeleken met opgeslagen DNA-profielen in buitenlandse databanken. Zowel Denemarken als Litouwen hebben bericht dat het aangetroffen DNA-profiel matchte met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA van een ander afkomstig is dan van verdachte is kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het DNA van verdachte afkomstig is. Verdachte heeft verklaard dat de aanwezigheid van zijn DNA kan worden verklaard doordat een kennis van het boksen zijn bloed heeft verzameld en in deze woning heeft laten neerleggen, om verdachte terug te pakken na een onderling geschil. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig en onverifieerbaar. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld, maar niet alleen, niet kunnen uitleggen volgens welke logica de betreffende kennis, die hij alleen bij voornaam kan noemen, het opgedroogde bloed van verdachte van een zakdoekje maanden later vanuit Litouwen zou kunnen hebben verplaatst c.q. hebben kunnen laten verplaatsen naar de woning van [aangever 2] . Het door verdachte geschetste scenario komt de rechtbank niet realistisch voor. Er zijn geen aanknopingspunten voor dat een ander het DNA van verdachte heeft gedeponeerd. Gelet op de braaksporen, de weggenomen goederen, de locatie van het aangetroffen bloedspoor (daderspoor), de match met het DNA-profiel en de bewijskracht daarvan concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een ruit van de woning van [aangever 2] heeft ingeslagen. Hij heeft zich op die wijze de goederen onder zijn bereik gebracht, hetgeen de rechtbank kwalificeert als braak. De rechtbank acht de diefstal door middel van braak dan ook bewezen.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 2

[aangever 3] heeft aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan [adres 2] in de nacht van 9 oktober 2025, waarbij sieraden, contant geld en een kluis met documenten zijn weggenomen. Aangeefster heeft verklaard dat zij die nacht op 05.07 uur een alarmmelding kreeg op haar telefoon, dat zij op 11 oktober 2025 ter plaatse was en dat zij zag dat de ruit van de balkondeur van de slaapkamer verbroken was en dat de deur open stond, dat er kasten en lades open stonden en de inhoud op de vloer lag. Daarnaast verklaart aangeefster dat de daders een trap uit de schuur hebben gepakt en het balkon zijn opgeklommen.

Op 12 oktober 2025 is een kluis aangetroffen in het [park] in [plaats 2] . De kluis werd herkend als de kluis die was weggenomen bij de woninginbraak aan [adres 2] . Bij onderzoek aan de kluis is bloed aan de zijkant aangetroffen en veiliggesteld. Hoewel de kluis buiten de woning van [aangever 3] is aangetroffen, blijkt uit de bewijsmiddelen dat de kluis is weggenomen uit deze woning en kort na de woninginbraak in de nabijheid van de woning is aangetroffen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bloedspoor dient te worden aangemerkt als een daderspoor. Het DNA-profiel komt overeen met dat van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het DNA in het bloedspoor van verdachte afkomstig is.

Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen, schuift de rechtbank de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van zijn DNA als ongeloofwaardig en onverifieerbaar terzijde. De rechtbank concludeert dat het verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een ruit van de balkondeur van de slaapkamer van aangeefster heeft ingeslagen. Hij heeft zich op die wijze de goederen onder zijn bereik gebracht, hetgeen de rechtbank kwalificeert als braak. De rechtbank acht de diefstal door middel van braak dan ook bewezen.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 3

[aangever 4] heeft aangifte gedaan van een inbraak in zijn woning aan [adres 3] tussen 13 en 17 oktober 2025. Aangever heeft verklaard dat hij op 17 oktober 2025 omstreeks 21.00 uur thuis kwam en zag dat er glas op de grond lag, dat de ruit naast de tuintafel kapot was en dat er stukken op het kozijn beschadigd waren. Nadat aangever samen met de politie naar binnen was gegaan, zag hij dat alles op de begane grond overhoop was gehaald en dat kasten en lades open stonden.

Er is een forensisch onderzoek ingesteld naar deze inbraak. Bij dit onderzoek zijn op het kozijn van het vernielde draairaam bloedsporen aangetroffen en veiliggesteld. Gelet op de hierboven genoemde bevindingen, is de rechtbank van oordeel dat het bloedspoor dient te worden aangemerkt als een daderspoor. Het DNA-profiel komt overeen met dat van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het DNA in het bloedspoor van verdachte afkomstig is.

Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen, schuift de rechtbank de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van zijn DNA als ongeloofwaardig en onverifieerbaar terzijde.

Gelet op de braaksporen, de locatie van het aangetroffen bloedsporen, de match met het DNA-profiel en de bewijskracht daarvan concludeert de rechtbank dat dat het verdachte is geweest die de poging tot inbraak heeft gepleegd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de ruit van een draairaam in de rechterzijgevel van de woning van aangever heeft ingeslagen. Hij heeft zich op die wijze de goederen onder zijn bereik gebracht, hetgeen de rechtbank kwalificeert als braak. Omdat aangever heeft verklaard dat er vermoedelijk geen goederen zijn weggenomen, acht de rechtbank de poging tot diefstal met braak wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

[aangever 5] heeft aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan [adres 4] . Aangeefster heeft verklaard dat zij op 18 oktober 2025 werd gebeld door haar buurman vanwege een openstaand badkamerraam en tuinhekje, dat zij van haar buurman hoorde dat een ruit aan de achterzijde van de woning was ingegooid, dat zij omstreeks 10.00 uur ter plaatse was en aldaar constateerde dat een rond bakje met muntgeld ter waarde van € 150,- en een zilverkleurige kinderarmband zijn weggenomen.

Er is een forensisch onderzoek ingesteld naar deze inbraak. Bij dit onderzoek is op een sierkei huidepitheel aangetroffen en veiliggesteld. Gelet op de hierboven genoemde bevindingen, is de rechtbank van oordeel dat het huidepitheel aangetroffen op de sierkei in de keuken waarmee de ruit was ingegooid, dient te worden aangemerkt als een daderspoor. Het DNA-profiel komt overeen met dat van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. De rechtbank concludeert uit deze bevindingen dat het DNA in het huidepitheel van verdachte afkomstig is.

Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen, schuift de rechtbank de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van zijn DNA als ongeloofwaardig en onverifieerbaar terzijde.

Gelet op de braaksporen, de weggenomen goederen, de locatie van het aangetroffen huidepitheel, de match met het DNA-profiel en de bewijskracht daarvan concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een ruit aan de achterzijde van de woning van aangeefster heeft ingegooid. Hij heeft zich op die wijze de goederen onder zijn bereik gebracht t, hetgeen de rechtbank kwalificeert als braak.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Nadere overweging verweer

Voor zover de rechtbank het verweer van de verdediging moet begrijpen als een voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek om de volledige bewijsketen bloot te leggen en volledige inzage in de bewijsstukken te verkrijgen, zal de rechtbank dit verzoek passeren als onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst ten overvloede daarvoor naar de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen, zoals die in bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht en die komen uit het ook voor de verdediging beschikbare dossier.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op 21 september 2025 te [plaats 1] , in een woning aan [adres 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,

sieraden, die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 2

op 9 oktober 2025 te [plaats 2] , in een woning aan [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een geldbedrag en sieraden en een kluis, die aan [aangever 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van braak;

Feit 3

in de periode van 13 oktober 2025 tot en met 17 oktober 2025 te [plaats 3] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning aan [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen, die aan [aangever 4] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, een ruit van voornoemde woning heeft vernield en/of voornoemde woning is binnengegaan en/of voornoemde woning heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 4

op 18 oktober 2025 te [plaats 4] , in een woning aan [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een geldbedrag en een armband, die aan [aangever 5] toebehoorden

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert , gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

Indien en voor zover de rechtbank tot het opleggen van een straf komt, dan verzoekt de verdediging om daarbij aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) die zien op woninginbraken. Verdachte is first offender. Daarnaast verzoekt de verdediging de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen, wat een goede stok achter de deur zal zijn om herhaling te voorkomen

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal woninginbraken, waarbij uit drie woningen goederen zijn weggenomen. Hij had het hoofdzakelijk gemunt op geld en sieraden. Woninginbraken zijn nare feiten. Slachtoffers van dergelijke feiten zien zich geconfronteerd met een forse inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Zij hebben er doorgaans lang last van dat vreemden in hun huis zijn geweest en hun persoonlijke spullen hebben doorzocht. Dit zorgt ook voor gevoelens van onveiligheid. Naast het verlies van kostbare sieraden, die vaak een emotionele waarde hebben en onvervangbaar zijn, hebben slachtoffers te maken met de reparatiekosten van de braakschade. Verdachte had kennelijk geen oog voor de nadelige gevolgen voor de slachtoffers. Hij was er blijkbaar alleen op uit om snel en makkelijk een financieel voordeel te behalen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 10 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting, vastgesteld door het LOVS. In het geval van één voltooide woninginbraak zonder recidive geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Bij een poging is het vertrekpunt twee derde deel van het oriëntatiepunt voor de op te leggen straf bij het voltooide delict. De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met het feit dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en de schuld heeft proberen af te schuiven op een ander. Daarmee laat verdachte ook de slachtoffers in het ongewis over wat er met hun (dierbare) spullen is gebeurd. Alles afwegend zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat in het geval van verdachte juist het ondergaan van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, in plaats van de door de verdediging verzochte deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zal dienen als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

[aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 6.728,95 voor feit 1, bestaande uit materieel geleden schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De verdediging heeft de hoogte van deze schade niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 6.728,95 toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 21 september 2025.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

[aangever 3]

De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 20.350,- voor feit 2, bestaande uit materieel geleden schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij, zoals gewijzigd ter zitting,een vergoeding van proceskosten conform het gebruikelijke liquidatietarief.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De verdediging heeft de hoogte van deze schade niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 20.350,- toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 9 oktober 2025.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor de proceskosten dient dezelfde maatstaf te worden gehanteerd als in civiele procedures. Bij het vaststellen van kosten voor rechtsbijstand wordt dan ook in beginsel uitgegaan van het liquidatietarief kantonzaken. De rechtbank ziet gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden in verband met de in de onderhavige zaak ingediende vordering geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken. De rechtbank zal de proceskosten dan ook toewijzen volgens het liquidatietarief. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht voor het opstellen van de vordering, het bijwonen van de zitting en de toelichting ter zitting. De rechtbank zal deze werkzaamheden waarderen op 2 punten, met het geldende liquidatietarief van € 577,- per punt. De rechtbank zal een bedrag van € 1.154,- toewijzen.

[aangever 4]

De benadeelde partij [aangever 4] vordert een schadevergoeding van € 1.234,50 voor feit 3, bestaande uit materieel geleden schade.

De verdediging heeft de hoogte van deze schade niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 1.234,50 toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 17 oktober 2025.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 3: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

Feit 4: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

[aangever 2] (feit 1)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 6.728,95 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 september 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2] , € 6.728,95 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 september 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 58 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[aangever 3] (feit 2)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 20.350,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.154,-;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3] , € 20.350,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 126 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[aangever 4] (feit 3)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 1.234,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 17 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 4] , € 1.234,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 17 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 12 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter, en mr. T.M. Brouwer en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 mei 2026.

Mrs Van Bree en Skalonjic zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats 1] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning aan [adres 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,

meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

2.

hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te [plaats 2] , gemeente Schouwen-Duiveland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning aan [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een geldbedrag en/of meerdere sieraden en/of een kluis, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2025 tot en met 17 oktober 2025 te [plaats 3] , gemeente Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning aan [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel een ruit van voornoemde woning heeft vernield (teneinde een opening te doen ontstaan en/of die woning binnen te gaan en/of op zoek naar enig(e) goed(eren) van verdachtes gading) en/of voornoemde woning is binnengegaan en/of voornoemde woning heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te [plaats 4] , gemeente Krimpenerwaard, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning aan [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een geldbedrag en/of een armband, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand