ECLI:NL:RBZWB:2026:3873

ECLI:NL:RBZWB:2026:3873

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer BRE 25/3205
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

KINDER

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

de Dienst Toeslagen (voorheen de Belastingdienst/Toeslagen).

Samenvatting

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/3205 KINDER

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),

en

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie voor het toeslagjaar 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiseres om compensatie voor het toeslagjaar 2016 heeft afgewezen.

Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 22 juni 2015 kinderopvangtoeslag aangevraagd voor de opvang van haar dochter. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan eiseres over de jaren 2015 tot en met 2019 kinderopvangtoeslag toegekend.

Eiseres heeft zich gemeld voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.

Het verzoek van eiseres om compensatie is op basis van de lichte toets afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 19 maart 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Met het besluit van 30 maart 2023 (kenmerk UHT-DCHA; primair besluit I) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor compensatie voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019, omdat geen sprake is van vooringenomen handelen, van hardheid of van een onterechte opzet/grove schuld (O/GS)-kwalificatie. Eiseres heeft op 8 mei 2023 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 26 april 2024 (kenmerk UHT-DCHOA; primair besluit II) is aan eiseres medegedeeld dat zij ook niet in aanmerking komt voor compensatie voor de toeslagjaren 2015 en 2016, omdat in deze jaren evenmin sprake is van vooringenomen handelen, van hardheid of van een onterechte O/GS-kwalificatie. Eiseres heeft op 28 mei 2024 hiertegen bezwaar gemaakt.

Met het bestreden besluit van 19 mei 2025 heeft de Dienst Toeslagen de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep ter zitting op 17 april 2026. Eiseres heeft enkele dagen voor de zitting laten weten dat de rechtbank de zaak op de stukken mag afdoen. De Dienst Toeslagen heeft daarop telefonisch aangegeven niet aanwezig te zijn ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Wettelijk kader

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.

Standpunt van eiseres

4. Eiseres voert in beroep aan dat sprake is van vooringenomenheid in het toeslagjaar 2016. Daartoe stelt eiseres dat zij in het verleden van de Belastingdienst/Toeslagen een HOT/HOR kwalificatie (= hoge toeslag/hoog risico) heeft gekregen en op de uitsluitlijst heeft gestaan. Uit onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens blijkt dat sprake is geweest van discriminatie op basis van nationaliteit en/of achternaam, wat heeft geleid tot meer controles, toezicht of fraudeonderzoeken. Eiseres heeft weliswaar een Nederlandse nationaliteit, maar een niet-Nederlandse achternaam, wat duidt op een buitenlandse afkomst. De Dienst Toeslagen heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat haar afkomst of achternaam geen enkele rol hebben gespeeld bij de extra controle. Eiseres is daarom van mening dat sprake is geweest van discriminatie waarvoor zij dient te worden gecompenseerd. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn, als de rechtbank na 8 mei 2026 uitspraak doet.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid bij de Dienst Toeslagen die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.

Heeft eiseres recht op compensatie over het toeslagjaar 2016?

De rechtbank overweegt dat als de integrale beoordeling leidt tot recht op compensatie, de te vergoeden componenten van deze compensatie dwingendrechtelijk en forfaitair zijn bepaald. Discriminatie is niet genoemd als afzonderlijke component en kan op zichzelf daarom niet leiden tot compensatie.

In tegenstelling tot eiseres kan de rechtbank uit de gedingstukken in het dossier niet herleiden dat sprake was van een HOT/HOR-kwalificatie. Wel is in het dossier vermeld dat de kinderopvangtoeslag in verband met ‘hoog risico’ is beoordeeld en dat eiseres tijdelijk op de uitsluitlijst heeft gestaan. De Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift toegelicht dat de hoog risicomelding in dit geval is gebaseerd op een combinatie van een aantal objectieve indicatoren, zoals een re-integratietraject in het kader van een bijstandsuitkering en werk in hetzelfde toeslagjaar, eiseres was statushouder en zij had een partner in het buitenland. Op basis van deze indicatoren heeft een handmatige controle plaatsgevonden ten aanzien van het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag en de hoogte daarvan, ter voorkoming van hoge terugvorderingen. Het criterium ‘hoogte van de aangevraagde kinderopvangtoeslag’ acht de rechtbank niet discriminerend. Hoewel eiseres terecht opmerkt dat de handmatige controle heeft geleid tot een uitvraag van bewijsstukken en een tijdelijke plaatsing op de uitsluitlijst, wil dat niet zeggen dat de controle reeds op zichzelf blijk geeft van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. De enkele verwijzing naar de rapporten van het College voor de Rechten van de Mens leidt evenmin tot de conclusie dat ook bij eiseres sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.

Dat de uitvraag van informatie bij eiseres mogelijk onzekerheid en spanning heeft kunnen veroorzaken, acht de rechtbank invoelbaar. Dat maakt echter niet dat zij reeds daarom voor compensatie in aanmerking zou moeten komen. De gevraagde kinderopvangtoeslag over het jaar 2016 is immers conform aanvraag verleend. Gedurende het jaar zijn door eiseres meerdere wijzigingen in het aantal opvanguren doorgegeven, die door de Belastingdienst/Toeslagen zijn verwerkt en die hebben geleid tot toekenning van meer kinderopvangtoeslag. Dit zijn reguliere wijzigingen. Uit de stukken blijkt niet dat in dit jaar sprake is geweest van neerwaartse wijzigingen, terugvorderingen of stopzetting van de kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat zich in het geval van eiseres geen institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel hebben voorgedaan in het toeslagjaar 2016, zoals die omschreven zijn in de Memorie van Toelichting bij de Wht. Eiseres heeft dus geen recht op compensatie.

Heeft eiseres recht op vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn?

6. De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 8 mei 2023. De rechtbank doet uitspraak op 8 mei 2026 waarmee de redelijke termijn is overschreden met 12 maanden.

De hoogte van de schadevergoeding bedraagt € 500,- per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Eiseres heeft dus recht op een schadevergoeding van € 1000,-.

De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 19 mei 2025. De bezwaarfase heeft afgerond 25 maanden geduurd en daarmee 19 maanden te lang. De termijnoverschrijding is daarmee geheel toe te rekenen aan Dienst Toeslagen. Dit brengt mee dat het gehele bedrag voor rekening van de Dienst Toeslagen komt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van schadevergoeding aan eiseres ten bedrage van € 1000,-;

- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 8 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 2.1, eerste lid

De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:

a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of

b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.

Artikel 2.2

De compensatie bestaat uit:

a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;

b. een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond van artikel 40 of 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag;

c. een bedrag voor materiële schade;

d. een bedrag voor immateriële schade;

e. een bedrag voor invorderingskosten;

f. een bedrag voor proceskosten;

g. een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand