RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/423784 / FA RK 24-2865
Datum uitspraak: 8 april 2026
(Nadere) beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [plaats],
advocaat mr. P. de Jonge uit Zierikzee,
en
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonend in [plaats],
advocaat mr. K. Beumer uit Middelharnis.
1. Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank neemt mee in de beoordeling:
de beschikking d.d. 10 februari 2025 en alle daarin genoemde stukken;
de brief d.d. 25 februari 2025 van mr. Beumer;
de brief d.d. 25 februari 2025 van mr. De Jonge;
de brief d.d. 10 juni 2025 van mr. De Jonge;
de brief d.d. 27 augustus 2025 van mr. Beumer;
de brief d.d. 9 januari 2026 van mr. De Jonge;
de brief d.d. 26 januari 2026 van mr. Beumer.
2. De verdere beoordeling
Bij voornoemde (tussen-)beschikking van 10 februari 2025 heeft deze rechtbank de echtscheiding in het tussen partijen op 20 januari 2006 gesloten huwelijk uitgesproken.. Voorts heeft de rechtbank de behandeling van de overige verzoeken aangehouden.
Opname convenant en ouderschapsplan
Partijen hebben afspraken gemaakt in een convenant en een ouderschapsplan. De vrouw verzoekt deze afspraken op te nemen in de beschikking. De man heeft laten weten dat hij geen verweer voert.
De rechtbank is nadien gebleken dat bepaalde afspraken die partijen met elkaar overeen zijn gekomen in het ouderschapsplan, niet overeenkomen met hetgeen dat [minderjarige] tijdens het kindgesprek heeft aangegeven. Aan de hand van het kindgesprek met [minderjarige] , is het voor de rechtbank onduidelijk geworden of de door partijen overeengekomen afspraken in het belang van [minderjarige] te achten is. Gelet daarop heeft de rechtbank een mondelinge behandeling ingepland, die op 27 januari 2025 heeft plaatsgevonden.
Na de mondelinge behandeling van 27 januari 2025 zijn partijen samen met [minderjarige] gestart met een hulpverleningstraject, teneinde uitvoering te kunnen geven aan het ouderschapsplan. Dit traject heeft echter niet tot de beoogde resultaat geleid en is voortijdig en zonder positief resultaat beëindigd.
De rechtbank constateert dan ook dat sinds het ondertekenen van het ouderschapsplan de omstandigheden aanzienlijk zijn gewijzigd. De daarin opgenomen regelingen worden in de praktijk niet uitgevoerd en worden aldus niet meer door beide partijen gedragen. Gelet op deze gewijzigde situatie kan niet langer worden gesteld dat het ouderschapsplan de actuele feitelijke situatie weergeeft, noch dat de daarin opgenomen afspraken in het belang van [minderjarige] zijn. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vrouw om het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en de inhoud daarvan deel uit te laten maken van de beschikking afwijzen.
Het verzoek om het convenant aan deze beschikking te hechten zal de rechtbank wel toewijzen.
Overige verzoeken
Bij brief d.d. 9 januari 2026 heeft mr. De Jonge namens de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage voor [minderjarige] ingetrokken.
Nu de vrouw haar verzoek heeft ingetrokken, kan de rechtbank de gronden hiervan niet meer kan onderzoeken. Om die reden wijst de rechtbank dit verzoek af.
3. De beslissing
De rechtbank:
neemt op in deze beschikking de getroffen onderlinge regelingen zoals die staan in het aangehechte convenant;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, (kinder-)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. De Haard, griffier op 8 april 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.