2. De feiten
Bij voormelde beschikking van 4 april 2023 is het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , voorlopig bepaald bij de vrouw. Verder is bepaald dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in een vierweekse cyclus (drie om een week):
- drie weken van donderdagmiddag 16.00/16.30 uur tot zondag 14.30 uur;
- een week van donderdagmiddag 16.00/16.30 uur tot zaterdag 11.00/11.30 uur;
- het halen en brengen van [minderjarige] zal de man op zich nemen, althans zal door partijen in onderling overleg worden geregeld;
- gedurende de vakanties en feestdagen in beginsel overeenkomstig de door de man voorgestelde regeling (zoals opgenomen onder punt 12 van zijn verweerschrift), met de aanpassing voor de kerstvakantie en verjaardag van [minderjarige] zoals ter zitting besproken, een en ander in onderling overleg nader te bepalen.
Partijen zijn verder in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwezen naar een
hulpverleningstraject. Voor wat betreft de door de man ten behoeve van [minderjarige] te betalen
kinderalimentatie hebben partijen afgesproken dat zij in overleg gaan over een voorlopige
kinderalimentatie. In afwachting van het resultaat van het hulpverleningstraject is de
definitieve beslissing op de verzoeken van partijen aangehouden.
Bij voormeld kort geding vonnis van 17 april 2024 zijn de vorderingen van de man die
zagen op hervatting van de contactregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen.
Aangezien binnen het UHA-traject niet alle gestelde doelen waren behaald, heeft de Raad in mei 2025 besloten een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de door de rechtbank in haar beschikking van 4 april 2023 geformuleerde vragen rondom het hoofdverblijf van [minderjarige] en de zorgregeling. Daarnaast heeft de Raad besloten een beschermingsonderzoek uit te voeren.
De Raad heeft in zijn rapport van 15 augustus 2025 verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor een periode van een jaar. Verder heeft de Raad in dit rapport geadviseerd om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw vast te stellen en om de behandeling van de verzoeken rondom de zorgregeling aan te houden voor een periode van negen maanden om partijen de gelegenheid te geven in het kader van de ondertoezichtstelling met de hulpverlening aan de slag te gaan.
Bij beschikking van 17 september 2025 is [minderjarige] voor een periode van een jaar onder
toezicht gesteld van de GI.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
- bepaling dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf zal hebben bij haar;
- vaststelling van de door haar omschreven zorgregeling;
- bepaling dat de man ten behoeve van [minderjarige] een kinderalimentatie van € 500,= per maand moet voldoen.
De man verzoekt nu nog, samengevat, vaststelling van de door hem omschreven
zorgregeling.
De man heeft bij voormelde brief van 5 maart 2026 zijn verzoek tot vaststelling van
een door hem ten behoeve van [minderjarige] te betalen kinderalimentatie ingetrokken. Ter zitting
heeft hij zijn verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem ingetrokken.
4. De nadere beoordeling
Hoofdverblijf
Partijen hebben aangegeven dat zij kunnen instemmen met het advies van de Raad om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de vrouw daarom toewijzen, waarbij in aanmerking is genomen dat niet gebleken is dat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet.
Zorgregeling
De man heeft ter zitting aangegeven dat er sinds november 2025 weer omgang tussen hem en [minderjarige] is opgestart onder begeleiding van de Gezinsmanager. Er vindt twee uur per week begeleide omgang plaats en daarnaast hebben de man en [minderjarige] eenmaal per week contact via videobellen. Volgens de overgelegde verslagen van de Gezinsmanager verloopt de omgang goed, is de man een liefdevolle vader, communiceert de man op het niveau van [minderjarige] en is de omgangsbegeleider inmiddels meer op de achtergrond aanwezig. Ondanks de vooruitgang in het verloop van de begeleide omgang en de wens van de man om de omgang uit te breiden, blijft de omgang beperkt tot twee uur per week. De man vindt het jammer dat er al ruim vijf maanden sprake is van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , maar dat het nog steeds onduidelijk is wanneer er een jeugdbeschermer beschikbaar komt.
De vrouw heeft op de zitting gesteld dat het begeleid omgangstraject tijd nodig heeft en dat zal moeten worden afgewacht hoe dit zich verder ontwikkelt. Zij vindt het, net als de man, heel vervelend dat het aanstellen van een jeugdbeschermer zo lang op zich laat wachten.
De Raad heeft ter zitting aangevoerd dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] onder andere ligt in het wisselende contact met zijn vader. Een van de doelen van de ondertoezichtstelling is dan ook om het contact tussen de man en [minderjarige] te herstellen. Ook al is er nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar, de GI is wel verplicht om haar taken binnen de ondertoezichtstelling uit te voeren. Het lijkt erop dat de lijn binnen het omgangstraject nu wordt uitgezet door de Gezinsmanager, terwijl de GI de regie moet hebben over de opbouw van de omgang tussen de man en [minderjarige] . De Raad spreekt de hoop uit dat de GI in ieder geval aanwezig is bij het volgende moment waarop de begeleide omgang wordt geëvalueerd.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen vast staat dat de begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] goed verloopt. Het is dan ook aangewezen dat er nu een volgende stap wordt gezet om te bekijken hoe de omgang verder ontwikkelt.
Partijen wachten al op een jeugdbeschermer sinds de start van de ondertoezichtstelling op
17 september 2025. Los van het feit dat er nog geen vaste jeugdbeschermer is aangesteld, overweegt de rechtbank dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling de plicht en verantwoordelijkheid heeft om de regie te nemen en samen met partijen te bekijken hoe de omgang tussen de man en [minderjarige] verder moet worden opgebouwd. Aangezien het omgangstraject bij de Gezinsmanager nog loopt en partijen nog langer de gelegenheid moet worden gegeven met de hulpverlening aan de slag te gaan, kan de rechtbank op dit moment geen definitieve beslissing nemen over de zorgregeling. De rechtbank zal de verdere behandeling van de verzoeken betreffende de zorgregeling daarom aanhouden tot 7 juli 2026, in afwachting van bericht van de GI met betrekking tot de stand van zaken rondom de zorgregeling.
Kinderalimentatie
De man heeft een vonnis van de rechtbank Rotterdam overgelegd waaruit blijkt dat hij met ingang van 12 december 2024 is toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Ter zitting heeft hij aangegeven dat hij voorafgaande aan de WSNP al onder bewind is gesteld vanwege problematische schulden. Verder heeft hij op zitting desgevraagd aangegeven dat hij zijn huidige inkomen schat op € 3.000,= bruto per maand, dat hij bij zijn partner inwoont en geen woonlasten heeft, dat hij € 70,= per week leefgeld krijgt en dat de rest van zijn inkomen wordt gebruikt om schulden af te lossen. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij nog niet met zijn WSNP-bewindvoerder heeft gesproken over de vraag of hij ruimte heeft om kinderalimentatie voor [minderjarige] te voldoen.
De vrouw heeft aangevoerd dat kinderalimentatie een preferente schuld is en dus prioriteit heeft boven de betaling van andere schulden. Aangezien de man werk en een eigen inkomen heeft, gaat de vrouw ervan uit dat de man de draagkracht heeft om kinderalimentatie voor [minderjarige] te betalen.
De rechtbank overweegt dat zij zonder financiële stukken van partijen niet in staat is om in goede justitie een bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen. Het is in eerste instantie de taak van partijen en hun advocaten om de nodige financiële gegevens met elkaar te delen en op basis daarvan een alimentatieberekening te maken. Daarnaast ligt het op de weg van de man om van zijn WSNP-bewindvoerder duidelijkheid te krijgen over de vraag in hoeverre hij ruimte heeft om kinderalimentatie te voldoen. In het geval het partijen niet lukt om in onderling overleg afspraken te maken over de kinderalimentatie, zal de rechtbank hierover een beslissing nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdere behandeling van het alimentatieverzoek aanhouden tot 7 juli 2026, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het resultaat van het overleg over de kinderalimentatie. Aangezien de man onder bewind staat, moet de advocaat van de man de rechtbank verder informeren over de vraag wie de bewindvoerder van de man is en of die bewindvoerder de man toestemming geeft om zelfstandig over de kinderalimentatie te procederen.
5De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de verdere behandeling van de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling aan tot 7 juli 2026 pro forma, in afwachting van bericht van de GI met betrekking tot de stand van zaken rondom de zorgregeling;
houdt de verdere behandeling van het verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie ook aan tot 7 juli 2026 pro forma, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het resultaat van het overleg over de kinderalimentatie en bericht van de advocaat van de man over de (toestemming van de) bewindvoerder van de man;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.