RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/429578 FA RK 24-5761
datum uitspraak: 8 april 2026
beschikking betreffende vaststelling van een zorg-/omgangsregeling
in de zaak van
[de man] , hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda ,
tegen
[de vrouw] , hierna te noemen de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. D.C.M. Smeulders-Martens te Raamsdonksveer.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
de in deze zaak gegeven beschikking van 24 april 2025 en de daarbij behorende stukken;
het e-mailbericht van de gemeente Oosterhout van 4 december 2025 met als bijlage het UHA-rapport van [persoon] ;
het F9-formulier van mr. Smeulders-Martens van 21 december 2025;
het F4-formulier van mr. Koop-Van Vliet van 22 december 2025;
het F9-formulier van mr. Koop-Van Vliet van 6 januari 2026.
De zaak is mondeling behandeld op 30 maart 2026. Bij die gelegenheid is zijn verschenen de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad.
Alhoewel correct opgeroepen zijn de man en de vrouw niet verschenen.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De man heeft deze kinderen erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en de vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige 2] .
De kinderen verblijven bij de vrouw.
Bij beschikking van 13 juli 2020 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening in de zaak met zaaknummer C/02/371960 / FA RK 20-2375 bepaald dat de man en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- met ingang van 11 juli 2020 de eerste vier weken op zaterdag van 14:00 uur tot 16:00 uur;
- in de eerste vier weken een keer in de week op woensdag, middels beeldbellen;
- na die vier weken iedere dinsdag van 15:00 uur tot 18:00 uur (inclusief avondeten) en iedere week de zaterdag dan wel de zondag (om en om) van 14:00 uur tot 17:00 uur;
- de vrouw zal de man een keer in de twee weken op zondag middels een mailbericht informeren over de kinderen;
en een ander met inachtneming van hetgeen is opgenomen en rechtsoverweging 3.6 van deze beschikking. In deze rechtsoverweging staat opgenomen dat partijen deze tijdelijke regeling hebben afgesproken in afwachting van een in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) te gaan volgen traject.
Daarnaast heeft de rechtbank partijen verwezen voor (jeugd)hulpverlening ten behoeve van het resultaat:
- de (gezagdragende) ouder(s) kunnen gezamenlijk afspraken maken en beslissingen nemen die in het belang zijn van het kind,
naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De rechtbank heeft het loket verzocht om in de bodemprocedure een eindrapportage van de in te zetten zorgaanbieder over het verloop en de resultaten van het zorgtraject in te dienen, zulks met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 3.9 van deze beschikking is overwogen. Verder heeft de rechtbank de Raad verzocht, indien de eindrapportage van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
en daarover te rapporteren en te adviseren.
Bij beschikking van 1 juni 2021 heeft de rechtbank in de zaak met zaaknummer C/02/368138 / FA RK 20-378 de verzoeken van partijen over omgang/contact, ouderlijk gezag en kinderalimentatie afgewezen omdat partijen zich hadden verzoend.
Bij beschikking van 24 april 2025 heeft de rechtbank partijen en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). De rechtbank heeft iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorg-/omgangsregeling aangehouden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van het UHA van 4 december 2025 waaruit, samengevat, volgt dat de gestelde resultaten zijn behaald. Partijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over een zorg-/omgangsregeling tussen de man en de kinderen.
3. De verzoeken
De man verzoekt:
primair:
de tijdelijke omgangsregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 13 juli 2020 en waaraan partijen langere tijd uitvoering hebben gegeven, te wijzigen naar de volgende omgangsregeling:
gedurende de eerste vier weken: één keer per week omgang op zaterdag van 12:00 uur tot 15:00 uur;
na deze periode van vier weken: eens per 14 dagen omgang in het weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 10:00 uur en wekelijks een telefonisch contactmoment,
waarbij het halen en brengen gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld, althans de huidige omgangsregeling te wijzigen naar een zodanige omgangsregeling als de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
subsidiair:
de omgangsregeling vast te stellen waarom de man onder primair heeft verzocht.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.
4. De standpunten
De advocaat van de man heeft vanuit de man, ondanks meerdere verzoeken daartoe en pogingen tot contact, nog geen reactie ontvangen op de UHA-rapportage. De man heeft enkel richting de advocaat aangegeven dat ‘het’ geregeld is, waarna de advocaat geen reactie kreeg op de vraag welke afspraken er zijn gemaakt.
Namens de vrouw is in de stukken en tijdens de zitting aangegeven dat de hulpverlening is afgerond en dat partijen goed contact met elkaar hebben. Partijen overleggen wekelijks over het contact tussen de man en de kinderen en dit verloopt goed. De man ziet de kinderen één keer per week na schooltijd in het bijzijn van de vrouw op een tussen partijen af te stemmen moment. Een vaste omgangsregeling is niet mogelijk vanwege het werk van de man, maar volgens de vrouw zijn beide partijen tevreden met de huidige afspraak. Verdere hulpverlening is wat de vrouw betreft niet nodig.
De Raad adviseert de regeling vast te stellen, zoals deze volgens de vrouw en de UHA-rapportage is afgesproken tussen partijen.
5. De beoordeling
Vaststellen zorg-/omgangsregeling
Uit de terugkoppeling vanuit de gemeente Oosterhout, met daarbij als bijlage het UHA-rapport van [persoon] , volgt dat de omgang tussen de man en de kinderen na één gesprek met [persoon] op 3 juni 2025 weer is opgestart. Uit het rapport blijkt dat de omgang sindsdien voor beide partijen naar wens verloopt. De kinderen gaan volgens het rapport één dag per week overdag na schooltijd naar de man toe, meestal op maandag of dinsdag. Doordat de man op wisselende dagen werkt, zijn er geen vaste dagen afgesproken tussen partijen. Partijen regelen dit onderling middels bellen of Whatsapp contact. De kinderen vinden het leuk om naar de man te gaan en partijen geven aan geen spanningen meer te ervaren in het contact met elkaar. In het belang van de kinderen lukt het hen om gezamenlijk activiteiten te ondernemen. Het advies van [persoon] is om de huidige omgang, zoals partijen deze zijn overeengekomen, vast te leggen. Partijen hebben laten zien er met lichte ondersteuning samen uit te kunnen komen en kunnen voor hulp in de toekomst terecht bij [hulpverlening 1] , [hulpverlening 2] of ‘Samen uit elkaar’.
Blijkens de inhoud van het UHA-rapport hebben partijen met elkaar overeenstemming bereikt. Hoewel de man bij zijn advocaat heeft aangegeven dat ‘het’ geregeld is, is het voor de advocaat onduidelijk wat er volgens de man is afgesproken tussen partijen. Uit de UHA-rapportage blijkt dat de kinderen één dag per week overdag na schooltijd naar de man toe gaan en dat partijen dit onderling middels bellen of Whatsapp contact. Namens de vrouw is tijdens de zitting bevestigd dat de regeling op dit moment nog steeds volgens deze afspraken verloopt en dat dit goed gaat. Omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorg-/omgangsregeling tussen de man en de kinderen en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen de gemaakte afspraken, zal de rechtbank de tussen partijen gemaakte afspraken vastleggen in deze beschikking.
Indien partijen in de toekomst op problemen stuiten in de communicatie kan de vrouw ondersteund worden door [hulpverlening 1] , [hulpverlening 2] . Ook kunnen partijen contact leggen met ‘Samen uit elkaar’.
Proceskosten
Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun kinderen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.
Tot slot complimenteert de rechtbank partijen met de bereikte overeenstemming. Zij geven hiermee naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een hoopvol signaal af voor de toekomst.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de zorg-/omgangsregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact gedurende één dag per week overdag na schooltijd, met inachtneming van hetgeen onder 5.2 is overwogen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: