RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers: C/02/442128 FA RK 25-5991 (voorlopige voorziening)
C/02/442131 FA RK 25-5993 (bodemprocedure)
datum uitspraak: 8 april 2026
beschikking betreffende vaststelling van een omgangsregeling
in de zaak van
[de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. L.A.P. van Haperen te Breda ,
tegen
[de man] hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 1] ,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te Oekraïne op [geboortedag 1] 2012;
- [minderjarige 2], geboren te Oekraïne op [geboortedag 2] 2015.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 19 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de op 20 november 2025 ontvangen brief van mr. Van Haperen met bijlagen;
- het op 4 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Van Haperen met bijlage;
- het op 9 maart 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Van Haperen;
- het op 19 maart 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Van Haperen met bijlage.
De zaak is mondeling behandeld op 30 maart 2026. Bij die gelegenheid is zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Oekraïens, en de man. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad.
2. De feiten
Partijen zijn op [datum] 2006 te [plaats 2] (Oekraïne) met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is op 30 mei 2025 in Oekraïne ontbonden door de rechtbank district Vyshhorod, regio Kyiv. Deze beschikking is op 20 juni 2025 in kracht van gewijsde gegaan. Uit het Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat het huwelijk tussen partijen op 20 juni 2025 is ontbonden.
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te Oekraïne op [geboortedag 1] 2012, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te Oekraïne op [geboortedag 2] 2015, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
De man, de vrouw, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Oekraïense nationaliteit.
3. De verzoeken
In de zaak met zaaknummer C/02/442128 FA RK 25-5991 (voorlopige voorziening)
De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor de duur van de bodemprocedure:
I. te bepalen dat de minderjarige kinderen van partijen worden toevertrouwd aan de man;
II. een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige 2] op iedere donderdag van 16.00 uur tot 20.00 uur bij de vrouw verblijft, alsmede iedere zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur;
III. een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige 1] op iedere dinsdag van 17.30 uur tot 20.00 uur bij de vrouw verblijft, alsmede iedere zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur.
In de zaak met zaaknummer C/02/442131 FA RK 25-5993 (bodemprocedure)
De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de minderjarige kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij de man zullen hebben;
II. een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige 2] op iedere donderdag van 16.00 uur tot 20.00 uur bij de vrouw verblijft, alsmede iedere zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur;
III. een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige 1] op iedere dinsdag van 17.30 uur tot 20.00 uur bij de vrouw verblijft, alsmede iedere zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur.
4. De standpunten
De vrouw heeft ter zitting haar verzoeken tot voorlopige voorzieningen ingetrokken. Inmiddels is er hulpverlening via de gemeente betrokken en is er geprobeerd via de hulpverlening afspraken te maken tussen partijen, echter is dat niet gelukt. Op dit moment verblijven de kinderen bij de man en verblijft de vrouw op een hotelkamer van 15 m2. Hoewel de vrouw al langere tijd op zoek is naar een geschikte woonruimte, is het nog niet gelukt om deze te vinden. Ook is daar op korte termijn nog geen zicht op. De vrouw wil daarom afspraken maken tussen partijen over de huidige situatie. Het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw is op dit moment geen optie, omdat dit niet in hun belang is. Het hoofdverblijf van de kinderen kan daarom wat de vrouw betreft bij de man worden bepaald. Het hoogst haalbare is verder op dit moment een beperkte zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen. De vrouw heeft namelijk geen keuken of een slaapplek voor de kinderen en de vrouw mag van de man de kinderen niet in zijn woning zien. [minderjarige 1] geeft na een paar uur bij de vrouw al aan dat hij naar huis wil. De vrouw is verder beperkt in haar mogelijkheden vanwege onvoldoende financiële middelen. De vrouw wil de kinderen echter wel graag blijven zien en wil een aandeel hebben in de zorg en opvoedingstaken. Doordat niet de verwachting is dat er op korte termijn iets zal veranderen in de situatie van de vrouw rondom een woonruimte, verzoekt de vrouw de rechtbank een eindbeslissing te geven in de bodemprocedure. Indien de situatie uiteindelijk veranderd, zullen partijen samen afspraken maken of zal de vrouw opnieuw een verzoek indienen bij de rechtbank. Verder staat de vrouw open voor mediation.
De man is het eens met de vrouw dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de man dient te worden bepaald. Ook is de man het voor nu, gelet op de huidige situatie, eens met de verzoeken van de vrouw in de bodemprocedure over het vaststellen van een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen. De man heeft echter liever dat de vrouw een hele dag of om de week een heel weekend omgang heeft met de kinderen, indien het lang duurt voordat de vrouw een woning heeft gevonden. De man wil daarom graag afspraken maken met de vrouw over oplossingen op de langere termijn. Verder geeft de man aan dat partijen al contact hebben gehad met hulpverlening vanuit de gemeente en dat mediation is geadviseerd. De man geeft aan dat de verwachting is dat partijen daarom binnenkort zullen starten met mediation.
De Raad geeft aan dat de verzoeken van de vrouw in de bodemprocedure op dit moment het hoogst haalbare zijn. In een ideale situatie zou er uitgebreid contact zijn tussen de kinderen en hun beide ouders, echter is dat op dit moment niet realistisch en haalbaar gelet op het feit dat de vrouw in een hotelkamer van 15 m2 verblijft. Verder verwacht de Raad dat partijen elkaar weten te vinden, indien de situatie van de vrouw veranderd.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien partijen en de minderjarigen de Oekraïense nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten moet de rechtbank eerst vast stellen of de rechtbank rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is, voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Op grond van artikel 265 Rv is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief bevoegd nu de minderjarigen hun woonplaats hebben in het arrondissement van deze rechtbank.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op de vraag worden toegepast.
In de zaak met zaaknummer C/02/442128 FA RK 25-5991 (voorlopige voorziening)
Omdat de verzoeken van de vrouw tot het treffen van voorlopige voorzieningen tijdens de zitting zijn ingetrokken, is er geen belang meer bij een beoordeling van deze verzoeken. De verzoeken van de vrouw tot voorlopige voorzieningen zullen daarom worden afgewezen.
In de zaak met zaaknummer C/02/442131 FA RK 25-5993 (bodemprocedure)
Hoofdverblijf
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man. De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zich hiertegen verzet.
Zorgregeling
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Tijdens de zitting is gebleken dat de man (voor nu) in kan stemmen met het vaststellen van een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen op de wijze waarop de vrouw heeft verzocht. Ook de Raad adviseert om de regeling op die wijze vast te stellen. De rechtbank stelt dat kinderen in beginsel uitgebreid contact dienen te hebben met beide ouders. De rechtbank stelt echter, in lijn met het advies van de Raad, vast dat een beperkte zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen op dit moment het hoogst haalbare is, gelet op de feitelijke situatie rondom de woonruimte van de vrouw. Hoewel de rechtbank de wens van de man om op langere termijn een uitgebreidere regeling tussen de vrouw en de kinderen vast te stellen begrijpt, is dat op dit moment niet mogelijk. De rechtbank zal daarom de zorgregeling als volgt bepalen:
- [minderjarige 2] verblijft iedere donderdag van 16.00 uur tot 20.00 uur bij de vrouw, alsmede iedere zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur;
- [minderjarige 1] verblijft iedere dinsdag van 17.30 uur tot 20.00 uur bij de vrouw, alsmede iedere zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur.
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn dat de zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen uitgebreid dient te worden, op het moment dat de vrouw geschikte woonruimte heeft. De rechtbank verwacht van partijen dat zij met elkaar in overleg zullen treden en dat zij steeds flexibel zullen zijn, indien de vrouw tussentijds al meer mogelijkheden heeft om contact te hebben met de kinderen of de kinderen meer contact willen met de vrouw. Daarnaast kunnen partijen mogelijk nadere afspraken maken door middel van de hulpverlening die momenteel al betrokken is vanuit de gemeente.
Proceskosten
Nu partijen ex-echtgenoten zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten zal dragen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
In de zaak met zaaknummer C/02/442128 FA RK 25-5991 (voorlopige voorziening)
wijst de verzoeken van de vrouw af.
In de zaak met zaaknummer C/02/442131 FA RK 25-5993 (bodemprocedure)
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te Oekraïne op [geboortedag 1] 2012, en [minderjarige 2] , geboren te Oekraïne op [geboortedag 2] 2015, voortaan hun hoofdverblijf hebben bij de man;
bepaalt dat de vrouw en de [minderjarige 1] , geboren te Oekraïne op [geboortedag 1] 2012, en [minderjarige 2] , geboren te Oekraïne op [geboortedag 2] 2015, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:
- [minderjarige 2] verblijft iedere donderdag van 16.00 uur tot 20.00 uur bij de vrouw, alsmede iedere zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur;
- [minderjarige 1] verblijft iedere dinsdag van 17.30 uur tot 20.00 uur bij de vrouw, alsmede iedere zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: