beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/417569 FA RK 23-6124
datum uitspraak: 8 april 2026
beschikking over gezag en wijziging van een zorg-/omgangsregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 2] (gemeente Heusden),
advocaat: mr. T. Möller te Tilburg,
over de minderjarige [minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen (producties 1 t/m 7), ontvangen op
2 januari 2024;
- de F-9 formulieren (verzoek om aanhouding) van mr. Van der Marel, ontvangen op
13 maart 2024, 7 oktober 2024, 6 mei 2025 en 5 augustus 2025, de laatste met als bijlage productie 8;
de F-9 formulieren (verzoek om aanhouding) van mr. Möller, ontvangen op 14 maart 2024, 16 september 2024 en 6 mei 2025;
het F-9 formulier (verzoek om plannen van zitting) van mr. Möller, ontvangen op
19 augustus 2025;
de brief van mr. Möller, ontvangen op 22 december 2025;
het verweerschrift van de man met bijlagen (producties 1 en 2), ontvangen op 16 maart 2026;
het gewijzigde verzoekschrift van de vrouw, overgelegd op de zitting van 23 maart 2026.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 23 maart 2026. Op die zitting is de vrouw verschenen met haar advocaat. De man is ook verschenen met een waarnemer van zijn advocaat, te weten mr. J.J.A. van Roessel. Verder was een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig.
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van de verzoeken vindt. Zij heeft hierover een brief naar de rechtbank gestuurd, maar deze brief is pas ná de zitting ontvangen. Partijen konden daardoor niet in de gelegenheid worden gesteld om op de inhoud van de brief te reageren. De rechtbank zal de inhoud van de brief daarom niet betrekken bij de thans te nemen beslissing(en).
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
De man heeft [minderjarige] op 14 september 2015 erkend. De vrouw heeft alleen het gezag over [minderjarige] .
De relatie van partijen is beëindigd in 2016. Partijen hebben geen ouderschapsplan opgesteld. Zij hebben ten tijde van het verbreken van de relatie een mondelinge omgangsregeling afgesproken. Volgens die regeling zag [minderjarige] de man om het weekend op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur. Later is deze omgangsregeling mondeling gewijzigd naar de zondag om het weekend van 13:00 uur tot 17:00 uur. De omgang vond telkens plaats in de woning van de vrouw.
In maart 2024 hebben partijen de rechtbank bericht dat zij een hulpverleningstraject zijn gestart bij [hulpverlening 1] te [plaats 3] . Zij hebben de rechtbank verzocht de behandeling van het verzoek van de vrouw aan te houden, in afwachting van de uitkomst van dit traject.
Er is inmiddels ruim drie jaar geen omgang tussen [minderjarige] en de man.
3. De verzoeken
De vrouw heeft de rechtbank aanvankelijk verzocht om de omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat de man op een door de rechtbank vast te stellen doordeweekse dag omgang zal hebben met [minderjarige] en daarbij te bepalen dat het omgangsmoment plaatsvindt onder toezicht van een door de rechtbank aan te wijzen derde. Op de zitting van 23 maart 2026 heeft de vrouw dit verzoek volledig ingetrokken.
De vrouw verzoekt de rechtbank thans, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. alvorens te beslissen een onderzoek door de Raad te gelasten naar de meest in het belang van het kind te achten wijze waarop omgang tussen de man en het kind kan worden vormgegeven en de vraag of, en zo ja op welke wijze, het verzoek van de man tot het verkrijgen van het (gezamenlijk) gezag in het belang van het kind kan worden geacht;
II. de Raad daarbij in het bijzonder te verzoeken om te onderzoeken en te rapporteren over:
de huidige belastbaarheid van het kind in relatie tot omgang met de man;
de aard, frequentie en duur van een op te bouwen omgangsregeling;
de eventuele noodzaak van begeleide omgang, alsmede de wijze waarop die begeleide omgang vorm dient te krijgen;
de voorwaarden waaronder omgang veilig en in het belang van het kind kan plaatsvinden;
de vraag of toekenning van (gezamenlijk) gezag aan de man thans in het belang van het kind is, mede in het licht van de communicatie tussen partijen en de mate waarin zij in staat zijn tot gezamenlijke besluitvorming;
de vraag of en in hoeverre de bestaande hulpverlening toereikend is dan wel dient de worden uitgebreid of aangepast ter ondersteuning van omgang en/of gezagsuitoefening;
III. te bepalen dat de Raad haar bevindingen en advies schriftelijk aan de rechtbank uitbrengt binnen een door de rechtbank te bepalen termijn;
IV. voor zover de rechtbank dit aangewezen acht, te bepalen dat het onderzoek (mede) wordt uitgevoerd door een door de rechtbank te benoemen deskundige als bedoeld in artikel 810a van het Wetboek van Rechtsvordering, althans een passende gedragsdeskundige instantie;
V. iedere verdere beslissing aan te houden in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek;
VI. de proceskosten tussen partijen te compenseren.
De man was het niet eens met het aanvankelijke verzoek van de vrouw. Hij is het ook niet eens met het gewijzigde verzoek, zoals dat nu aan de rechtbank voorligt. Hij verzoekt dit af te wijzen.
De man verzoekt zelfstandig:
een zorgregeling vast te stellen op grond waarvan de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot onbegeleide omgang gedurende één dag per week, althans een weekend per veertien dagen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling;
te bepalen dat de man samen met de vrouw belast zal worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De vrouw is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de man. Zij verzoekt deze af te wijzen.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De standpunten
Door en namens de vrouw is in het verzoekschrift, de wijziging daarop en tijdens de zitting het navolgende aangevoerd.
De vrouw heeft eind 2023 een verzoek tot wijziging van de mondeling overeengekomen omgangsregeling ingediend, omdat [minderjarige] daar destijds veel last van ervaarde. Er is bij haar sprake van hechtingsproblematiek door het niet nakomen van de omgangsregeling door de man. Zij is in therapie gegaan bij [therapeut] .
De vrouw heeft indertijd geprobeerd de omgangsregeling in onderling overleg met de man te wijzigen. Zij wil de omgang laten plaatsvinden op een doordeweekse dag zoals woensdag, omdat [minderjarige] op zondag veel andere activiteiten heeft. De man wil dit niet vanwege zijn werk. De man heeft echter niet inzichtelijk gemaakt dat het gelet op zijn werk niet mogelijk is om op een doordeweekse dag omgang met [minderjarige] te hebben. De man heeft psychische problemen.
De vrouw staat open voor contact tussen [minderjarige] en de man, maar wil wel dat dit wordt opgestart onder professionele begeleiding. De hulpverlening voor partijen bij [hulpverlening 1] is helaas niet van de grond gekomen. Na de aanmelding van [minderjarige] bleken er op dat moment met name problemen te zijn met de nieuwe partner van de vrouw; de focus van de hulpverlening bij [hulpverlening 1] is daarop komen te liggen. De man is toen niet bij de hulpverlening van [hulpverlening 1] betrokken, mede omdat hij niet met het gezag over [minderjarige] is belast. De man was toen inmiddels al een tijd uit beeld bij [minderjarige] . De relatie met de “nieuwe” partner van de vrouw is inmiddels verbroken. De vrouw heeft onlangs een handreiking naar de man gedaan door hem te betrekken bij de hulpverlening voor [minderjarige] bij [hulpverlening 2]. Bij [hulpverlening 2] is een nieuw hulpverleningstraject gestart voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft last van verlatingsangst.
De vrouw voelt zich overvallen door de zelfstandige verzoeken van de man. De vrouw verzoekt nu dat de rechtbank vóór het nemen van een beslissing in deze zaak eerst een onderzoek door de Raad en/of een deskundige zal laten verrichten. De man verzoekt gezamenlijk gezag, maar hij weet helemaal niets over het leven van [minderjarige] en wat er in haar omgaat. Ook weet de vrouw niet hoe de man nu in het leven staat. De vrouw sluit niet uit dat er gezamenlijk gezag kan zijn als de man een rol speelt in het leven van [minderjarige] , maar daarvan is op dit moment geen sprake. Daarnaast kunnen partijen niet met elkaar communiceren, waardoor er een aanzienlijk risico is dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen haar ouders. Eerst dient te worden onderzocht wat in het belang van [minderjarige] is, zowel wat betreft het contact met de man als het gezamenlijk gezag. De vrouw is niet bereid om mee te werken aan een verwijzing naar het uniform hulpaanbod (UHA). Dat zou volgens de advocaat van de vrouw betekenen dat er wordt voorgesorteerd op een ondertoezichtstelling, terwijl er bij [minderjarige] geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
Door en namens de man is in het verweerschrift en tijdens de zitting het navolgende aangevoerd.
De man wil graag samen met de vrouw het gezag over [minderjarige] verkrijgen. Hij acht het in het belang van [minderjarige] dat sprake is van gezamenlijk ouderschap en daar hoort gezamenlijk gezag bij. De man realiseert zich dat het nu nog te vroeg is om dit verzoek toe te wijzen, maar hij wil hier wel naar toewerken. Hij wil meer betrokken worden in het leven van [minderjarige] en mee kunnen beslissen over belangrijke kwesties. De man acht partijen in staat om in onderling overleg constructieve afspraken te maken die in het belang van [minderjarige] zijn. Hij zal zich er voor inzetten dat zij niet klem of verloren raakt tussen haar ouders.
Wat betreft het verzoek over de zorgregeling geeft de man aan dat hij graag weer contact wil met [minderjarige] . Door de week is dit lastig voor hem te realiseren in verband met zijn werk. De man is bang dat hij [minderjarige] dan teleur moet stellen. De man moet zich op doordeweekse dagen beschikbaar houden voor zijn werk van 15.00 uur tot 23.30 uur. Als contact op zondagen niet mogelijk is, is hij bereid een ander moment in het weekend overeen te komen. De man begrijpt dat het contact geleidelijk moet worden opgebouwd en onder begeleiding zal starten. Uiteindelijk wil de man toewerken naar onbegeleide contacten gedurende een weekend per veertien dagen.
De man verzoekt de rechtbank de beslissing op de verzoeken van partijen nu aan te houden en hen te verwijzen naar het UHA. De hulpverlening bij [hulpverlening 1] is destijds gestart buiten de man om. Hij heeft herhaaldelijk verzocht om deel te kunnen nemen aan het traject, zonder resultaat. Omdat hij geen gezag heeft, had de man volgens [hulpverlening 1] geen recht op informatie over het traject. [minderjarige] krijgt inmiddels hulp van [hulpverlening 2]. Partijen hebben op
16 maart 2026 een gezamenlijk gesprek gehad bij [hulpverlening 2]. De man wil voorkomen dat hij opnieuw buiten het hulpverleningstraject wordt gehouden, zoals hem overkwam bij [hulpverlening 1] . Hij vindt het belangrijk dat er een formeel kader komt voor de hulpverlening en verzoekt daarom om een UHA-verwijzing. Dan wordt de man actief betrokken bij het traject en wordt hij deelgenoot van de verslaglegging.
Gezien het reeds lopende hulpverleningstraject bij [hulpverlening 2] kan de man het verzoek van de vrouw om een onderzoek door de Raad niet plaatsen. De man en [minderjarige] hebben al lang geen contact. Het weer opstarten van het contact moet geen maanden meer duren. Indien het verzoek om een UHA-verwijzing niet wordt geaccepteerd, verzoekt de man de rechtbank bij beschikking vast te leggen dat [minderjarige] bij [hulpverlening 2] begeleide omgang met hem zal hebben.
De Raad adviseert de rechtbank om partijen te verwijzen naar het UHA. Gelet op de wachttijd bij de Raad zou een onderzoek pas over vier tot zes maanden kunnen starten en moet de behandeling van de verzoeken dan voor de duur van negen maanden worden aangehouden. Dat is niet passend, omdat beide ouders openstaan voor contactherstel. Het is schrijnend dat partijen inmiddels drie jaren verder zijn en dat er in de tussentijd niets is gebeurd. Het is spijtig dat de focus in het traject bij [hulpverlening 1] niet meer op het contact van [minderjarige] met de man heeft gelegen en dat er zo lang geen contact is geweest. Het is van belang dat het contact snel wordt hersteld, dat [minderjarige] en de man daar goed op worden voorbereid en dat het contact in het begin wordt begeleid. Als partijen worden verwezen naar het UHA, is er recht op omgangsbegeleiding, komt er regie bij de opbouw van het contact en kan vervolgens hulpverlening worden ingezet op de oudercommunicatie. In dat kader moet eerst worden gekeken of de hulpverlening bij [hulpverlening 2] passend en voldoende is. Als de vrouw niet mee wil werken aan een UHA-verwijzing, dan resteert de mogelijkheid van een raadsonderzoek. Doordat er drie jaar lang geen contact is tussen [minderjarige] en de man, zou het raadsonderzoek kunnen worden uitgebreid met een beschermingsonderzoek. Het ontbreken van contact met een ouder kan immers worden aangemerkt als een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het is van belang dat een eventueel raadsonderzoek met voorrang wordt opgepakt.
5. De beoordeling
De man verzoekt om het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem of verloren komt te zitten tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
Daarnaast verzoekt de man een zorgregeling vast te stellen. Partijen zijn destijds mondeling een omgangsregeling overeengekomen. In artikel 1:377e BW staat dat een omgangsregeling die door de rechtbank is bepaald of door de ouders is afgesproken, kan worden veranderd. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd na de beslissing van de rechtbank of na de afspraken van de ouders. Dit kan ook als bij de beslissing van de rechtbank van verkeerde of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De vrouw vindt het niet in het belang van [minderjarige] dat de verzoeken van de man worden toegewezen, in elk geval niet zonder dat onderzoek is gedaan door de Raad. In reactie hierop verzoekt de man op zijn beurt om een verwijzing naar het UHA, maar de vrouw wil daar niet aan meewerken. Een UHA-verwijzing is daarom niet mogelijk.
Tussen partijen staat vast dat er sinds het indienen van het oorspronkelijke verzoek van de vrouw eind 2023 geen omgang van de man met [minderjarige] meer heeft plaatsgevonden.
In het verslag van [hulpverlening 1] van 16 februari 2026 (productie 2 namens de man) is te lezen dat [minderjarige] aan een kindbehartiger heeft verteld dat zij een keer met haar vader heeft gebeld en dat dat leuk was. [minderjarige] heeft ook verteld dat zij eigenlijk niet weet waarom ze haar vader niet ziet en wat ze daarvan vindt. Ze ziet hem nu niet omdat het agendatechnisch lastig is, maar ze zou hem wel mogen zien.
Het traject bij [hulpverlening 1] , dat volgens de vrouw meer zag op de relatie met haar vorige partner dan op de relatie van [minderjarige] met de man, is inmiddels afgesloten en er is voor [minderjarige] hulpverlening aangevraagd bij [hulpverlening 2]. Van de zijde van de vrouw is op de zitting medegedeeld dat [minderjarige] eenmaal per week een gesprek heeft bij [hulpverlening 2] en dat [minderjarige] een band heeft opgebouwd met de hulpverlener(s). Partijen hebben op 16 maart 2026 samen een gesprek gehad bij [hulpverlening 2]. De vrouw wil de man betrekken bij die hulpverlening voor [minderjarige] .
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat het hulpverleningstraject bij [hulpverlening 2] wordt voortgezet en dat niet alleen de vrouw maar ook de man daadwerkelijk bij die hulpverlening wordt betrokken. Het is positief dat de vrouw de man wil betrekken bij deze hulpverlening voor [minderjarige] . [hulpverlening 2] is een professionele instelling die onder meer gespecialiseerd is in hulpverlening aan gezinssystemen bij conflictscheidingen. Zowel de vrouw als de man staan niet afwijzend tegenover herstel van het contact tussen [minderjarige] en de man. Met dit als uitgangspunt, is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog het verloop van het traject bij [hulpverlening 2] moet worden afgewacht vóórdat de rechtbank beslist op de (gewijzigde/zelfstandige) verzoeken van partijen. Het heeft de voorkeur dat partijen samen komen tot een oplossing voor hun geschil over [minderjarige] en dat zij in haar belang samen afspraken maken. Het hulpverleningstraject bij [hulpverlening 2] kan partijen daarbij helpen. Mede gelet op de wachtlijsten in de (jeugd)hulpverlening zou het spijtig zijn als die kans niet wordt benut. Bovendien moet worden voorkomen dat het traject bij [hulpverlening 2] wordt vertraagd, bemoeilijkt of mogelijk zelfs wordt doorkruist door een raadsonderzoek. De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige] .
De rechtbank acht het van belang dat [hulpverlening 2] zich ook inspant voor herstel van het contact tussen [minderjarige] en de man en, als daar voldoende ruimte voor is bij [minderjarige] , het onder begeleiding opbouwen van het contact tussen vader en dochter, met (in elk geval aanvankelijk) begeleiding van de contactmomenten. Daarnaast is het voor [minderjarige] van belang dat er door [hulpverlening 2] wordt ingezet op hulpverlening aan de ouders ter verbetering van de onderlinge verstandhouding, de oudercommunicatie en het wederzijdse vertrouwen. Als er verbetering komt in de ouderrelatie, zou mogelijk kunnen worden toegewerkt naar gezamenlijk gezag.
De rechtbank zal de beslissing op de verzoeken nu voor de duur van (ongeveer) drie maanden aanhouden, in afwachting van berichten van de advocaten van partijen over het verloop en het resultaat van de hulpverlening voor [minderjarige] en haar ouders bij [hulpverlening 2] – bij voorkeur onder bijsluiting van een schriftelijk verslag van [hulpverlening 2] over de hulpverlening zoals hiervoor onder 5.6. vermeld – en de manier waarop de zaak verder moet worden afgedaan. Partijen kunnen zich in hun bericht aan de rechtbank dan ook uitlaten over de vraag of een nadere zitting gewenst is.
6. De beslissing
De rechtbank:
houdt de beslissing op de (zelfstandige) verzoeken van partijen aan tot 13 juli 2026 PRO FORMA, met inachtneming van hetgeen in r.o. 5.7 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 in aanwezigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.