2. De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door haar;
- toevertrouwing van de minderjarige aan haar.
De man verzoekt, samengevat:
- primair toevertrouwing van de minderjarige aan hem;
subsidiair vaststelling van een zorgregeling in de vorm van een co-ouderschap;
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem.
3. De beoordeling
Toevertrouwing en zorgregeling
De vrouw verzoekt om de minderjarige [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen. Zij geeft aan dat zij vanaf de geboorte van [minderjarige] grotendeels voor haar heeft gezorgd. De man werkte fulltime en zij richtte zich op [minderjarige] . Ook sinds zij samen met [minderjarige] bij haar ouders verblijft, zorgt zij merendeels voor [minderjarige] . De vrouw betreurt het dat haar wordt verweten dat zij [minderjarige] geen stabiele situatie kan bieden. De afgelopen maanden zijn voor de vrouw zwaar geweest vanwege de aanstaande breuk en het noodgedwongen vertrek uit de echtelijke woning. Het is eenmaal voorgekomen dat zij [minderjarige] is vergeten op te halen van de peuterspeelzaal, maar hierin is absoluut geen patroon te zien. Overigens is het juist dat [minderjarige] op de donderdagen niet meer naar de peuterspeelzaal gaat, omdat dit vanwege de reisafstand niet werkbaar is. De vrouw kan op dit moment geen gebruik maken van een auto, omdat haar rijbewijs nog in de echtelijke woning ligt. Daarnaast is het openbaar vervoer ook geen optie. Voor wat betreft haar financiële situatie geeft de vrouw aan dat dit geen rol speelt bij de vraag aan wie [minderjarige] zou moeten worden toevertrouwd, maar zij heeft desgevraagd een toelichting gegeven.
Het door de man gewenste co-ouderschap is volgens de vrouw op dit moment niet aan de orde. De man werkt fulltime en op de momenten dat [minderjarige] bij hem is, is hij ook deels bij zijn ouders. Het is niet de bedoeling dat de zorg voor [minderjarige] door iemand anders wordt gedaan. Daarnaast is de door de man verzochte zorgregeling een grote wijziging van de huidige afspraken. Een dermate grote wijziging is op dit moment niet in het belang van [minderjarige] .
De man geeft aan dat de vrouw in de eerste periode na de geboorte van [minderjarige] haar hoofdverzorger was, maar dat hij steeds meer zorgtaken op zich is gaan nemen. De vrouw zit namelijk in een moeilijke periode, waardoor zij niet goed in staat is om [minderjarige] stabiliteit te geven. Het komt regelmatig voor dat [minderjarige] niet naar de peuterspeelzaal gaat of daar op tijd is. Volgens hem is het dan ook in het belang van [minderjarige] om aan hem te worden toevertrouwd. Hij is in staat om [minderjarige] de structuur te geven die zij nodig heeft. Daarnaast is bij de vrouw sprake van een financieel instabiele situatie. Buiten zijn weten om heeft de vrouw schulden gemaakt. Volgens de man leggen financiële problemen in het algemeen een druk op een kind en op een onbezorgde jeugd. De man heeft een goedlopend bedrijf en hij kan [minderjarige] ook in financieel opzicht stabiliteit bieden.
Mocht [minderjarige] niet aan de man worden toevertrouwd, dan vindt hij het in haar belang dat een zorgregeling wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] van zaterdag 18.00 uur tot woensdag 12.00 uur bij hem zal zijn en van woensdag 12.00 uur tot zaterdag 18.00 uur bij de vrouw. Ook verzoekt hij een verdeling van de vakanties bij helfte. De man geeft aan dat het van belang is dat [minderjarige] met beide ouders een hechte band onderhoudt. Hij kan zijn werk rondom de zorg voor [minderjarige] inrichten en [minderjarige] meer stabiliteit geven, doordat zij in de helft van de week dat zij bij hem is naar de peuterspeelzaal zal gaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Voorlopige voorzieningen hebben het karakter van een ordemaatregel, waarbij het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de actuele situatie. Vast staat dat de vrouw samen met [minderjarige] sinds 26 januari 2026 bij haar ouders verblijft en dat [minderjarige] iedere week van zaterdagochtend tot maandagavond bij de man is. In onderling overleg is [minderjarige] eenmalig op vrijdag naar de man gegaan vanwege het Suikerfeest. Er wordt op dit moment dus uitvoering gegeven aan een zorgregeling waarbij beide ouders meerdere dagen per week (inclusief overnachtingen) de zorg hebben voor [minderjarige] . Gelet op het voorgaande en omdat in dit stadium van de echtscheidingsprocedure nog niet duidelijk is bij welke ouder [minderjarige] na de echtscheiding haar hoofdverblijf zal hebben, ziet de rechtbank aanleiding de actuele situatie voor wat betreft de feitelijke hoofdverzorging (toevertrouwing) en de zorgregeling voorlopig in stand te laten. Met deze regeling houdt de man betrokkenheid bij de peuterspeelzaal (en straks de basisschool), omdat [minderjarige] op de maandagen door de man naar de peuterspeelzaal wordt gebracht en opgehaald.
Op basis van de bestaande afspraken is het aandeel van de vrouw in de zorg voor [minderjarige] groter, zodat [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd. In de financiële situatie van de vrouw ziet de rechtbank geen signalen dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen toevertrouwing aan de vrouw. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht hoe de schulden zijn ontstaan in de periode van de relatiebreuk en werkloosheid. De vrouw heeft uitgelegd dat deze schulden inmiddels nagenoeg allemaal zijn afgelost en zij heeft transactiedetails overgelegd van de aflossingen op de schulden. Daarnaast ontvangt de vrouw op dit moment een WW-uitkering en is zij actief werk aan te zoeken. Zij heeft binnenkort een tweede gesprek voor een functie bij de [bedrijf] . Er is dan ook niet gebleken van een zorgwekkende financiële situatie aan de zijde van de vrouw. Daarnaast is ook anderszins niet gebleken dat de vrouw geen stabiliteit en structuur aan [minderjarige] kan bieden. Volgens de vrouw was het een eenmalig incident dat zij op 1 december 2025 is vergeten [minderjarige] op te halen van de peuterspeelzaal. De man heeft niet onderbouwd dat dit meermaals is voorgevallen. Er kan dan niet gesproken worden van een patroon waarbij de vrouw [minderjarige] vergeet op te halen van de peuterspeelzaal. Het feit dat [minderjarige] op dit moment op de donderdagen niet naar de peuterspeelzaal gaat, is het gevolg van een praktisch probleem, namelijk dat de vrouw met [minderjarige] op ruime afstand van de peuterspeelzaal verblijft en haar rijbewijs niet bij zich heeft. Op de mondelinge behandeling heeft de man toegezegd dat hij haar rijbewijs aan de vrouw zal geven, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de vrouw [minderjarige] vanaf dat moment op de donderdagen naar de peuterspeelzaal zal brengen en ophalen.
Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om toevertrouwing van [minderjarige] aan haar zal toewijzen, onder gelijktijdige afwijzing van dat verzoek van de man. Wat betreft het (subsidiaire) verzoek van de man om een zorgregeling, zal de rechtbank de zorgregeling bepalen waar partijen op dit moment uitvoering aan geven. Voor wat betreft de verzochte verdeling van de vakanties overweegt de rechtbank dat de man geen concreet verzoek hiervoor heeft gedaan. Ook op de mondelinge behandeling heeft hij zijn verzoek niet nader geconcretiseerd. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat de reguliere zorgregeling doorloopt in de vakanties.
Uitsluitend gebruik van de woning
De vrouw heeft aangegeven dat haar belang bij het gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man, omdat zij voor het merendeel de zorg voor [minderjarige] heeft. Bij haar ouders deelt zij met [minderjarige] een slaapkamer, maar dat is geen ideale situatie. Volgens de vrouw is het ook belangrijk dat [minderjarige] zo snel mogelijk terugkeert naar haar vertrouwde omgeving. Verder stelt de vrouw dat zij geen alternatieven heeft. Zij komt niet in aanmerking voor een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning. Een woning in de particuliere sector is voor haar financieel niet haalbaar. Volgens de vrouw heeft man meer mogelijkheden voor tijdelijk andere woonruimte.
De man geeft aan dat hij niet bij familie en vrienden kan verblijven. Er is geen plek voor hem en [minderjarige] . Voor de onderbouwing verwijst hij naar de ingebrachte verklaringen. Daarnaast geeft hij aan dat hij altijd de lasten van de echtelijke woning heeft betaald. De vrouw heeft hiervoor niet de financiële middelen, dus dit zal hij moeten blijven doen. Hij heeft daarnaast geen financiële ruimte om ook nog de lasten van een tweede woning te betalen. Ook geeft de man aan dat hij na de echtscheiding de huurder zal blijven van de woning. Het is daarom wenselijk dat de vrouw nu al andere woonruimte regelt.
De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure gaat om een ordemaatregel voor de duur van de echtscheidingsprocedure en dus een maatregel die naar zijn aard bestemd is voor een korte periode. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank moet beoordelen wiens belang om op korte termijn in de woning te blijven prevaleert boven dat van de ander. Beide partijen hebben een belang bij het voorlopig gebruik van de woning. Ze zijn het er over eens dat zij niet langer samen onder een dak kunnen wonen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen niet open staan voor de mogelijkheid van ‘birdnesting’. De rechtbank zal daarom hun belangen tegen elkaar moeten afwegen.
Beide partijen geven gemotiveerd aan waarom zij een groter belang dan de ander hebben bij het uitsluitend gebruik van de woning. In deze situatie acht de rechtbank het belang van [minderjarige] van doorslaggevende betekenis. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zij zo snel mogelijk terugkeert naar haar vertrouwde omgeving en dat er rust en stabiliteit komt. Tot januari 2026 woonde zij met haar ouders in de echtelijke woning. Ook gaat zij in de omgeving van de echtelijke woning naar de peuterspeelzaal en met ingang van september 2026 zal zij gaan starten op een basisschool in [plaats] . Gelet op het bovenstaande en het feit dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de woning toewijzen.
De rechtbank acht de man financieel gezien beter dan de vrouw in staat binnen afzienbare tijd alternatieve woonruimte te vinden. De rechtbank begrijpt dat de financiële gevolgen voor de man groot kunnen zijn op het moment dat hij dubbele lasten heeft, maar de vrouw heeft op de mondelinge behandeling toegezegd dat zij de lasten van de echtelijke woning zal gaan voldoen. Weliswaar heeft de man gesteld dat de vrouw hiertoe niet in staat is, maar het is voor de rechtbank op basis van de ingediende inkomensgegevens en de gegeven toelichting onvoldoende komen vast te staan dat de vrouw deze lasten niet zou kunnen betalen. Verder betreft deze voorlopige voorziening een tijdelijke maatregel. In de bodemprocedure zal een beslissing worden genomen wie het huurrecht zal voortzetten. In deze procedure zal daarop niet vooruit worden gelopen.
Omdat er door geen van partijen om een ingangsdatum is verzocht, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw met ingang van 4 mei 2026 gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning. De man moet de woning dus uiterlijk op zondag 3 mei 2026 hebben verlaten en hij mag deze woning vanaf 4 mei 2026 niet meer betreden.
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ;
bepaalt dat de man en genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar elke week van zaterdagochtend tot maandagavond, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan het [adres] , en beveelt de man die woning te verlaten uiterlijk op 3 mei 2026 en deze met ingang van 4 mei 2026 niet meer verder te betreden;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.