ECLI:NL:RBZWB:2026:3885

ECLI:NL:RBZWB:2026:3885

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 09-05-2026
Zaaknummer C/02/427101 / FA RK 24-4515 en C/02/428890 / FA RK 24-5385
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Afwijzing verzoek van vader tot omgang met minderjarig kind na partnerdoding. Ontzegging recht op omgang. Regie herstel omgang bij GI én alleen als de minderjarige dat wil.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummers : C/02/427101 / FA RK 24-4515

: C/02/428890 / FA RK 24-5385

Datum uitspraak: 8 april 2026

Nadere beschikking over vaststelling omgang

in de zaken over de minderjarige

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats]

hierna te noemen: [minderjarige] ,

vertegenwoordigd door:

drs. [persoon],

kantoorhoudende te [plaats] ,

als bijzondere curator over [minderjarige] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

De rechtbank merkt in beide zaken als partijen aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

gedetineerd en verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (PI) [locatie] ,

verzoeker in de zaak C/02/428890 / FA RK 24-5385,

informant in de zaak C/02/427101 / FA RK 24-4515,

advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken te Breda,

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad,

verzoeker in de zaak C/02/427101 / FA RK 24-4515,

adviseur in de zaak C/02/428890 / FA RK 24-5385 op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI,

belanghebbend in beide zaken.

1. Het verdere verloop van de procedures

In de procesdossiers in beide zaken zitten de volgende stukken:

de beschikking van deze rechtbank van 25 maart 2025 en alle daarin genoemde stukken;

het rapport en advies van 4 november 2025 van de bijzondere curator;

de brief van 19 november 2025 van de Raad;

de brief van 18 november 2025 van de GI;

de brief van 20 november 2025 van de GI;

de brief van 24 november 2025 van de GI, met bijlagen;

de brief van 11 december 2025 van mr. Van Berckel-van der Rijken;

de brief van 6 maart 2026 van de GI, met bijlagen.

Op 13 maart 2026 heeft de rechtbank de resterende verzoeken in beide zaken, met gesloten deuren, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:

de vader, bijgestaan door mr. Van Berckel-van der Rijken;

de bijzondere curator;

twee vertegenwoordigsters namens de GI;

een vertegenwoordigster namens de Raad.

De rechtbank heeft daarnaast, nu de overige aanwezigen daartegen geen bezwaar hebben geuit, bijzondere toestemming verleend aan een stagiair van mr. Van Berckel-van der Rijken om de zitting als toehoorder bij te wonen.

2. De nadere beoordeling

Inleiding

Op basis van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank allereerst de volgende feiten vast:

[minderjarige] is op [geboortedag] 2019 geboren als kind van de vader en mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).

De vader heeft [minderjarige] erkend.

De moeder is op [datum] 2024 overleden.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda heeft bij vonnis van 4 december 2025, samengevat en voor zover hier nu van belang, de vader veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar, met oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging, vanwege doodslag en mishandeling van de moeder en vanwege mishandeling van [minderjarige] . In verband hiermee is de vader momenteel gedetineerd en verblijft hij in de PI [locatie] .

De rechtbank verwijst vervolgens naar de inhoud van de in deze zaken gegeven beschikking van 25 maart 2025. Bij deze beschikking is het verzoek van de vader om hem met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, afgewezen. Daarnaast is de GI benoemd tot voogdes over [minderjarige] en is bepaald dat de GI de vader minstens eenmaal per maand over [minderjarige] dient te informeren en dat zij de vader dient te consulteren voor zover dat de voortgang bij het nemen van beslissingen over [minderjarige] niet in de weg staat. Daarnaast is mevrouw drs. [persoon] benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] . De bijzondere curator is verzocht om een onderzoek te verrichten en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren over, samengevat, de (on)mogelijkheden voor omgang en andere vormen van contact tussen de vader en [minderjarige] . In afwachting van voormeld rapport en advies van de bijzondere curator, is de beslissing over de resterende verzoeken in beide zaken pro forma aangehouden tot 4 november 2025.

De resterende verzoeken

Aan de orde is nu nog in de zaak C/02/427101 / FA RK 24-4515, het verzoek van de Raad om een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen op grond van artikel 1:242a van het Burgerlijk Wetboek (BW), nader in te vullen door de GI.

Daarnaast is nog aan de orde in de zaak C/02/428890 / FA RK 24-5385, het verzoek van de vader, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, waarbij [minderjarige] eenmaal per maand bij de vader op bezoek komt in de PI [locatie] dan wel op een andere locatie waar de vader op dat moment verblijft, althans een andere omgangsregeling te bepalen waarbij er sprake is van frequent contact tussen de man en [minderjarige] .

Het rapport en advies van de bijzondere curator

De bijzondere curator heeft in voormeld rapport en advies van 4 november 2025 en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.

De bijzondere curator stelt dat er op dit moment bij [minderjarige] , op wat voor manier dan ook, geen ruimte bestaat voor contact(herstel) met zijn vader. [minderjarige] is bang voor zijn vader en kampt hij met trauma’s en daaraan gerelateerde problematiek, vanwege alles wat hij met zijn vader heeft meegemaakt. [minderjarige] heeft momenteel veel steun en begeleiding nodig, evenals rust en stabiliteit, om overeind te blijven en om weer mee te kunnen doen in het leven. Het hebben van omgang en contact met zijn vader, en zeker het afleggen van bezoeken in de PI, zou op dit moment schadelijk zijn voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . De bijzondere curator is daarom van mening dat het contact tussen de vader en [minderjarige] pas kan worden hersteld op het moment dat [minderjarige] daar zelf klaar voor is. De bijzondere curator verwacht, met het oog op de goede betrokkenheid vanuit de GI, dat de GI goed kan inschatten wanneer [minderjarige] eventueel klaar zou zijn voor contact(herstel) met zijn vader.

Pas wanneer [minderjarige] er klaar voor is om het contact met zijn vader te herstellen én hij daartoe zelf het initiatief neemt, ziet de bijzondere curator als mogelijke eerste stap voor contact(herstel) dat de vader schriftelijk contact zal opnemen met [minderjarige] , bijvoorbeeld door het sturen van kaartjes of tekeningen. Een eventuele vervolgstap kan zijn dat de vader een korte videoboodschap opneemt die vooraf is gezien en goedgekeurd door de GI. De bijzondere curator ziet eventueel pas op de (veel) langere termijn mogelijkheden voor fysieke omgang, mits er sprake is van een goede voorbereiding. Anders kan de veiligheid en de voorspelbaarheid die [minderjarige] nodig heeft, niet worden gegarandeerd. Daarnaast is gebleken dat de vader weigert om direct contact met de GI te hebben. Ook om die reden is contact(herstel), naar de mening van de bijzondere curator, op dit moment onmogelijk. De bijzondere curator vindt het tot slot belangrijk dat de vader hulpverlening zal krijgen en accepteren die hem in staat zal stellen om de belangen van [minderjarige] voorop te (blijven) stellen en om daadwerkelijk interesse te tonen in het leven van [minderjarige] . Het gaat volgens de bijzondere curator hierbij om psychologische hulpverlening gericht op het krijgen van zelfinzicht, indien mogelijk, in een later stadium om praktische hulpverlening bij het sturen van kaarten en het reageren op kaartjes en, indien mogelijk, in een veel later stadium om omgangsbegeleiding.

Het advies van de Raad

De Raad heeft in voormeld rapport en advies van 19 november 2025 en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.

De Raad deelt het advies van de bijzondere curator dat het op dit moment te vroeg is voor contact(herstel) tussen [minderjarige] en zijn vader. De Raad vindt dat de GI eerst moet inzetten op het creëren van meer rust, stabiliteit en duidelijkheid voor [minderjarige] en op traumabehandeling. De Raad benadrukt dat de regie voor eventueel contact(herstel), in welke vorm dan ook, bij de GI moet liggen. Het belang en het tempo van [minderjarige] zijn daarbij leidend. Bovendien kan eventueel contact(herstel), naar de mening van de Raad, alleen mogelijk zijn in een begeleid en voorspelbaar kader.

Het standpunt van de GI

De GI heeft in voormelde brief van 6 maart 2026 en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.

In het verleden is er sprake geweest van isolatie, intimidatie, psychologische manipulatie, controle en ernstig fysiek geweld vanuit de vader richting de moeder én [minderjarige] . Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de moeder door de vader is gedood terwijl [minderjarige] daarbij aanwezig was. [minderjarige] is door alles wat hij heeft meegemaakt fors getraumatiseerd en angstig voor zijn vader. Bovendien bestaat het vermoeden dat [minderjarige] neurologische schade heeft opgelopen, hetgeen in de komende periode verder onderzocht zal worden. De GI heeft tot nu toe maandelijks met [minderjarige] gesproken over zijn vader, maar gezien wordt dat hij elke keer van slag raakt en dat de spanningen bij hem oplopen. De GI ziet op dit moment geen mogelijkheden voor contact tussen de vader en [minderjarige] via (beeld)bellen, omdat dit kan leiden tot triggers die de traumaproblematiek van [minderjarige] kunnen verergeren en omdat de vader daarbij niet goed kan worden begeleid. Het is dan niet mogelijk om veilig en voorspelbaar contact te creëren voor [minderjarige] . In de afgelopen anderhalf jaar tijd heeft de vader drie kaartjes gestuurd aan [minderjarige] . Deze kaartjes zijn weliswaar met [minderjarige] gedeeld en besproken, maar gezien wordt dat hij daardoor ook wordt belast. De GI stelt dat het hebben van contact met zijn vader, of zelfs het horen van zijn vaders stem, kan leiden tot onherstelbare schade in zijn ontwikkeling, zolang [minderjarige] niet de noodzakelijk geachte behandeling en hulpverlening heeft gehad zoals traumabehandeling. Dit volgt uit de conclusies van TeamNEXT. De vader heeft geen inzicht in zijn eigen aandeel in de problematiek en in de situatie waarin [minderjarige] en hijzelf zich momenteel bevinden. Ook blijft de vader vanuit de PI proberen om invloed uit te oefenen op het leven van [minderjarige] . Tot slot verloopt het contact tussen de vader en de GI momenteel moeizaam. De vader laat zich nauwelijks sturen en hij wil niet dat anderen zich met hem bemoeien of zijn kaartjes lezen. De GI is van mening dat de vader persoonlijke behandeling en begeleiding nodig heeft om te (kunnen) erkennen dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt en dat hij om die reden veel hulp nodig heeft.

De GI stelt voorop dat zij het [minderjarige] en de vader gunt om contact met elkaar te hebben, maar gezien het voorgaande ziet de GI daartoe, in welke vorm dan ook, op dit moment geen mogelijkheden. De GI verzoekt daarom om de vader zijn recht op het hebben van omgang met [minderjarige] voor onbepaalde duur te ontzeggen en om de regie over eventueel contact(herstel) bij de GI te beleggen. De GI vindt daarnaast dat de vader weliswaar het recht heeft om periodiek over [minderjarige] te worden geïnformeerd, maar dat de huidige regeling op basis waarvan de GI de vader maandelijks dient te informeren, niet in het belang van [minderjarige] is. De GI vindt het namelijk niet in het belang van [minderjarige] om hem maandelijks te (moeten) belasten door met hem in gesprek te moeten gaan over zijn vader. Daarnaast is de maandelijkse regeling niet haalbaar gebleken vanwege de belasting dat dit met zich brengt voor de GI en voor de gezinshuisouders om steeds informatie te moeten opvragen en aanleveren. De GI verzoekt daarom om de frequentie van de informatieregeling verminderen tot eenmaal per half jaar.

Het standpunt van de vader

Namens en door de vader is in voormelde brief van 11 december 2025 en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.

De vader mist [minderjarige] ontzettend en hij wil voorkomen dat zij van elkaar zullen vervreemden. De vader stelt dat [minderjarige] hem ook mist, maar ook dat [minderjarige] angstig voor hem is. Zolang er geen sprake is van contact tussen hen, zullen deze angsten niet kunnen worden weggenomen. Het liefste wil de vader fysieke omgang met [minderjarige] . Maar de vader wil in ieder geval dat er een structurele vorm van contact tussen hen zal zijn, met een duidelijk stappenplan en doel. Naar aanleiding van het rapport en advies van de bijzondere curator heeft de vader in de afgelopen maanden een aantal kaartjes gestuurd aan [minderjarige] . De vader doet zijn best om op een goede manier bij [minderjarige] aan te sluiten. Zolang fysieke omgang in de PI niet mogelijk is, kan er wellicht worden gestart met contact via (video)bellen.

De vader wil op dit moment geen direct contact met de GI hebben. Hij vindt het moeilijk dat zijn post wordt gelezen door andere mensen en hij wil niet dat de GI hem zegt wat hij wel en niet kan doen en zeggen. De vader kan dit namelijk goed zelf inschatten. Ook wil hij geen dingen aannemen die hij zelf niet kan controleren. De vader wil dat er sprake is van een samenwerking tussen hem en de GI. De vader vindt tot slot de door de GI verzochte aanpassing van de frequentie van de informatieregeling tot eenmaal per half jaar, te mager. Waar het gaat om de post, is het voor de vader belangrijk dat de GI enveloppen gebruikt met het logo en de naam van de GI er op. Alleen dan worden de brieven niet geopend binnen de PI. De GI heeft hem uitgelegd dat zij gestopt zijn met dat soort enveloppen. Er zijn er nu nog een aantal die zij gebruiken bij post aan de vader, maar die zullen opraken.

Vaststelling/ontzegging omgang

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van één van de ouders een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt het recht op omgang.

De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge artikel 1:377a, lid 3 BW slechts indien:

omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;

de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;

het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of;

indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Op grond van artikel 1:242a BW stelt de Raad bij een verdenking van partnerdoding onderzoek in naar de wenselijkheid van een omgangsregeling en verzoekt de Raad, naar aanleiding daarvan, de rechtbank om vaststelling van een omgangsregeling of ontzegging van het recht op omgang.

De bijzondere curator die in deze zaak een onderzoek heeft verricht, de Raad en de GI als voogdes over [minderjarige] , zijn unaniem. Er zijn volgens hen op dit moment geen mogelijkheden voor contact tussen de vader en [minderjarige] , in welke vorm dan ook. Het initiatief voor contact moest volgens hen bij [minderjarige] liggen, waarbij de GI beslist óf en zo ja, op welk moment en onder welke voorwaarden, er kan worden ingezet op herstel van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De Raad heeft zijn verzoek daarom gehandhaafd om een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen, in die zin dat de regeling nader dient te worden ingevuld door de GI. De rechtbank begrijpt daarnaast dat de GI in haar brief van 24 november 2025 heeft verzocht om de vader het recht op het hebben van omgang met [minderjarige] voor een onbepaalde tijd te ontzeggen. De uitkomst van deze beide verzoeken zou feitelijk hetzelfde zijn, namelijk dat er op dit moment en in de nabije toekomst geen sprake zal zijn van omgang tussen de vader en [minderjarige] , op welke manier dan ook, en dat er pas sprake kan en eventueel zal zijn van contact(herstel) tussen hen als [minderjarige] daar naar de mening van de GI zelf klaar voor is en hij daartoe zelf het initiatief neemt.

De rechtbank stelt voorop dat het duidelijk en begrijpelijk is, dat de vader de behoefte heeft om regelmatig en op een structurele manier contact met zijn zoon [minderjarige] te hebben. Bij het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] staan echter de behoefte en het tempo van [minderjarige] voorop. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven ongeveer het ergste meegemaakt wat hem had kunnen overkomen. Hij en zijn moeder zijn ernstig verwaarloosd, geïntimideerd en mishandeld door zijn vader. Dit heeft uiteindelijk zelfs geleid tot de dood van zijn moeder. [minderjarige] heeft feitelijk zijn beide ouders verloren, doordat zijn moeder door toedoen van zijn vader is overleden en zijn vader om die reden momenteel langdurig is gedetineerd. Door alles wat [minderjarige] in zijn jonge leven heeft meegemaakt, is hij fors getraumatiseerd. Daarnaast bestaat het vermoeden dat hij ook neurologische (ontwikkelings)schade heeft opgelopen. Als [minderjarige] omgang met zijn vader zou hebben of hij zelfs zijn stem zou horen zonder dat hij eerst traumabehandeling heeft gehad, kan er een onherstelbare schade aan zijn gezondheid ontstaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het hebben van omgang met zijn vader ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke en/of de lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] , waardoor wordt voldaan aan de grond voor ontzegging van het recht op het hebben van omgang zoals hiervoor genoemd in artikel 1:377a, derde lid, sub a BW. Gezien de vele stappen die [minderjarige] nog te zetten heeft in zijn (trauma)behandeling voordat er eventueel in de toekomst kan worden ingezet op contact(herstel) met zijn vader, heeft de rechtbank ook niet de verwachting dat hier binnen een afzienbare termijn verandering in zal komen. Daarbij komt nog dat dat de vader op dit moment niet bereid is om direct contact te hebben met de GI en om de nodige behandeling en hulp te accepteren om zijn eigen aandeel in de problematiek te (h)erkennen. Dit is wel een van de noodzakelijke stappen die gezet moeten worden om eventueel in de toekomst te komen tot contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] . Om deze reden bestaat niet de verwachting dat contact(herstel) binnen een afzienbare termijn mogelijk zal zijn.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van de Raad en de GI toewijzen, in die zin dat zij het recht van de vader op het hebben van omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd zal ontzeggen, met dien verstande dat de omgang pas kan worden hersteld als [minderjarige] daar naar de mening van de GI klaar voor is en hij daar zelf behoefte aan heeft en hij daartoe het initiatief neemt.

Wijziging informatieregeling

De rechtbank heeft in de vorige, in deze zaak gegeven beschikking van 25 maart 2025 onder meer bepaald dat de GI, als voogdes van [minderjarige] , de vader maandelijks schriftelijk over [minderjarige] dient te informeren. De GI heeft in haar brief van 24 november 2025 verzocht om deze regeling te veranderen, in die zin dat zij de vader voortaan eenmaal per half jaar over [minderjarige] dient te informeren.

Op grond van artikel 1:377b, eerste lid BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op de hoogte te worden gesteld over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en geraadpleegd te worden over te nemen beslissingen. De rechtbank kan een regeling hierover vaststellen. De rechtbank kan, met het oog op het bepaalde in artikel 1:377b, derde lid BW in samenhang gelezen met artikel 1:377e, eerste lid BW de getroffen informatieregeling onder andere wijzigen als er sprake is van een wijziging van omstandigheden.

De rechtbank overweegt dat bij beschikking van 25 maart 2025 de huidige informatieregeling is bepaald en dat tegelijkertijd de GI is benoemd als voogdes over [minderjarige] . De vader werd op dat moment nog slechts verdacht van mishandeling van de moeder en [minderjarige] en van het doden van de moeder. Inmiddels is de vader daartoe in eerste aanleg door de rechtbank veroordeeld, met als gevolg dat hij op dit moment meer een ouder op afstand is geworden dan hij ten tijde van de vorige beschikking was. Daar past, naar het oordeel van de rechtbank, een lagere frequentie van de informatieregeling bij. Daarnaast is gebleken dat de huidige, hoge frequentie van de informatieregeling op basis waarvan de GI de vader maandelijks dient te informeren emotioneel belastend is en voor [minderjarige] en mogelijk schadelijk met het oog op zijn nog onbehandelde traumaproblematiek. Daarnaast is gebleken en dat deze regeling praktische bezwaren oplevert voor de GI en voor de gezinshuisouders. Ook bestaat niet de verwachting dat deze feiten en omstandigheden binnen een afzienbare termijn zullen veranderen.

De rechtbank zal de bestaande informatieregeling daarom wijzigen en in de plaats daarvan bepalen dat de GI, als voogdes over [minderjarige] , de vader eenmaal per half jaar schriftelijk over [minderjarige] dient te informeren én daarbuiten als er bijzondere informatie over [minderjarige] te melden is (bijvoorbeeld een medische situatie of het halen van een schooldiploma). De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om te bepalen dat de GI viermaal per jaar (tweemaal tegelijkertijd met voormelde schriftelijke informatie en daarbuiten nog tweemaal) een aantal recente foto’s van [minderjarige] aan de vader dient te sturen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal de beslissingen over ontzegging omgang en wijziging informatieregeling (ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat deze beslissingen per direct van kracht zijn en moeten worden uitgevoerd, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.

Verdeling proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in familierechtelijke zaken dat de kosten die partijen in deze procedure hebben gemaakt tussen hen te verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank zal de kosten van partijen in deze procedure daarom op deze manier tussen hen verdelen.

Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

3. De beslissing

De rechtbank:

ontzegt de vader het recht op het hebben van omgang met [minderjarige] voor onbepaalde termijn, met dien verstande dat de omgang kan worden hersteld als dit naar de mening van de GI in het belang van [minderjarige] is en [minderjarige] daar zelf behoefte aan heeft en het initiatief toe neemt;

wijzigt de in deze zaak gegeven beschikking van 25 maart 2025 bepaalde informatieregeling en bepaalt dat de GI, als voogdes over [minderjarige] , de vader eenmaal per half jaar schriftelijk over [minderjarige] dient te informeren én daarbuiten als er bijzondere informatie over [minderjarige] te melden is, en dat de GI viermaal per jaar een aantal recente foto’s van [minderjarige] aan de vader dient te sturen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verdeelt de kosten van partijen in deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Wallerbos als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand