RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/446652 / JE RK 26-561
Datum uitspraak: 8 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[het ongeboren kind] ,
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van deze rechtbank van 31 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Aan mevrouw [persoon] , werkzaam bij [hulpverlening] , is bijzondere toegang verleend om als toehoorder bij de zitting aanwezig te zijn.De GI is op 1 april 2026 uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. Er is namens de GI echter geen vertegenwoordiger verschenen.
2. De feiten
De moeder is zwanger en is uitgerekend op [datum] 2026.
Bij beschikking van 31 maart 2026 heeft de kinderrechter het verzoek van de Raad, om het nog ongeboren kind onverwijld voorlopig onder toezicht te stellen, zonder de belanghebbende vooraf te horen, afgewezen. De behandeling van het verzoek is vervolgens aangehouden tot heden.
3. Het resterende verzoek
De Raad verzoekt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van de GI te stellen voor een periode van drie maanden en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad, samengevat, aangevoerd dat er grote zorgen zijn over de moeder en het ongeboren kind. De meeste zorgen komen voort uit de belaste voorgeschiedenis van de moeder. Daaruit blijkt dat de moeder onvoldoende in staat is om een opvoedomgeving te creëren met voldoende structuur, regelmaat en stabiliteit voor een pasgeboren kindje. De moeder verblijft momenteel in een doorstroomvoorziening, maar kan daar niet blijven als het kindje geboren is. De betrokken hulpverleners slagen er niet in om een organisatie of instantie te vinden die de noodzakelijke ondersteuning kan bieden aan de moeder en haar kindje, om een gezonde ontwikkeling van het kind te waarborgen, zowel fysiek als emotioneel. De maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk omdat er volgens de Raad een ernstig vermoeden is dat het kindje zodanig zal opgroeien dat hij/zij in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd. De Raad vindt het van belang dat er op zeer korte termijn samen met de moeder gekeken wordt naar een plan voor de bevalling én voor na de bevalling. Hiervoor zal gekeken moeten worden naar de hulpvraag van de moeder, haar eventuele mogelijkheden en onmogelijkheden. Ook zal het onderzoek in het kader van de WMO nader geduid moeten worden. Op basis hiervan kan verder onderzoek gedaan worden naar een plek waar de moeder samen met haar kindje kan gaan verblijven.
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat zij alleen het beste wil voor haar kindje. Dat blijkt ook uit haar meewerkende houding ten opzichte van de hulpverlening. In het verleden heeft de moeder zich wellicht onttrokken aan de hulpverlening, maar sinds zij bij de doorstroomvoorziening verblijft, heeft zij zich bijzonder begeleidbaar opgesteld. De moeder wil het liefste zelf voor haar kindje zorgen. Zij bestrijdt ook niet dat zij hulp en ondersteuning nodig heeft. Het is voor de moeder alleen de vraag hoe dat moet worden vormgegeven. Net als de Raad wil ook de moeder graag dat er voor haar en haar kindje een plan komt. Niet alleen voor de periode rondom de geboorte, maar ook voor de periode daarna. De moeder kan niet met haar kindje in de doorstroomvoorziening blijven wonen. Er moet voor haar een andere geschikte plaats gevonden worden. De moeder verzet zich dan ook niet tegen het verzoek van de Raad. De moeder beseft dat een ondertoezichtstelling van haar ongeboren kind het mogelijk maakt dat er snel hulp geregeld kan worden. Ze is echter wel bang dat de focus komt te liggen op haar verleden en niet op haar huidige meewerkende houding. De betrokkenheid vanuit de [hulpverlening] is groot, maar de GI heeft een groter bereik binnen de hulpverlening. De moeder hoopt dat de GI in staat is om op korte termijn voor haar een geschikte ouder-kindplaats te vinden. De moeder ziet in de afwezigheid van de GI geen belemmering om een beslissing op het verzoek te nemen, nu de Raad heeft toegezegd dat er meteen contact zal worden opgenomen met de betrokken raadsonderzoekers en de GI, om een jeugdbeschermer aan de moeder toe te wijzen. Het is voor de moeder belangrijk dat zij door de GI wordt meegenomen in het opstellen van het plan van aanpak en dat dit zo snel mogelijk gebeurt. Door de onzekerheid over haar toekomst, heeft de moeder last van harde buiken. De moeder kan zich gedurende het verblijf binnen de doorstroomvoorziening ook niet praktisch voorbereiden op de komst van haar kindje. Zij kan bijvoorbeeld geen spullen voor het kindje kopen. Zij probeert echter positief te blijven en zich te richten op het traject dat de GI voor haar gaat inzetten.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn/haar belang is. De kinderrechter is van oordeel dat het nog ongeboren kind als geboren moet worden aangemerkt, omdat het belang van het kind dit nodig maakt. De reden daarvoor is dat er zorgen zijn over het welzijn van het kind, nu en na de geboorte.
De kinderrechter is verder van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
In artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:257 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een GI indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor het nog ongeboren kind weg te nemen. De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat de moeder veel heeft meegemaakt en op dit moment in een doorstroomvoorziening verblijft. Zij kan hier na de bevalling niet blijven. De moeder heeft geen steunend netwerk en er is geen zicht op een plek waar zij en het kindje na de bevalling kunnen verblijven. Hoewel de moeder op dit moment goed meewerkt met de hulpverlening, lukt het deze hulpverlening niet om een passende plek te vinden. Complicerende factor is dat er op basis van een onderzoek van de gemeente grote zorgen zijn over de zelfredzaamheid van de moeder. Volgens dit onderzoek zou de moeder aangewezen zijn op een voorziening met 24-uurszorg, hetgeen door de moeder wordt betwist. Met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat dit in het kader van de WMO uitgevoerde onderzoek nader geduid zal moeten worden. Om de moeder te ondersteunen en de noodzakelijke hulpverlening in te kunnen zetten is betrokkenheid van een jeugdbeschermer nodig.Het is van groot belang dat de jeugdbeschermer voortvarend aan de slag gaat met de moeder om een plan te maken voor de geboorte en voor het verblijf van de moeder en het kindje na de geboorte. Een plek voor de moeder en het kind in een moeder kind-huis lijkt aangewezen te zijn. De kinderrechter acht het in het belang van het kind dat zij samen in deze beschermde omgeving een goede start kunnen maken. Gelet op het voorgaande wordt aan de wettelijke criteria voor een voorlopige ondertoezichtstelling voldaan. Daarom zal de kinderrechter het ongeboren kind voorlopig onder toezicht stellen voor de duur van drie maanden.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
Aangezien de maatregel tot voorlopige ondertoezichtstelling van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, is het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren daarvan niet nodig.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
stelt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 8 april 2026 tot 8 juli 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 8 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.