RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446167 / JE RK 26-464
Datum uitspraak: 8 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats 2] (Duitsland),
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2015 te [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: voorheen mr. M. Kalle te Middelburg (onttrokken per 3 april 2026),
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026;
het e-mailbericht van de vader, ontvangen op 3 april 2026;
de brief van de moeder, ontvangen op 7 april 2026.
Op 8 april 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/445725 / JE RK 26-376 tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
Verschenen en gehoord zijn:
de moeder;
twee vertegenwoordigsters van de GI.
De vader is, met bericht van afmelding, niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
Bij beschikking van 15 april 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 april 2025 en tot 15 april 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen:
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in de oneven weken bij de vader van vrijdag tot en met zondag;
- Op vrijdag vangt de zorg aan bij de vader vanaf einde schooltijden;
- [minderjarige 3] wordt door de vader opgehaald van school om 12.15 uur;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan na schooltijd zelfstandig per fiets naar [plaats 2] ;
- De moeder brengt op vrijdag de spullen van de kinderen naar de vader tussen 11.00 en 13.00 uur. De moeder informeert de vader vooraf het precieze tijdstip én komt deze vervolgens na;
- Op zondag in de oneven week eindigt de zorg bij de vader;
- De vader brengt [minderjarige 3] , de hond en de spullen terug naar de moeder;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan op zondag zelfstandig per fiets terug naar de moeder;
- De overdracht vindt plaats op zondagavond om 19.30 uur;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in de oneven jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de moeder;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in de oneven jaren de eerste week van de meivakantie bij de vader;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in de even jaren de eerste week van de meivakantie bij de moeder;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in de oneven jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vader;
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder;
- De overdracht vindt plaats op dezelfde dag en tijd als gebruikelijk is buiten de vakanties om.
4. De beoordeling
De kinderrechter overweegt als volgt. Voorafgaand aan de zitting is de kinderrechter ambtshalve gebleken dat er op dit moment een familierechtelijke procedure omtrent de echtscheiding en de verdeling aanhangig is bij deze rechtbank, bekend onder de zaaknummers C/02/411820/ FA RK 23-3323 en C/02/441834/FA RK 25-5837. De verzoeken in deze procedure zijn op 5 maart 2026 mondeling behandeld en hier zal op korte termijn op worden beslist. Omdat in de familierechtelijke procedure ook zal worden beslist over de zorgregeling, oordeelt de kinderrechter het op dit moment niet passend om te beslissen op het voorliggende verzoek van de GI. De kinderrechter zal het verzoek daarom afwijzen. De GI zal, met inachtneming van de beslissing over de zorgregeling in de familierechtelijke procedure, zonodig, als de situatie van de kinderen daarom vraagt, opnieuw een verzoek tot wijziging van de zorgregeling kunnen indienen.
5. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 22 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.