RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446901 / JE RK 26-611
Datum uitspraak: 8 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] , gemeente Halderberge,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad van 8 april 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] staat in de BasisRegistratie Personen ingeschreven op het adres van de moeder en verblijft voornamelijk bij de moeder. [minderjarige] en de vader hebben contact met elkaar. Er is geen sprake van een officiële zorgregeling.
De moeder is op 5 of 6 april 2026 samen met [minderjarige] naar het buitenland gegaan zonder toestemming van de vader. De vader heeft aangifte van onttrekking aan het ouderlijk gezag gedaan.
In de nacht van 7 op 8 april 2026 is de moeder door de politie aangehouden in Gelderland vanwege een OAT van [minderjarige] . De moeder is overgebracht naar het politiebureau in Arnhem en is in verzekering gesteld. De moeder wordt op 10 april 2026 voorgeleid.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling van het verzoek op zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
Op grond van de door de Raad mondeling gegeven informatie, zoals ook weergegeven in de schriftelijke bevestiging daarvan, stelt de kinderrechter vast dat er sprake is van een situatie waarin de behandeling van de verzoeken van de Raad op zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] .
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
De moeder heeft [minderjarige] meegenomen naar het buitenland, zonder toestemming van de vader, die ook het ouderlijk gezag over [minderjarige] heeft. De moeder is, nadat zij met [minderjarige] terug naar Nederland is gekomen, aangehouden door de politie. Na haar aanhouding heeft de moeder zorgelijke uitspraken gedaan over het neersteken van mensen en over het opnieuw vertrekken met [minderjarige] naar het buitenland. Dit (vlucht)gevaar van de moeder wordt als reëel gezien door Veilig Thuis en de recherche. Daarnaast zijn er al langere tijd zorgen over de situatie van [minderjarige] bij de moeder thuis; de moeder is onvoorspelbaar, er is sprake van schoolverzuim van [minderjarige] , de moeder houdt hulpverlening af terwijl hulpverlening wel noodzakelijk wordt geacht, er is mogelijk sprake van drugsgebruik door de moeder en daarnaast is [minderjarige] regelmatig getuige van conflictsituaties tussen de ouders.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de voorwaarden van een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. Er zijn zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder en over haar veiligheid. Door zonder toestemming van de vader samen met [minderjarige] naar het buitenland te gaan, handelt de moeder niet in het belang van [minderjarige] . Het risico dat [minderjarige] door de moeder opnieuw wordt meegenomen naar het buitenland is groot gezien de uitspraken die de moeder, ook na haar aanhouding, hierover heeft gedaan. Met de veiligheid van [minderjarige] mag geen enkel risico worden genomen. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal daarom op grond van artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voorlopig onder toezicht worden gesteld van de GI, vooralsnog voor een termijn van twee weken, te weten met ingang van 8 april 2026 tot22 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Ook is het dringend en onverwijld noodzakelijk dat [minderjarige] in het belang van haar verzorging en opvoeding met spoed uit huis wordt geplaatst (artikel 1:265b, eerste lid, van het BW) zodat direct in haar veiligheid wordt voorzien. Nu de moeder in voorlopige hechtenis zit en zij op 10 april 2026 wordt voorgeleid, kan zij op dit moment niet voor [minderjarige] zorg dragen. De moeder is wisselend over een verblijf van [minderjarige] bij de vader. Zij stemt hier niet eenduidig mee in, terwijl een plaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment het meest in haar belang wordt geacht. Gelet hierop en gehoord de zorgelijke uitspraken die de moeder heeft gedaan over het opnieuw meenemen van [minderjarige] naar het buitenland is het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk om de plaatsing van [minderjarige] bij de vader te waarborgen. Bovendien heeft de vader aangegeven de zorg voor [minderjarige] niet op zich te durven te nemen zonder kinderbeschermingsmaatregel van [minderjarige] . Belangrijk is dat er meer zicht komt op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder en dat onderzocht wordt wat er nodig is om [minderjarige] veilig en verantwoord bij de moeder terug te laten keren of dat een plaatsing van [minderjarige] elders meer in haar belang moet worden geacht. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zal eveneens worden verleend voor de duur van twee weken, te weten ingang van 8 april 2026 tot 22 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Verdere beslissingen op de verzoeken van de Raad zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden. Daarbij behoudt de kinderrechter zich iedere verdere beslissing voor. De Raad, de moeder, de vader en de GI worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen zitting.
Op basis van de pilot kosteloze rechtsbijstand zal aan de moeder een advocaat worden toegewezen om aan haar rechtsbijstand te verlenen voor de verzoeken van de Raad.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 8 april 2026 tot 22 april 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 8 april 2026 tot 22 april 2026;
verklaart de beslissing tot uithuisplaatsing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van de verzoeken van de Raad voor het overige aan;
roept de Raad, de moeder, de vader en de GI op te verschijnen tijdens de zitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10 te Breda op 17 april 2026 om 9:00 uur bij mr. Phillips, teneinde te worden gehoord;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de Raad, de moeder, de vader en de GI;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven op 8 april 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, en schriftelijk vastgelegd in deze beschikking en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.