beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/406668 / FA RK 23-859
datum uitspraak: 13 april 2026
beschikking over een omgangsregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011;- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013;
- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013;
- [minderjarige 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2014;
- [minderjarige 5], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2017, hierna: [minderjarige 5] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 20 februari 2023 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het door mr. Burlet op 9 maart 2023 ingediende F9-formulier met bijlagen;
- het op 12 juni 2023 ontvangen aanvullende verzoek;
- het door mr. Burlet op 14 juni 2023 ingediende F9-formulier met bijlage;
- het door mr. Kouijzer op 16 juni 2023 ingediende F9-formulier;
- het door mr. Burlet op 16 juni 2023 ingediende F9-formulier met bijlage;
- het door mr. Burlet op 11 december 2023 ingediende F9-formulier met bijlagen;
- het door mr. Kouijzer op 12 december 2023 ingediende F9-formulier met bijlage;
- het proces-verbaal van 19 maart 2024;
- het bericht van de GI van 19 juli 2024 met bijlagen;
- het door mr. Burlet op 2 augustus 2024 ingediende F9-formulier;
- het door mr. Kouijzer op 6 augustus 2024 ingediende F9-formulier;
- het door mr. Burlet op 10 februari 2025 ingediende F9-formulier met bijlagen;
- het door mr. Kouijzer op 11 februari 2025 ingediende F9-formulier;
- het door mr. Burlet op 31 juli 2025 ingediende F9-formulier met bijlagen;
- het door mr. Kouijzer op 12 augusts 2025 ingediende F9-formulier;
- het door mr. Burlet op 9 februari 2025 ingediende F9-formulier met bijlage;
- het door mr. Kouijzer op 10 februari 2026 ingediende F9-formulier met bijlage;
- het door mr. Burlet op 24 maart 2026 ingediende F9-formulier met bijlage;
- het door mr. Kouijzer op 25 maart 2026 ingediende F9-formulier.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] geboren.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 juli 2016 zijn
partijen gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag
over [minderjarige 5] uit.
Bij beschikking van 15 juni 2016 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bepaald dat er een omgangsregeling zal gelden tussen de man en de oudste vier minderjarigen. In het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2022 heeft de rechtbank bepaald dat er een voorlopige regeling zal gelden, waarbij de minderjarigen elke dinsdag na schooltijd tot 18.30 uur (tot na het avondeten) als ook iedere zondag van 13.00 uur tot 18.30 uur (tot na het avondeten) bij de man thuis verblijven. Deze regeling geldt ook in de vakanties, dan van 13.00 uur tot 18.30 uur. De rechtbank heeft hierbij tevens bepaald dat in het begin van het contactmoment, het eerste half uur, er begeleiding aanwezig zal zijn van [persoon 1] (een vriendin van partijen) of haar partner.
3. Het verzoek en de beoordeling
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen de beschikking van 15 juni 2016 met betrekking tot de omgangsregeling te wijzigen in die zin dat de man omgang zal hebben met de minderjarigen, gedurende één dag per week, onder begeleiding van een professionele instantie, dan wel een regeling welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
Bij aanvullend verzoek, verzoekt de vrouw tevens te bepalen dat de man bij alle vormen van communicatie - zowel mondeling als schriftelijk - welke hij heeft met de kinderen gezamenlijk of één van de kinderen afzonderlijk, zich dient te onthouden van negatieve uitlatingen over de vrouw, het betreffende kind zelf, de andere kinderen van het gezin, familieleden en andere voor de kinderen belangrijke personen.
Op 24 maart 2026 heeft mr. Burlet de rechtbank laten weten dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen. Partijen zijn de volgende omgangsregeling overeengekomen:
- de ene week verblijven [minderjarige 5] en [minderjarige 4] van woensdag 14:30 uur tot donderdag 19:00 uur bij de man en verblijven [persoon 2] en [minderjarige 2] bij de man op zaterdag van 14:00 uur tot 19:00 uur;
- de andere week verblijven [persoon 2] en [minderjarige 2] van woensdag 14:30 uur tot donderdag 19:00 uur bij de man en verblijven [minderjarige 5] en [minderjarige 4] bij de man op zaterdag van 14:00 uur tot 19:00 uur;
- in de week dat [minderjarige 5] op woensdag niet bij de man verblijft, verblijft hij wel op maandag van 14:30 uur tot dinsdagochtend bij de man, waarbij de man ervoor zorgdraagt dat [minderjarige 5] op dinsdag tijdig op school aanwezig is;
- in de week dat [minderjarige 5] op woensdag bij de man verblijft, verblijft [minderjarige 5] daarnaast op de maandag van 14:30 uur tot 19:00 uur bij de man. [minderjarige 5] overnacht bij de vrouw.
Met betrekking tot [minderjarige 1] zijn partijen overeengekomen dat, gezien haar leeftijd en de mogelijkheid voor [minderjarige 1] om vrijelijk tussen ouders heen en weer te gaan, dat zij geen
regeling wensen op te nemen voor [minderjarige 1] . Het uitgangspunt van partijen en [minderjarige 1] is dat [minderjarige 1] naar de man toe kan gaan op momenten dat zij dat wenst. De vrouw verzoekt de overeengekomen regeling zoals hierboven omschreven op te nemen in een beschikking. Wat betreft de vrouw hoeft de mondelinge behandeling die staat gepland op 22 juni 2026, gezien partijen zijn overeengekomen, geen doorgang te vinden.
Op 25 maart 2026 heeft mr. Kouijzer de rechtbank laten weten dat ze het bericht van mr. Burlet bevestigt. Ze verzoekt de in haar brief genoemde regeling vast te leggen in een beschikking. Wat de man betreft hoeft de mondelinge behandeling van 22 juni 2026 niet door te gaan.
De rechtbank begrijpt dat partijen overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal, nu de afspraak tussen partijen niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, overeenkomstig de overeenstemming tussen partijen beslissen, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat zij het in het belang van de minderjarigen vindt dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 15 juni 2016, als volgt:
- de ene week verblijven [minderjarige 5] en [minderjarige 4] van woensdag 14:30 uur tot donderdag 19:00 uur bij de man en verblijven [persoon 2] en [minderjarige 2] bij de man op zaterdag van 14:00 uur tot 19:00 uur;
- de andere week verblijven [persoon 2] en [minderjarige 2] van woensdag 14:30 uur tot donderdag 19:00 uur bij de man en verblijven [minderjarige 5] en [minderjarige 4] bij de man op zaterdag van 14:00 uur tot 19:00 uur;
- in de week dat [minderjarige 5] op woensdag niet bij de man verblijft, verblijft hij wel op maandag van 14:30 uur tot dinsdagochtend bij de man, waarbij de man ervoor zorgdraagt dat [minderjarige 5] op dinsdag tijdig op school aanwezig is;
- in de week dat [minderjarige 5] op woensdag bij de man verblijft, verblijft [minderjarige 5] daarnaast op de maandag van 14:30 uur tot 19:00 uur bij de man. [minderjarige 5] overnacht bij de vrouw.
- met betrekking tot [minderjarige 1] wordt geen regeling bepaald, gezien haar leeftijd en de mogelijkheid voor [minderjarige 1] om vrijelijk tussen de ouders heen en weer te gaan. Het uitgangspunt is dat [minderjarige 1] naar de man toe kan gaan op momenten dat zij dat wenst;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 door mr. De Beer, rechter, en in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.