RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445729 / JE RK 26-378
Datum uitspraak: 8 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. C.M.M. Mikkers uit Heeze,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 maart 2026;
het bericht van de vader, ontvangen op 2 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 april 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 januari 2026 gewijzigd de bij beschikking van 14 januari 2025 vastgestelde regeling betreffende de
verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat de vader en [minderjarige]
voorlopig gerechtigd zijn tot op professionele wijze begeleide omgang met elkaar op een neutrale locatie, zo mogelijk ook bij de vader thuis, waarbij onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] bij de vader thuis als einddoel voor ogen moet worden gehouden, zulks onder regie van de GI. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden tot 3 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd. [minderjarige] is een meisje met het syndroom van Down en een licht verstandelijke beperking. Er zijn zorgen over haar ontwikkeling en veiligheid. [minderjarige] heeft in haar leven meerdere onvoorspelbare en onveilige situaties meegemaakt. Hierdoor is er sprake van traumagerelateerde problematiek. Op dit moment gaat [minderjarige] niet naar school omdat zij agressief is geweest. Aankomende maandag wordt samen met school gekeken naar een plan. Daarnaast is er bij beide ouders spraken van beperkingen. De vader heeft een autismespectrumstoornis. Dit zorgt voor miscommunicatie met de moeder en instanties, wat bij de vader kan leiden tot agressief verbaal geweld waardoor de zorg voor [minderjarige] in gevaar wordt gebracht en weg kan vallen. Hij is hierin moeilijk te remmen. Hierdoor zijn in de afgelopen jaren veel hulpverleners geweest. De vader krijgt langdurige ambulante begeleiding vanuit [hulpverlening] . [minderjarige] en de vader hebben begeleide omgang door [opleidingscentrum] , eens per twee weken. De vader staat hier niet achter en zegt de omgang vaak af wat de opbouw vertraagd. Op dit moment wordt gezocht naar een nieuwe locatie voor de omgang.
Daarnaast heeft de moeder een licht verstandelijk beperking en er is sprake van PTSS. Zij is wisselend in haar emoties en kan impulsief handelen. Er is sprake van wisselende motivatie ten opzichte van ambulante pedagogische ondersteuning. [minderjarige] is voldoende veilig in de opvoedsituatie bij de moeder. Wel zijn er zorgen over de draagkracht van de moeder omdat [minderjarige] veel van haar opvoeders vraagt. De moeder wordt ondersteund door haar volwassen kinderen. De GI maakt zich zorgen dat [minderjarige] zich niet optimaal kan ontwikkelen binnen haar mogelijkheden en klem komt te zitten tussen de ouders als noodzakelijke hulp door het handelen van de ouders stagneert. Het is gezien de aard van de beperking van [minderjarige] , haar emotionele kwetsbaarheid en de complexe thuissituatie noodzakelijk dat zij doorstroomt in een kleinschalige woonvoorziening met 24-uurszorg. De grote aanbieders hebben op dit moment geen plek. [minderjarige] zal daarom worden aangemeld bij kleinschalige aanbieders. De GI handhaaft het verzoek voor de duur van twaalf maanden. Als de kinderrechter daar niet in meegaat is er geen bezwaar tegen een tussentijds toetsmoment.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat de moeder zij begrijpt dat een ondertoezichtstelling nodig is. Er zijn zorgen over [minderjarige] en zij wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De afgelopen tijd zijn er echter dingen gebeurd waardoor zij twijfelt of een ondertoezichtstelling nog wel een meerwaarde heeft. Vorige maand is [minderjarige] door een taxichauffeur van het busje dat haar naar school brengt en haalt geslagen omdat [minderjarige] aan zijn stuur trok. De GI heeft toen niet gehandeld. De moeder kan sowieso moeilijk in contact komen met de GI en afspraken worden door de GI niet nagekomen. De moeder maakt zich veel zorgen. Haar draagkracht is beperkt nu de volwassen kinderen uit huis zijn en zij de zorg voor [minderjarige] alleen moet dragen. Tot op heden is er nog steeds geen plek gevonden voor [minderjarige] . De moeder probeert zelf hulpverlening te organiseren of een plek te zoeken voor [minderjarige] maar wordt dan geconfronteerd met het feit dat er een jeugdbeschermer is betrokken. Om druk op te ketel te zetten en duidelijkheid te krijgen over de toekomst van [minderjarige] verzoekt de moeder om de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden toe te wijzen en voor het overige af te wijzen.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij het niet eens is met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling is niet helpend en heeft geen meerwaarde. De GI handelt niet in het belang van [minderjarige] , zo blijkt ook het incident met de taxichaffeur. Het verzoekschrift staat vol met leugens en bedrog. Hij benadrukt dat er nooit iets ongepast tussen hem en [minderjarige] is gebeurd. De vader is gefrustreerd dat afspraken niet worden nagekomen. De omgang tussen de vader en [minderjarige] is ondanks dat de stafzaak is geseponeerd en [opleidingscentrum] de omgang begeleid niet opgebouwd. De vader ziet een opbouw voor zich waarbij wordt gestart met beeldbellen en wordt toegewerkt naar omgang bij hem thuis. De GI dient zich wat betreft de omgang te schikken naar de agenda van de vader.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] is een vijftienjarig meisje met het syndroom van Down en een licht verstandelijke beperking. Momenteel zit zij thuis van school na een incident waarbij zij fysiek agressief is geweest, hetgeen haar ontwikkeling verder onder druk zet. [minderjarige] woont bij de moeder, maar duidelijk is dat [minderjarige] meer van haar opvoeders vraagt dan de moeder aankan. De draagkracht van de moeder is beperkt, zeker nu haar volwassen kinderen uit huis zijn. Daarnaast hebben beiden ouders hun eigen beperkingen. De kinderrechter onderschrijft dan ook het belang van een passende plek voor [minderjarige] . Als duidelijk is dat grote aanbieders zoals [zorgaanbieder 1] en [zorgaanbieder 2] niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn plek hebben, dan is dringende aanmelding bij andere kleinere instanties noodzakelijk om er voor te zorgen dat [minderjarige] in ieder geval op een wachtlijst komt. Het is juist voor een meisje als [minderjarige] , maar ook voor deze ouders van belang dat er duidelijkheid is over het toekomstperspectief van [minderjarige] . Wat ook heel belangrijk is voor [minderjarige] en voor haar ontwikkeling is dat er verbetering komt in het contact met de vader. De contacten zijn nog summier en begeleid. De kinderrechter verwacht van de GI dat wordt bezien hoe de contacten op een verantwoorde wijze kunnen worden vormgegeven. De kinderrechter benadrukt daarbij het belang van een goede samenwerking, hoe moeilijk dit voor de vader misschien soms is.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders zijn beiden zeer betrokken bij [minderjarige] en willen wat voor haar het beste is. De communicatie tussen hen beiden verloopt echter wisselend en ook verschillen zij soms van visie over wat goed is voor [minderjarige] . Boven is de problematiek van [minderjarige] complex. Om die reden acht de kinderrechter het in belang van [minderjarige] dat een gezaghebbende derde, de GI, de belangen van [minderjarige] blijft waarborgen en waar nodig belangrijke beslissingen over haar kan nemen. Daarbij is het wel van belang dat beiden ouders worden meegenomen in de stappen die worden gezet en de beslissingen die worden genomen. Dit bevordert hopelijk ook de samenwerking.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. De situatie is de afgelopen periode onvoldoende verbeterd en er moet nog worden gewerkt aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld. De komende periode moeten daadwerkelijk stappen worden gezet. Op de eerste plaats ten aanzien van het toekomstperspectief van [minderjarige] maar ook andere zaken zoals schoolgang en het contact met de vader zijn van belang. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij voortvarend te werk zal gaan. Een aanhouding of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek is gelet op dit alles niet aan de orde.
Tot slot geeft de kinderrechter de ouders mee dat indien er sprake is van een geschil en het niet lukt om in onderling overleg tot een oplossing te komen, zij dit geschil aan de kinderrechter kunnen voorleggen (artikel 1:262b BW). Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de moeder of de vader vindt dat er iets niet gebeurd, wat in het belang van [minderjarige] wel moet gebeuren.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 15 april 2026 tot 15 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.