RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445762 / JE RK 26-389
Datum uitspraak: 8 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
[minderjarige 2] woont bij haar moeder en [minderjarige 1] woont bij zijn vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing naar het rapport van 4 maart 2026. De grootste zorg is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] chronisch worden belast met de scheidingsproblematiek van de ouders. De kinderen ervaren loyaliteitsproblemen, waarbij de kinderen onvoldoende onbelast contact hebben met de ouders. Ook is er dreigend contactverlies tussen de moeder en [minderjarige 1] . De school van de kinderen geeft bovendien aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vaak vermoeid en somber zijn. De Raad maakt zich ook zorgen over het middelengebruik van de moeder en haar partner. De moeder is daar tegenover de Raad niet eerlijk over geweest. Bij de vader zijn er zorgen over het opvoedhandelen. De vader heeft namelijk onvoldoende inzicht in de impact die zijn gedrag heeft op de kinderen. De ouders zitten in een patroon waarbij de agressie van de vader zorgt voor angst bij de moeder. Hierdoor verloopt de samenwerking tussen de ouders onvoldoende. De Raad verwijst verder naar de doelen uit het rapport van 4 maart 2026. Om deze doelen te behalen is het nodig dat de MASIC wordt afgenomen. Afhankelijk van de uitkomst van de MASIC dient er gespecialiseerde hulpverlening ingezet te worden. Daarnaast moet een ouderschapsplan en veiligheidsafspraken worden gemaakt. Ook moeten urinecontroles voor de moeder en haar partner ingevoerd worden en moeten de kinderen een eigen vertrouwenspersoon krijgen. De Raad adviseert tot slot de schottenaanpak.
[minderjarige 1] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat hij bij de vader woont en hij gaat naar zijn moeder als hij daar zin in heeft. [minderjarige 1] vindt dat hij niet zelf moet beslissen wanneer hij naar zijn moeder toe gaat. De volwassenen moeten hierover afspraken maken. [minderjarige 2] gaat de ene week naar de moeder en de andere week naar de vader. Deze regeling is ook een optie voor [minderjarige 1] . In het verleden heeft [minderjarige 1] aangegeven dat hij niet meer naar zijn moeder wilde. Dat is nu niet meer het geval. [minderjarige 1] kan goed opschieten met [persoon 1] , de nieuwe partner van zijn vader. De kennismaking met de nieuwe partner van zijn moeder, [persoon 2] , vond [minderjarige 1] niet prettig. Verder praat [minderjarige 1] elke week met [persoon 3] van [hulpverlening] . Dat vindt [minderjarige 1] fijn. Het is prima voor [minderjarige 1] als er opnieuw een jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin.
De moeder staat achter het verzoek van de Raad. Door een negatieve ervaring met de vorige jeugdbeschermer zijn er nog wel twijfels bij de moeder over de ondertoezichtstelling, maar de moeder wil graag rust en stabiliteit voor de kinderen en voor haarzelf. De moeder staat ook open voor urinecontroles.
De vader staat achter het verzoek van de Raad. De vader hoopt dat een jaar ondertoezichtstelling voldoende zal zijn.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. Het is belangrijk om na te gaan wat er tijdens de vorige ondertoezichtstelling is geprobeerd en waarom het niet is gelukt in het vrijwillig kader. De GI heeft direct twee jeugdbeschermers beschikbaar.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd, omdat er veel zorgen zijn over de opvoedsituatie van de kinderen. De kinderen worden al een lange tijd belast met de scheidingsproblematiek van hun ouders en de spanningen die dit met zich meebrengt. De eerdere ondertoezichtstelling heeft hier onvoldoende verandering in gebracht. De kinderen zitten nog steeds klem tussen de ouders, hetgeen grote gevolgen kan hebben voor de emotionele ontwikkeling, hechting en identiteitsontwikkeling. De kinderrechter vindt het belangrijk dat beide kinderen onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Dat betekent ook dat het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] gewaarborgd moet worden. Afspraken hierover moeten duidelijk zijn en niet worden bepaald door [minderjarige 1] . De kinderrechter maakt zich bovendien zorgen over het door de Raad genoemde middelengebruik van de moeder en haar partner. Daarnaast bestaan er zorgen over het opvoedhandelen van de vader en zijn emotieregulatie.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders onvoldoende lukt om de impact van het eigen handelen op de kinderen in te zien. Dit maakt dat het de ouders niet lukt om in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de benodigde hulp aan te gaan. De ouders kunnen door de onderlinge dynamiek niet tot samenwerking en vertrouwen komen. Stevige regie is nodig om het patroon van de ouders te doorbreken en te zorgen voor een veilige opvoedomgeving voor de kinderen.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een fysiek en emotionele veilige, stabiele en
voorspelbare opvoedsituatie waarin er responsief en sensitief op hun behoeften
wordt ingespeeld;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren duidelijkheid over de zorg- en omgangregeling; zij
weten precies wanneer zij bij wie zijn;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren duidelijkheid en waar nodig begrenzing over hoe het
contact met de ouder is waarbij ze niet verblijven;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren vrijheid en ruimte om de band met hun beide ouders
te onderhouden en hun loyaliteit naar beide ouders vorm te geven;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren een constructieve communicatie tussen ouders en
horen ouders positief of ten minste neutraal en met respect over en met elkaar
spreken;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren ouders die hun eigen emoties rondom de scheiding en
de gebeurtenissen daarna hebben verwerkt en niet handelen/communiceren
vanuit teleurstelling, boosheid en/of onbegrip;
- Ouders stellen zich betrouwbaar en begeleidbaar op en komen gemaakte
afspraken met elkaar en anderen na en stellen het ouderschap van [minderjarige 1] en
[minderjarige 2] centraal.
Zoals de Raad heeft geadviseerd is het van groot belang dat de MASIC wordt ingezet, dat urinecontroles bij de moeder en haar partner worden ingevoerd en dat de kinderen een eigen vertrouwenspersoon krijgen.
De ouders zien in dat de situatie moet veranderen. De kinderrechter vindt dit positief, maar geeft ook mee dat er open- en eerlijkheid van hen wordt verwacht richting de jeugdbeschermers.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 8 april 2026 tot 8 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.