RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445725 / JE RK 26-376
Datum uitspraak: 8 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg ,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats 2] (Duitsland),
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2015 te [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: voorheen mr. M. Kalle te Middelburg (onttrokken per 3 april 2026),
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 1] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 maart 2026.
Op 8 april 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/446167 / JE RK 26-464 tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
Verschenen en gehoord zijn:
- de moeder;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De vader is, met bericht van afmelding, niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
Bij beschikking van 15 april 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 april 2025 en tot 15 april 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. Hoewel de GI ziet dat beide ouders het beste willen voor de minderjarigen en elkaar tijd met de minderjarigen gunnen, heeft de GI ook nog zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen die maken dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is. Er wordt namelijk gezien dat de vader en de moeder vermoeid en overspannen zijn en dat de onderlinge communicatie door de afwikkeling van de echtscheiding nog moeizaam verloopt. Er is tussen de ouders sprake van een patroon waarin de moeder vanuit haar behoefte aan duidelijkheid geneigd is om deadlines te stellen of beslissingen te nemen, hetgeen weerstand veroorzaakt bij de vader. Dit veroorzaakt veel onrust, terwijl beide ouders juist behoefte hebben aan duidelijkheid en structuur. Het is daarbij soms lastig aan de moeder uit te leggen dat haar behoefte aan duidelijkheid niet leidend is omdat ook rekening moet worden gehouden met het belang van de minderjarigen en de vader. Doordat de echtscheidingsprocedure nog niet is afgerond, heeft de GI in de afgelopen periode weinig stappen kunnen zetten. Zodra de echtscheiding is afgerond, wil de GI ouderschapsbemiddeling inzetten zodat de ouders tot een ouderschapsplan kunnen komen. Ook wil de GI in de komende periode goed kijken naar de ontwikkeling van de minderjarigen en bezien of er begeleiding voor de moeder kan worden ingezet om haar te ondersteunen.
[minderjarige 1] vindt de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig. Hij heeft namelijk niet het gevoel dat de ondertoezichtstelling effect heeft. Omdat hij weinig tijd heeft en niet het gevoel heeft dat een gesprek met de jeugdbeschermer hem iets gaat opleveren, wil hij liever geen contact met de jeugdbeschermer. Hulpverlening vindt [minderjarige 1] evenmin nodig. Het gaat namelijk goed met hem en hoewel de situatie tussen zijn ouders ingewikkeld is en [minderjarige 1] merkt dat er spanningen zijn tussen zijn ouders, kan hij hier tot nu toe goed mee om gaan. Over de thuissituatie van zijn moeder vertelt [minderjarige 1] dat de moeder veel bezig is met de verschillende rechtszaken, waardoor zij met momenten onvoldoende aandacht heeft voor andere dingen. Over de thuissituatie van zijn vader vertelt [minderjarige 1] dat het goed gaat. Hij is op dit moment om het weekend bij zijn vader en deze regeling vindt hij fijn. Hoewel hij zijn vader best weinig ziet en graag meer bij zijn vader zou willen zijn, zou [minderjarige 1] het tegelijkertijd ook lastig vinden als hij tijdens een schoolweek steeds moet wisselen tussen de ouders.
[minderjarige 2] merkt tot nu toe weinig van de betrokkenheid van de GI. Er is tot nu toe weinig veranderd en [minderjarige 2] merkt dat de communicatie tussen haar ouders nog steeds niet goed verloopt, onder meer doordat er nog steeds spanningen zijn bij de overdrachtsmomenten. Dit vond zij aanvankelijk erg lastig, maar inmiddels is zij hier aan gewend geraakt waardoor zij hier beter mee kan omgaan. Over de thuissituatie van de moeder verklaart [minderjarige 2] dat het wisselend gaat. Haar moeder is namelijk soms erg druk met het opstellen van stukken voor een rechtszaak of voor een deadline. [minderjarige 2] merkt dat dit stress veroorzaakt bij de moeder, maar benoemt dat het verder goed gaat in de thuissituatie van haar moeder. Ook bij haar vader gaat het goed. [minderjarige 2] verblijft sinds een paar weken om de week van vrijdag na school tot dinsdag voor school bij haar vader. Dit vindt zij een fijne regeling en [minderjarige 2] zou deze regeling graag willen voortzetten.
[minderjarige 3] vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig. Het gaat namelijk goed. Hij merkt dat zijn ouders nog niet veel met elkaar praten en hoewel hij dat nog wel lastig vindt, begint hij hier ook aan gewend te raken. Verder vertelt [minderjarige 3] dat hij het bij zowel zijn vader als zijn moeder fijn vindt. [minderjarige 3] zou graag wat langer bij zijn vader willen zijn en hij gaat soms om de week van donderdag tot en met zondag naar zijn vader. Dit vindt hij fijn. Ook vertelt [minderjarige 3] dat hij nog steeds last heeft van boosheid. Hij weet niet waardoor dat komt. [minderjarige 3] praat hierover met een hulpverlener van school. Met aan andere hulpverlener praat [minderjarige 3] over de echtscheiding van zijn ouders. Hij vindt het fijn dat hij met deze hulpverleners kan praten.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij erkent dat de communicatie tussen de ouders nog steeds niet goed verloopt en dat de minderjarigen daar last van hebben, maar kan niet instemmen met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling heeft tot nu toe namelijk geen effect gehad en wordt niet op de juiste wijze uitgevoerd door de GI. De moeder voelt zich onvoldoende gehoord en gezien door de GI en zij heeft niet het gevoel dat er naar haar zorgen wordt geluisterd. Er wordt namelijk niet gekeken naar wat er daadwerkelijk speelt. De GI heeft vooral aandacht voor de situatie van de moeder, terwijl er onvoldoende aandacht is geweest voor de zorgen van de moeder over de thuissituatie van de vader en over wat de moeder en de minderjarigen in het verleden hebben meegemaakt. Daar komt bij dat de moeder weinig contact heeft gehad met de jeugdbeschermer en mede daardoor erg verbaasd is over hetgeen in het gezinsplan en in het veiligheidsplan is opgenomen. Daarbij komt dat het gezinsplan niet op de juiste wijze is opgesteld. Gelet op het voorgaande vindt de moeder het belangrijk dat er een onderzoek wordt ingesteld naar de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de GI, maar ook naar de wijze waarop de rapportages van KISZ en de Raad voor de Kinderbescherming in het verleden tot stand zijn gekomen. Dit zal helpen bij het verduidelijken van de situatie.
5. De beoordeling
Verweerschrift van de moeder
Tijdens de zitting is door de moeder toegelicht dat zij enkele minuten voorafgaand aan de zitting een verweerschrift heeft ingediend waarin zij haar standpunt heeft verwoord. Omdat dit stuk zo kort voorafgaand aan de zitting is ingediend, heeft de GI hier geen kennis van kunnen nemen. Evenmin heeft de kinderrechter dit stuk voorafgaand aan de zitting kunnen lezen. De kinderrechter heeft dit stuk daarom niet betrokken bij de beoordeling en beslissing, maar heeft de moeder tijdens de zitting de gelegenheid gegeven om naar voren te brengen wat zij in haar verweerschrift heeft beschreven.
Het wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. De inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Deze zorgen zien met name op het patroon en de communicatie tussen de ouders. Het lukt de ouders namelijk niet om afspraken te maken over de minderjarigen en om op één lijn te komen over het gezamenlijk ouderschap, waardoor het loyaliteitsconflict waarin de minderjarigen verkeren wordt versterkt. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] merken de spanningen tussen de ouders en daar hebben zij last van. Daar komt bij dat de kinderrechter zorgen heeft over de stabiliteit van de opvoedsituatie van beide ouders. De vader en de moeder zijn namelijk vermoeid en overbelast door de huidige situatie en de onduidelijkheid rondom de echtscheiding, waarbij met name bij de moeder wordt gezien dat zij in sterke mate wordt belast door de afwikkeling van de echtscheiding en de contacten met de betrokken instanties. Hierdoor is zij minder goed in staat om structuur te bieden aan de minderjarigen en is zij verminderd emotioneel beschikbaar. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog niet zijn weggenomen. Daar komt bij dat de kinderrechter van oordeel is dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zoals hierboven overwogen verloopt de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder nog erg moeizaam en zijn zij nog niet in staat om samen afspraken te maken over en in het belang van de minderjarigen. Daarbij betrekkende dat het de vader en de moeder niet altijd lukt om zich aan de gemaakte afspraken te houden, heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat zonder de betrokkenheid van de jeugdbeschermer zal worden gewerkt aan bovengenoemde zorgen. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt verlengd voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 15 april 2027.
De kinderrechter overweegt dat ter zitting is gebleken dat de samenwerking tussen de moeder en de GI op dit moment niet goed verloopt. De moeder kan zich niet vinden in de manier waarop de GI de ondertoezichtstelling tot nu toe heeft uitgevoerd. Zij heeft geen vertrouwen meer in de GI en heeft het gevoel dat haar zorgen over de opvoedsituatie van de vader niet worden gehoord. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de moeder en de betrokken jeugdbeschermers hierover met elkaar in gesprek gaan om te bezien hoe de onderlinge communicatie in het belang van de minderjarigen kan worden verbeterd, zodat er in de komende periode positieve stappen kunnen worden gezet. Zonodig kan door de moeder een klacht worden ingediend bij de GI, dit is ter beoordeling van de moeder. Verder verwacht de kinderrechter dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] blijft bewaken. Het is van belang dat de GI in de komende periode zicht houdt op de ontwikkeling van de minderjarigen en op de verhouding in de draaglast en draagkracht van beide ouders. Daarbij hoopt de kinderrechter dat er na de beslissing in de familierechtelijke procedure (die naar verwachting binnen afzienbare termijn zal volgen) stappen gezet kunnen gaan worden in het verbeteren van de communicatie tussen de ouders en een ouderschapsbemiddelingstraject ingezet kan worden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 15 april 2026 en tot 15 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 22 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.