beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/441699 FA RK 25-5760
datum uitspraak: 9 april 2026
beschikking over wijziging ouderlijk gezag en vervangende toestemming
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.A.E. van Raak-Kuiper in Udenhout,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. T. Möller in Tilburg,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 6 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het e-mailbericht van de man met bijlage, ontvangen op 21 november 2025;
- het aanvullende verzoek met bijlagen van de vrouw, ontvangen op 3 maart 2026;
- het op 4 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van Raak-Kuiper, ontvangen op 9 maart 2026.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 10 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, tijdens de zitting bijgestaan door mr. J.J.A. van Roessel, kantoorgenoot van mr. Möller. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van de verzoeken vinden, maar zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. In het ouderschapsplan, dat deel uitmaakt van de beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2017, zijn partijen destijds een zogenoemde co-ouderschapsregeling overeengekomen. Feitelijk verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu één weekend per veertien dagen bij de man, van vrijdag 18:00 uur tot en met zondag 20:00 uur.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
- het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en de vrouw te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
subsidiair, op het moment dat het gezag niet wijzigt:
vervangende toestemming te verlenen voor het in gang zetten van hulp bij Crossroads en het opstarten van het MST traject voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ;
vervangende toestemming te verlenen voor het in gang zetten van psychische hulp voor [minderjarige 2] .
4. De standpunten en het advies van de Raad
Ter onderbouwing van de verzoeken voert de vrouw, samengevat, het volgende aan.
Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van het gezag geeft de vrouw aan dat de man zijn vaderrol, en het daarmee gepaarde gezag, op een zodanige wijze uitoefent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het gezag van de vrouw niet meer serieus nemen. De vrouw wordt door de man tegenover de kinderen zwart gemaakt. De kinderen hebben daardoor geen respect voor hun moeder en luisteren niet naar haar. Op deze wijze ondermijnt de man het gezag van de vrouw. Verder is normale communicatie met de man niet mogelijk en zijn de opvoedvaardigheden van de man ondermaats. Van de man mag alles: hij vervult geen opvoedtaken zoals het begeleiden van huiswerk of ervoor zorgen dat de kinderen op tijd op school komen. Hij toont geen interesse in de schoolresultaten, gezondheid of andere zaken betreffende de kinderen. De vrouw staat er helemaal alleen voor: alle contacten met school en hulpverlening lopen via de vrouw. Ook levert hij geen enkele bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen. Tenslotte geeft de man geen toestemming voor hulpverlening (therapie) waaraan met name [minderjarige 1] behoefte heeft. De ontwikkeling van de kinderen loopt gevaar door het gedrag van de man. Gezamenlijke uitoefening van het gezag is hierdoor onmogelijk en de kinderen zijn klem en verloren geraakt tussen twee ouders die niet met elkaar communiceren en qua opvoeding niet op één lijn zitten.
De vrouw verzoekt subsidiair, op het moment dat het gezag niet wijzigt, om vervangende toestemming te verlenen voor het inschakelen van hulpverlening voor beide kinderen. De man geeft namelijk, ondanks verzoeken van de vrouw, geen toestemming voor bijvoorbeeld een MST-traject. Zo ligt er een aanmelding bij Crossroads voor hulpverlening in het gezin, maar de man weigert zijn medewerking. De vrouw heeft veel zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] spijbelen, komen te laat en houden zich niet aan regels op school. Daarbij drinkt [minderjarige 1] ieder weekend bovenmatig veel alcohol (minimaal 10-15 biertjes) op één avond. Dit vindt de vrouw, zeker voor een kind van deze leeftijd, zeer zorgelijk. [minderjarige 2] is recent opgenomen geweest in het [ziekenhuis] na een hartstilstand. In verband met deze traumatische ervaring is voor hem hulpverlening door een psycholoog geïndiceerd. Ook deze hulpverlening kan niet van start als de man geen toestemming geeft, terwijl in ieder geval [minderjarige 1] aan de vrouw heeft aangegeven dat hij daarvoor open staat. Ook staat hij positief tegenover een mogelijk MST-traject. Het heeft hem geholpen om daarover een gesprek met zijn zus [persoon] te hebben, die onlangs zelf een hulpverleningstraject heeft doorlopen vanwege problemen met emotie-regulatie. De vrouw verzoekt daarom om vervangende toestemming te verlenen voor onder meer het in gang zetten van hulp bij/via Crossroads en het opstarten van het MST traject voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
De man is van mening dat de verzoeken van de vrouw afgewezen dienen te worden.
De man herkent zich volstrekt niet in het geschetste beeld over hem en de kinderen. Hij bekleedt wel degelijk een vaderrol voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is nauw betrokken bij hun verzorging en opvoeding. De man stelt zich nadrukkelijk op het standpunt dat er geen sprake is van een situatie waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem of verloren zijn geraakt danwel zullen raken tussen de ouders. Wijziging van het gezag is helemaal niet in hun belang. Het is juist dat het, toen er nog sprake was van co-ouderschap, voor partijen eerst lastig was om te communiceren met elkaar en het ouderschap gezamenlijk te dragen. Nu is de situatie veranderd en is er een weekendregeling waardoor de eerdere aandachts- en daarmee twistpunten, aanzienlijk verminderd zijn. Bovendien zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels 17 en 15 jaar oud, wat uiteraard met zich meebrengt dat zij zelfstandiger worden en communicatie tussen ouders niet meer veelvuldig/dagelijks nodig is. De man is dan ook van mening dat de huidige situatie geen reden is tot het toekennen van eenhoofdig gezag aan de vrouw. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt ook op geen enkele wijze dat de man de ontwikkeling van de kinderen in gevaar brengt en dat gezamenlijke uitoefening van het gezag onmogelijk is.
Anders dan de vrouw aanvoert staat de man wel achter de inzet van enige hulpverlening. Hij wil ook zeker toestemming geven voor psychische hulpverlening voor [minderjarige 2] . Hij vindt ook dat daar iets mee gedaan moet worden. De man heeft wel zijn bedenkingen bij mogelijke andere hulpverleningstrajecten. Hij vindt dat er al genoeg hulpverlening is geweest en dat er (weer) te veel hulpverlening tegelijk wordt ingezet. De vrouw wil veel te veel en te veel tegelijk.
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. Op dit moment is het nog te vroeg om tot een wijziging van het gezag te komen en daarbij het eenhoofdig gezag uit te spreken. Eerst moet (de noodzakelijke) hulpverlening opgestart worden om te kijken wat er nu precies aan de hand is en wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben. Dat is tot op heden niet gelukt danwel onvoldoende van de grond gekomen. De voorbeelden die door de vrouw worden genoemd als zorgen/problemen die zij bij de kinderen ervaart, ziet de Raad, niet als normaal pubergedrag. Met name over de drankconsumptie geeft de Raad aan dat dit geen normaal gebruik is, maar eerder drankmisbruik. Daarnaast is sprake van spijbelen en veelvuldig negatief gedrag zoals het niet accepteren van regels. Op dit moment is niet duidelijk waar dit gedrag precies vandaan komt, maar de problematiek is groot genoeg om hulpverlening vanuit MST in te zetten. Het verzoek van de vrouw ten aanzien van de vervangende toestemming voor hulpverlening vanuit MST kan naar mening van de Raad dan ook toegewezen worden. Het is fijn dat de man nu wel bereid is over te gaan tot ondertekening van het formulier voor [minderjarige 2] voor zijn psychische ondersteuning, aldus de Raad.
5. De beoordeling
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
Wettelijk kader
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen, het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de kinderen krijgt.
In artikel 1:253n, eerste lid BW staat dat artikel 1:251a, eerste lid BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
Tenslotte kunnen, op grond van artikel 1:253a, lid 1 BW, geschillen met betrekking tot de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van deze bepaling kan de rechtbank onder andere vervangende toestemming verlenen voor gezagsbeslissingen over de kinderen, zoals in dit geval voor het aanmelden van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor Crossroads en MST.
Wijziging gezag
Vast staat dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Immers, de zorgregeling is nu, in plaats van het eerdere co-ouderschap, een weekendregeling. De vrouw kan dan ook worden ontvangen in haar verzoek. Ten aanzien van de verdere inhoudelijke beoordeling overweegt de rechtbank als volgt. Voorop wordt gesteld dat het verzoek van de vrouw tot gezagswijziging een ingrijpende beslissing betreft die een zorgvuldige belangenafweging vergt. Deze belangenafweging is op dit moment lastig te maken gelet op wat er uit de stukken en tijdens de zitting naar voren is gekomen over de huidige situatie tussen partijen onderling, maar met name over de actuele situatie rondom beide kinderen, De rechtbank acht zich bij deze stand van zaken onvoldoende geïnformeerd om een goed gefundeerde en weloverwogen beslissing te kunnen nemen op dit verzoek van de vrouw. Daarbij heeft de rechtbank onder meer betrokken dat op dit moment de oorzaak/oorsprong van het, naar het oordeel van de rechtbank, zorgelijke gedrag van de kinderen nog niet duidelijk is en of een wijziging van het gezag daarvoor de (enige) passende oplossing is. Zo is het ook de vraag of ouders, zoals hierna zal worden overwogen, in het kader van de op te starten hulpverlening in de vorm van multisysteemtherapie (MST) leerbaar blijken en de gezinssituatie hierdoor mogelijk verandert/verbetert. Het nog in gang te zetten traject zal eerst moeten worden afgewacht. Aangezien het verloop en de uitkomst van onder meer het MST-traject mede relevant is bij de beslissing op het verzoek van de vrouw, zal de rechtbank de beslissing op haar gezagswijzigingsverzoek pro forma aanhouden voor zes maanden, in afwachting van een rapportage over dit traject. De rechtbank verzoekt partijen om uiterlijk veertien dagen vóór de hierna genoemde pro forma datum de rechtbank schriftelijk te informeren over de stand van zaken van het hulpverleningstraject, wat dit mogelijk betekent voor het voorliggende verzoek van de vrouw en de gewenste voortgang van de procedure.
Vervangende toestemming
Gelet op de toelichting van partijen op de zitting wensen zij een beoordeling van, en daarmee nu al een beslissing op, het (subsidiaire) verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming. Ook in het geval op dit moment nog geen definitieve beslissing zou (kunnen) worden genomen over de (primair) verzochte gezagswijziging. De rechtbank zal hieraan gevolg geven en overweegt als volgt.
Uit de stukken en de zitting volgt dat er allereerst zorgen zijn over [minderjarige 2] . Zo heeft hij onlangs een hartstilstand gehad, wat begrijpelijk veel indruk heeft gemaakt op alle betrokkenen, en vooral op [minderjarige 2] zelf. Het is noodzakelijk dat hij hiervoor psychologische hulp krijgt. Tijdens de zitting is gebleken dat de rechtbank geen beslissing meer hoeft te nemen over het verzoek tot vervangende toestemming voor psychologische hulp voor [minderjarige 2] , omdat de man tijdens de zitting mondeling toestemming heeft gegeven, het formulier heeft ondertekend en daarna aan de vrouw heeft overhandigd. Daarnaast is afgesproken dat, mocht het ziekenhuis niet akkoord gaan met dit getekende ‘kopieformulier’, de vrouw alsnog het originele toestemmingsformulier aan de man verstrekt. De man zal deze dan vervolgens opnieuw ondertekenen en weer aan de vrouw ter beschikking stellen, zodat de psychologische hulp voor [minderjarige 2] direct kan worden geregeld. De rechtbank houdt partijen aan deze toezeggingen en gemaakte afspraak. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat zo snel mogelijk van start wordt gegaan met de noodzakelijke psychologische ondersteuning. Het verzoek van de vrouw voor het in gang zetten van psychische hulp voor [minderjarige 2] zal worden afgewezen.
Tijdens de zitting is ook gebleken dat er daarnaast veel tegenstrijdigheden zijn tussen wat de man en de vrouw naar voren brengen over hoe het verder met beide kinderen gaat. Bij [minderjarige 2] bestaat onder meer de zorg dat hij zich niet uitspreekt over wat er in hem omgaat. Anders dan voorheen blijft hij, als hij boos is, langere tijd daarin hangen. Verder geeft de vrouw aan dat er sprake is van veelvuldig drankmisbruik wanneer [minderjarige 1] bij haar is, terwijl de man stelt dat er alleen in de weekenden sprake is van enig, normaal drankgebruik; hij komt zelden tot nooit beschonken thuis. Daarbij voert de vrouw aan dat [minderjarige 1] problemen heeft met autoriteit, zowel thuis bij zijn moeder als op school. Hij gaat op school met iedereen de discussie aan, hij heeft moeite zich aan de regels te houden en vertoont veelvuldig spijbelgedrag. Hij krijgt wel ondersteuning (onder meer SELF) maar dit lijkt niet afdoende. Ook heeft hij regelmatig paniekaanvallen/hyperventilatie. Zij vindt dit alles bij elkaar zorgelijk. De man noemt het gedrag “normaal pubergedrag”, en maakt zich geen zorgen. De man denkt ook dat er therapie gezocht wordt voor problemen die er niet zijn. MST is wat hem betreft echt een paar stappen te ver voor waar de kinderen mee dealen. De vrouw geeft tenslotte aan dat [minderjarige 1] bij haar heeft aangegeven voor dit alles hulpverlening te willen, terwijl hij bij de man zou zeggen niet met hulpverlening aan de slag te willen gaan; hij ziet dat niet zitten.
Anders dan de man betoogt ziet de rechtbank, net als de Raad, in onder meer deze tegenstrijdige verhalen van de ouders een aanwijzing dat er meer speelt dan alleen pubergedrag. Op basis van de door de vrouw overgelegde stukken staat wat de rechtbank betreft dan ook voldoende vast dat hulpverlening voor de kinderen direct noodzakelijk is. De rechtbank constateert dat in de processtukken meerdere verslagen van eerdere hulpverlening zijn opgenomen, maar deze zijn van enige tijd geleden. Deze informatie is sterk verouderd en niet meer actueel, mede omdat ook de kinderen ouder zijn geworden en niet meer in dezelfde ontwikkelingsfase zitten. Niet duidelijk is (en blijft) waar het kennelijk verschillende gedrag als ze bij hun ouders zijn, op dit moment vandaan komt danwel waardoor het precies wordt veroorzaakt. De rechtbank onderschrijft de indruk van de Raad dat een mogelijke oorzaak daarvan is dat de kinderen klem zitten tussen hun ouders, mede door de jarenlange strijd die partijen voeren sinds hun scheiding en dat een MST traject daarbij nu passend is. De kinderen hebben niet voor niets al meerdere keren eerder opgemerkt dat ouders “eens moeten stoppen met ruzie maken”. De rechtbank neemt onder deze omstandigheden het advies van de Raad over in die zin dat vervangende toestemming wordt gegeven voor de start van een MST-traject. Daarbij is niet gebleken dat deze op te starten hulpverlening niet in het belang van de kinderen is.
De rechtbank kan begrip hebben voor het standpunt van de man dat de kinderen niet te veel belast of overvraagd moeten worden met hulpverlening. Maar tegelijkertijd wordt geconstateerd dat al veel te lang sprake is van een complexe situatie, partijen al lange tijd totaal niet samenwerken, de problemen alsmaar groter worden en de kinderen ouder, waardoor het eens te meer belangrijk is dat er wordt onderzocht wat er precies aan de hand is en verder nodig is. De rechtbank hoopt dan ook dat de man, ondanks zijn weigering om vrijwillig in te stemmen, positief zal meewerken aan de hulpverlening en dit ook zal uitstralen naar de kinderen.
Het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor MST zal toegewezen worden. Dit geldt ook voor de inzet van Crossroads. Tijdens de zitting is besproken dat Crossroads geen apart traject vormt, maar alleen noodzakelijk is om het MST-traject te kunnen starten. Er zal geen parallelle hulpverlening vanuit Crossroads naast het MST-traject lopen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing
6. De beslissing
De rechtbank
verleent aan de moeder vervangende toestemming voor het in gang zetten van hulpverlening bij Crossroads en het opstarten van het MST traject voor de minderjarigen:
[minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor het in gang zetten van psychische hulp voor [minderjarige 2] ;
houdt de behandeling van en de beslissing op het verzoek aangaande het gezag aan tot [datum] 2026 PRO FORMA (6 maanden), in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het verloop en de uitkomst van het MST-traject, een en ander zoals in rechtsoverweging 5.5 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 in aanwezigheid van mr. Van Krieken, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.