beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445136 / FA RK 26/847
datum uitspraak: 9 april 2026
beschikking betreffende nakoming zorgregeling en vervangende toestemming vakantie
in de zaak van
[vrouw] ,
hierna de vrouw,
wonende in [plaats 1]
advocaat: mr. A. Sangar in Rotterdam,
tegen
[de man] ,
hierna de man,
wonende op [plaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
het op 12 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
het bericht met bijlagen van mr. Sagar van 25 februari 2026;
de brief van [minderjarige 1] , ontvangen op 11 maart 2026;
het e-mailbericht van de man van 24 maart 2026.
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 1 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Ook was aanwezig een medewerker namens de Raad.
Middels voornoemd e-mailbericht van 24 maart 2026 heeft de man verzocht om middels een videobelverbinding bij de zitting aanwezig te mogen zijn. In dat kader is aan hem een link voor een videobelverbinding verstuurd. Ten tijde van de behandeling van de zaak ter zitting is de man niet via de videobelverbinding in de digitale vergadering verschenen. De rechtbank heeft tevergeefs nog geprobeerd om de man telefonisch te bereiken. Aangezien de man correct is opgeroepen en op de hoogte was van de zitting, heeft de rechtbank de zaak zonder de aanwezigheid van de man behandeld. Na afloop van de zitting heeft de man alsnog geprobeerd om aan de digitale vergadering deel te nemen. Dit heeft hij enkele uren daarna aan de griffie van de rechtbank laten weten.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een kort bericht gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Met de beschikking van de rechtbank van 21 oktober 2022 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteland] , hierna
[minderjarige 1]
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te [plaats 1] , hierna
[minderjarige 2] .
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
Met de beschikking van 21 oktober 2022 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking. In het ouderschapsplan is onder meer de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken opgenomen, waarbij de minderjarigen iedere vrijdag van 17.00 uur tot zaterdag 17.00 uur bij de man zijn.
Partijen en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3. De verzoeken en de standpunten
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
I. de man te bevelen de geldende zorgregeling conform het ouderschapsplan, welk
onderdeel uitmaakt van de beschikking van 21 oktober 2022, stipt en onverkort na te komen;
II. te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan deze beschikking te voldoen, met een maximum van € 10.000, althans een zodanige beslissing te nemen als uw rechtbank in het belang van de minderjarigen juist acht;
III. vervangende toestemming te verlenen, in plaats van de toestemming van de man, de heer [de man] , voor de reis van de vrouw en de minderjarigen,
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteland] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te [plaats 1] , om in de periode 20 tot en met 22 februari 2026 naar Engeland te reizen en in de periode 20 april tot en met 3 mei 2026 naar Portugal te reizen.
Door en namens de vrouw is, gelet op het ter zitting bij de vrouw bekend geworden verblijf van de man in het buitenland, het verzoek onder I en II ingetrokken. Ook het verzoek onder III is ingetrokken, voor zover het betreft de reis in de periode van 20 tot en met 22 februari 2026 naar Engeland. De vrouw handhaaft het verzoek om vervangende toestemming om in de periode 20 april tot en met 3 mei 2026 met de minderjarigen naar Portugal te reizen. De vrouw wil graag met de minderjarigen op vakantie. Zij heeft nog niet geboekt. De vrouw heeft de man eerder verzocht om toestemming voor de vakantie naar Engeland, maar heeft hier van de man niets op terug gehoord.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw.
[minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag wil dat de moeder zonder toestemming van de vader mag beslissen waar zij naartoe gaan.
4. De beoordeling
Internationaal privaatrecht (IPR)
Vanwege het feit dat de man vermoedelijk op [plaats 2] verblijft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om van het verzoek kennis te nemen aangezien de minderjarigen ten tijde van de indiening van het verzoek in Nederland wonen en daar ook gewone verblijfplaats hebben (artikel 7 lid 1 Brussel II-ter Verordening). Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Vervangende toestemming voor de reis naar Portugal
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Vooropgesteld wordt dat nu partijen gezamenlijk belast zijn met het gezag over de minderjarigen, de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met hen naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. De rechtbank overweegt hiertoe dat het in het algemeen belang van een kind is, als dit kind op vakantie kan met zijn of haar ouders. Uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor een kind te zorgen, wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder of wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling.
Naar het oordeel van de rechtbank verzet zich er niets tegen dat de vrouw met de minderjarigen op vakantie naar Portugal gaat. De man heeft hiertegen ook geen verweer gevoerd. Samen met de Raad gunt de rechtbank de vrouw en de minderjarigen een vakantie naar Portugal.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Overige verzoeken
Gelet op voornoemde intrekking ter zitting zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw die zien op nakoming van de zorgregeling met de daar bijbehorende dwangsom en het verzoek over vervangende toestemming voor de vakantie naar Engeland afwijzen, nu het belang bij een inhoudelijke beoordeling daarvan is komen te ontvallen.
5. De beslissing
De rechtbank
verleent aan de vrouw, - ter vervanging van de toestemming van de man - toestemming om met de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteland] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te [plaats 1] in de periode van 20 april 2026 tot en met 3 mei 2026 te reizen naar Portugal en aldaar te verblijven;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Noort, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: