RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446078 / JE RK 26-446
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;
de op 3 april 2026 door de advocaat van de moeder ingediende producties 1 tot en met 7.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] uitgenodigd om in een gesprek haar mening te geven. [minderjarige 1] heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 25 april 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 april 2025 de machtiging om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, verlengd tot 25 april 2026.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op dit moment in een gezinshuis.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen met eveneens een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt aan haar verzoek onder meer het volgende ten grondslag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 19 december 2024 uit huis geplaatst. Sinds 25 februari 2025 zijn beide kinderen gezamenlijk in een gezinshuis geplaatst waar zij aantoonbaar tot rust komen, zich positief ontwikkelen en een stabiel pedagogisch klimaat ervaren. De huidige plaatsing voorziet in hun behoefte aan veiligheid, voorspelbaarheid en emotionele continuïteit.
Komend jaar wil de GI blijven werken aan het creëren van rust en stabiliteit voor de kinderen. Daarnaast blijft het noodzakelijk om het begeleide contact tussen moeder en de kinderen te monitoren, evenals de ontwikkelingen die moeder doormaakt binnen haar behandeling en therapie. De GI heeft zorgen of de opvoeding haalbaar is voor moeder. Het is essentieel voor de kinderen dat er binnen afzienbare tijd een duidelijk perspectief wordt vastgesteld, zodat zij weten waar zij aan toe zijn en er duidelijkheid voor hen ontstaat. Binnen het komende jaar verwacht de GI zicht te krijgen op eventuele
gedragsveranderingen bij moeder en op de voortgang binnen haar behandeling. Mocht deze
vooruitgang onvoldoende blijken, dan is het noodzakelijk om te bepalen op welke plek de
kinderen structureel zullen opgroeien. Een langer traject zonder duidelijkheid zou niet in het
belang van de kinderen zijn.
De moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij begrijpt dat de GI verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij vindt het niet nodig dat de machtiging uithuisplaatsing wordt verlengd. Moeder heeft de wens dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij haar komen wonen. De door [hulpverlening 1] begeleide contactmomenten verlopen positief. Daarin laat moeder zien dat zij kan aansluiten bij de emotionele ontwikkeling van de kinderen. Haar woonsituatie in een Ouder-Kind-huis van [persoonlijke begeleiding] , is geschikt om de kinderen bij haar te laten verblijven en zij staat open voor hulpverlening. [persoonlijke begeleiding] zegt ook dat het goed gaat met moeder. Daarnaast is moeder sinds twee weken gestopt met het gebruik van drugs (blowen). Ook is moeder in februari van dit jaar gestart met een behandeltraject bij [hulpverlening 2] om te werken aan onder meer haar emotie- en agressieregulatie. Moeder heeft vertrouwen in een positieve uitkomst van dat traject dat zij ambulant kan doorlopen. Zij kan haar behandeling daarom goed combineren met de zorg voor de kinderen. Als de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing verlengt, dan zou dat volgens moeder voor de duur van één maand moeten zijn, met als doel de terugplaatsing van de kinderen bij moeder.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Zij hebben in het verleden veel onrust en onveiligheid meegemaakt. Het is in hun belang dat zij op dit moment rust, stabiliteit en emotionele continuïteit ervaren. Dat lukt nu in het gezinshuis. Het gaat daar en op school goed met de kinderen. In die stabiele omgeving kunnen de kinderen uiteindelijk ook aan de slag met hun eigen problematiek, bijvoorbeeld in de vorm van (trauma)therapie.
Zoals de rechtbank ook tijdens de zitting tegen moeder heeft gezegd, heeft moeder belangrijke positieve stappen gezet door te stoppen met blowen en door te starten met een behandeltraject bij [hulpverlening 2] . Die situatie is echter nog pril. Betrokkenheid van de GI blijft nodig om te monitoren hoe de ontwikkeling van moeder zich voortzet en of zij aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de rust en stabiliteit kan bieden die zij nodig hebben.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig, zoals moeder ook onderschrijft. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van hun geestelijke toestand en onderzoek van hun lichamelijke toestand.
De rechtbank begrijpt dat moeder graag wil dat de kinderen weer bij haar komen wonen. Dat is voor de rechtbank op dit moment ook nog altijd het uitganspunt. De rechtbank ziet dat moeder haar best doet en gemotiveerd is om te doen wat nodig is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij haar thuis te laten wonen. Het starten van het behandeltraject bij [hulpverlening 2] en het stoppen met blowen zijn hele goede eerste stappen van moeder om dat doel te bereiken. Ook ziet de rechtbank dat de begeleide omgangsmomenten in het algemeen positief verlopen. Het is echter nog te vroeg om te kunnen concluderen dat moeder op dit moment aan de kinderen de rust, veiligheid, stabiliteit, voorspelbaarheid en emotionele continuïteit kan bieden waaraan zij behoefte hebben, ook gelet op de mogelijkheid voor de kinderen om aan hun eigen problematiek te kunnen gaan werken. De rechtbank ziet dat moeder daarvoor nog verschillende vervolgstappen moet zetten. Werken aan haar emotie- en agressieregulatie is daar een belangrijk onderdeel van. Zo blijkt uit het verslag van [persoonlijke begeleiding] dat moeder moeite heeft met het nakomen van afspraken waar meer emotie, stress en patronen bij komen kijken, en dat moeder niet goed begeleidbaar is als het gaat over (het opvolgen van adviezen over) haar kinderen. Moeder vindt het lastig om aangesproken te worden op zaken waar zij het niet mee eens is en kan dan heftig reageren. De rechtbank benadrukt dat het daarom heel belangrijk is dat moeder het net gestarte behandeltraject bij [hulpverlening 2] daadwerkelijk aangaat en zich volledig inzet om daarmee positieve resultaten te behalen.
Kortom, de rechtbank is er nog niet van overtuigd dat moeder op dit moment aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de omgeving kan bieden waar zij zo’n behoefte aan hebben en die zij ook nodig hebben om hun eigen (trauma)problematiek te kunnen aanpakken. De rechtbank zal de machtiging uithuisplaatsing daarom verlengen voor de duur van één jaar.
De rechtbank hoopt dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing aan moeder de rust en de ruimte biedt om de benodigde stappen te zetten en een positieve ontwikkeling door te maken. Daarmee zou uitbreiding van de contactmomenten en uiteindelijk de door moeder gewenste terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar moeder een stukje dichterbij kunnen komen. In ieder geval zal de GI het komende jaar kunnen gebruiken om op basis van de door moeder getoonde ontwikkeling het perspectief van de kinderen te bepalen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals de GI heeft verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 25 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.