RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446626 / JE RK 26-553
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER VAN WETHOUDERS VAN DE
GEMEENTE GOIRLE,
zetelende te Goirle,
namens deze ingediend door
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
zetelende te Tilburg,
advocaat mr. B.C.W. Smits,
hierna te noemen het college,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. B.J.P. van Gils uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder] , hierna te noemen de moeder.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 8 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met zijn advocaat;
de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van het college bijgestaan door advocaat mr. Smits.
2. De feiten
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij [accommodatie] te [plaats 2] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 oktober 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 16 oktober 2025 tot 16 april 2026.
3. Het verzoek
Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
De vader stemt in met het verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
De gedragswetenschapper stemt in met het verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor een periode van drie maanden.
4. De standpunten
Het college legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. [minderjarige] heeft hard aan zichzelf gewerkt en heeft met de begeleiding en behandeling tijdens zijn verblijf bij [accommodatie] mooie stappen gezet. Ook is de uitkomst van het psychodiagnostisch onderzoek inmiddels bekend waardoor nu duidelijker is waar een vervolgplek na de gesloten plaatsing voor [minderjarige] aan moet voldoen om een goede overstap te kunnen maken van gesloten naar open. Dit is echter tot op heden niet gelukt vanwege forse wachttijden en onvoldoende mogelijkheden bij aanbieders om de intensieve begeleiding en nabijheid te bieden die [minderjarige] nodig heeft. De gemeente moet de zoektocht dus verder voortzetten. Voor [minderjarige] leidt dit tot onzekerheid over zijn verblijf na afloop van de huidige machtiging. Zonder machtiging kan hij niet op de gesloten groep blijven, terwijl er geen alternatieve passende plek beschikbaar is. [accommodatie] heeft momenteel ook niet direct plek om [minderjarige] door te plaatsen naar een open groep, terwijl dit als overbruggingsplek heel wenselijk zou zijn. Zodra er plek is mag [minderjarige] wel de vervolgstap maken die hij verdient. De onzekerheid rondom het verblijf van afloop van de huidige machtiging heeft bij [minderjarige] onrust veroorzaakt. Zo is hij niet meer naar dagbesteding de [dagbesteding] gegaan (waar hij sinds eind 2025 naartoe gaat, omdat het rooster op school teveel van hem vraagt). Terugkeer naar huis is op dit moment ook niet haalbaar. Vader en [persoon] (huidige partner vader) kunnen de intensieve begeleiding die [minderjarige] nodig heeft niet bieden. Dit zou direct leiden tot ontregeling en onveilige situaties. Het kwetsbare herstel van het contact tussen [minderjarige] en zijn vader en [persoon] moet worden beschermd tegen nieuwe schade. Indien er geen verlenging van de machtiging komt, zal [minderjarige] geplaatst worden op een crisisgroep of tijdelijke behandelgroep. Dat brengt voor [minderjarige] meerdere ontregelfactoren met zich mee die kunnen leiden tot angst, boosheid als coping, escalatie in gedrag en een reëel risico op onttrekking aan zorg. Vanwege voornoemde redenen is het noodzaak dat de machtiging verlengd wordt. Door verlenging bij [accommodatie] kan de dagbesteding voor [minderjarige] gecontinueerd worden. Het college doet dit verzoek om [minderjarige] te beschermen tegen de reële en substantiële risico’s die het ontbreken van een passende en stabiele woonplek met zich meebrengt. Een verlenging biedt een veilig vangnet, continuïteit en rust, en voorkomt dat [minderjarige] noodgedwongen in crisisvoorzieningen moet verblijven waar zijn ontwikkeling en stabiliteit ernstig in het gedrang komen. Een veilige en stabiele overbruggingsfase is voor [minderjarige] essentieel totdat een passende vervolgplek daadwerkelijk beschikbaar is. Het college verzoekt een machtiging te verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. Gelet op de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper heeft het college verzocht het verzoek toe te wijzen voor de duur van drie maanden en het restant van het verzoek aan te houden.
De vader kan instemmen met het verzoek van het college. Hij wil het beste voor [minderjarige] en dat hij op den duur zijn plek vindt in de maatschappij. Hij had het graag gezien dat er een vervolgplek beschikbaar zou zijn voor [minderjarige] , maar de situatie is nu eenmaal zo. De vader wil graag dat [minderjarige] in dezelfde omgeving mag blijven tot hij naar een passende vervolgplek kan gaan. Dat hij kan blijven waar hij nu is, zou een beloning voor zijn harde werken zijn en zo kan behouden worden wat door hem is opgebouwd. Als de huidige zorg niet gecontinueerd kan worden is de vader bang voor een herhaling van zetten en terug bij af te zijn.
De moeder vindt de huidige situatie zeer triest voor [minderjarige] . Hij heeft zo goed zijn best gedaan en dan is er geen passende vervolgplek voor hem beschikbaar. Moeder vraagt zich af hoe lang de gesloten machtiging iedere keer verlengd moet worden, want het is heel moeilijk om voor [minderjarige] een passende plek te vinden. Zij is van mening dat hij ook bij haar thuis kan komen wonen. Ze heeft de plaats en ruimte voor hem.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter laten weten dat hij graag bij [accommodatie] wil blijven, op een open groep zodra daar plaats voor hem is. [minderjarige] wil niet terug naar huis, hij ziet in dat dat niet gaat. Hij gaat nog steeds niet naar de dagbesteding. Hij geeft aan dat [accommodatie] dat niet meer nodig zou vinden. Verder heeft hij inspanningsastma en is het een behoorlijke fietsafstand naar de dagbesteding. Daarnaast heeft hij momenteel ook geen behandeling meer, omdat de (PMT) therapeut niet meer werkzaam is bij [accommodatie] . Overdag verveelt hij zichzelf dan ook.
Namens [minderjarige] is naar voren gebracht dat hij zich in de laatste fase van de gesloten plaatsing bevindt. Alle verworven vrijheden die hij kan verdienen in deze setting heeft hij verdiend. [minderjarige] moet zich wel blijven realiseren dat hij zijn best moet blijven doen. Dat zijn motivatie nu (tijdelijk) minder is, is te verklaren nu er eerst een mooie vervolgplek beschikbaar zou zijn, maar dat later toch niet het geval bleek te zijn. [minderjarige] heeft zijn mening duidelijk kenbaar gemaakt om graag bij [accommodatie] in [plaats 2] te verblijven op een specifieke open groep. Namens [minderjarige] wordt verzocht het verzoek voor drie maanden toe te wijzen en het restant van het verzoek niet aan te houden. Hopelijk komt er binnenkort een passende vervolgplek voor hem vrij.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
De kinderrechter machtigt de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden. Uit de stukken van het geding en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat [minderjarige] de afgelopen maanden positieve stappen heeft gezet en dat hij toe is aan een vervolgstap. Tegelijkertijd blijkt dat deze positieve ontwikkeling sterk afhankelijk is van de aanwezige structuur, nabijheid en begrenzing binnen de gesloten setting. Zoals ook blijkt uit de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper blijft [minderjarige] moeite houden met emotieregulatie, met name wanneer hij zich overvraagd voelt of wanneer sprake is van spanning en onzekerheid. Hij heeft ondersteuning nodig om zijn gedrag te reguleren. De recente periode laat zien dat bij toenemende onzekerheid over zijn toekomst en verblijf na de huidige machtiging direct sprake is van terugval in functioneren. Dit laat zien dat hij afhankelijk blijft van een voorspelbare en gestructureerde omgeving met intensieve begeleiding. Zonder de huidige beschermende en gestructureerde setting zal [minderjarige] zich niet kunnen handhaven en is het risico reëel dat hij zich aan de zorg zal onttrekken. In het verleden is gebleken dat pogingen om hem in een minder ingrijpend kader te begeleiden, zoals thuisplaatsing met intensieve hulpverlening, niet duurzaam zijn gebleken en hebben geleid tot snelle terugval. Binnen een gestructureerde en begrensde omgeving is [minderjarige] in staat tot positieve ontwikkeling. [minderjarige] bevestigt ook dat het in de gestructureerde omgeving beter met hem gaat. Er is sprake van groei, maar de onderliggende problematiek is nog duidelijk aanwezig en [minderjarige] heeft nog onvoldoende vaardigheden ontwikkeld om zelfstandig en duurzaam te functioneren in een minder gestructureerde omgeving. Zonder passende jeugdhulp is er een groot risico op terugval in ontregelend en risicovol gedrag. De kinderrechter vindt, met het college en de gedragswetenschapper, dat voortzetting van de jeugdhulp noodzakelijk is om zijn ontwikkeling te stabiliseren en verdere groei mogelijk te maken. Opneming en verblijf is op dit moment noodzakelijk om te waarborgen dat [minderjarige] de hulp krijgt die hij nodig heeft en om te voorkomen dat hij zich hieraan onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het ontbreken van een passend alternatief maakt dat er op dit moment geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn die voldoende veiligheid en ontwikkelingskansen bieden. Volgens de gedragswetenschapper is gesloten opname op dit moment proportioneel en passend, welk standpunt de kinderrechter ook is toegedaan. Daarbij is wel van belang dat de dagbesteding voor [minderjarige] zo spoedig als mogelijk weer wordt hervat. De vader heeft ter zitting toegezegd dit in gang te zetten, waarbij het college ook aangegeven heeft dit op te pakken en te ondersteunen. De kinderrechter heeft meegegeven dat er gekeken moet worden om de belasting van de reisafstand voor [minderjarige] te verminderen gelet op zijn inspanningsastma. Van belang is verder dat [minderjarige] een goede dag invulling heeft en dat daarnaast nog gekeken gaat worden naar eventuele hobby’s, waarvan [minderjarige] heeft aangegeven voetballen in [plaats 2] leuk te vinden. De kinderrechter is van oordeel dat een termijn van drie maanden voor de gesloten opname passend is. Deze overbruggingsperiode biedt enerzijds de noodzakelijke continuïteit, stabiliteit en bescherming om terugval te voorkomen en anderzijds ruimte om de overgang naar een passende open setting zorgvuldig te organiseren.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 16 april 2026 tot 16 juli 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 10 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.