ECLI:NL:RBZWB:2026:3921

ECLI:NL:RBZWB:2026:3921

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 10-05-2026
Zaaknummer C/02/446101 / JE RK 26-451
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummers: C/02/446101 / JE RK 26-451 (ots + uhp [minderjarige 1] )

C/02/446560 / JE RK 26-531 (ots [minderjarige 2] )

Datum uitspraak: 9 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaken van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] , Guinee,

hierna te noemen [minderjarige 1] , en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] , Guinee,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. R.T.A.G. Keller uit Tilburg,

de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift van de Raad over [minderjarige 1] met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;

het verzoekschrift van de Raad over [minderjarige 2] met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat. De vader werd tevens bijgestaan door een tolk in de Franse taal;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

- een vertegenwoordiger van de GI.

Deze zaken hangen nauw met elkaar samen. Daarom heeft de rechtbank de zaken tegelijk mondeling behandeld.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover op 2 april 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is overleden. De vader is sindsdien van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Sinds 25 december 2025 verblijft [minderjarige 1] bij [accommodatie] . [minderjarige 2] is inmiddels weer terug thuis bij de vader met veiligheidsafspraken.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 januari 2026 [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 6 februari 2026. Gelijktijdig heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 februari 2026.

Bij beschikking van 3 februari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 februari 2026 tot 22 april 2026 en heeft zij een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 februari 2026 tot 22 april 2026.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beiden de Guinese nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit.

3. De verzoeken

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag zich ernstige zorgen te maken over de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader vanwege diens geestestoestand.

Naar de mening van de Raad is de vader daardoor onvoldoende in staat om de kinderen een fysiek en emotioneel veilige opvoedsituatie te bieden.

Zo vindt de vader het erg belangrijk dat [minderjarige 1] maagd is/blijft en heeft hij de vaste overtuiging ontwikkeld, dat zolang [minderjarige 1] geen zestien jaar oud is, seks in een veilige setting dient plaats te vinden en dat die veilige setting bij hem is.

Vanwege deze opvatting van de vader is er steeds meer een kloof ontstaan tussen de vader en [minderjarige 1] , hetgeen heeft geleid tot een incident met Kerst 2025. De vader heeft [minderjarige 1] toen geslagen, waarbij zij een hoofdwond opliep. Met het overlijden van haar moeder, de uithuisplaatsing en het verbreken van het contact met haar vader, heeft [minderjarige 1] nu ook geen contact meer met haar broertje [minderjarige 2] . Naar de mening van de Raad ondervindt [minderjarige 1] binnen [accommodatie] de benodigde veiligheid en verzorging.

Ook ten aanzien van [minderjarige 2] ziet de Raad zorgen. Zo lijkt de vader verward in zijn uitspraken waarmee hij [minderjarige 2] belast, zoals over het blijven beschuldigen van verschillende mensen (hulpverleners) van seksueel misbruik van [minderjarige 1] , over zijn familie in Guinee en de moord aldaar op de moeder. Ook zou de vader de president van Guinee hebben omgebracht.

De vader (h)erkent genoemde zorgen van de Raad niet en wil geen enkele hulp aanvaarden. Een van de gevolgen hiervan is dat [minderjarige 1] nu geen contact met hem wenst.

De Raad merkt ter zitting op geen machtiging tot uithuisplaatsing te hebben verzocht van [minderjarige 2] . Naar de mening van de Raad ligt het op de weg van de GI om de noodzaak daarvoor nader te gaan onderzoeken, zodra er alsnog meer zicht is gekomen op de thuissituatie van de vader.

Tot slot merkt de Raad ter zitting op van de GI inmiddels te hebben vernomen dat [minderjarige 1] binnenkort naar alle waarschijnlijkheid in een gezinshuis kan worden geplaatst.

Dit gezinshuis is soms gesloten. [minderjarige 1] zal op die momenten dan moeten verblijven in een deeltijdpleeggezin. Daarome wijzigt de Raad ter zitting in die zin dat een brede machtiging wordt verzocht.

De vader is van mening dat [minderjarige 1] niet veilig is bij [accommodatie] . Volgens de vader heeft hij sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] ook geen gelegenheid gehad om daar anders naar te kunnen kijken.

Ook over de huidige schoolgang van [minderjarige 1] maakt de vader zich zorgen.

Naar de mening van de vader doet de uithuisplaatsing afbreuk aan een positieve ontwikkeling van [minderjarige 1] en is hij goed in staat om [minderjarige 1] een veilige en sensitieve opvoeding te bieden. De vader verzet zich dan ook uitdrukkelijk tegen een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . De vader ziet in dat er voor wat betreft [minderjarige 1] wel enige zorgen zijn. Ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] refereert de vader zich daarom aan het oordeel van de kinderrechter.

Voor wat betreft [minderjarige 2] is de vader van mening dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige. Zo blijkt uit het raadsonderzoek dat [minderjarige 2] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt, hij het op school goed doet en hij veel vriendjes heeft. [minderjarige 2] woont graag bij zijn vader. Van een onveilige situatie bij de vader thuis is geen sprake. Volgens de vader trekt de Raad met zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] een parallel naar [minderjarige 1] , maar is dat onterecht en ontbreekt bij [minderjarige 2] elke grondslag voor een ondertoezichtstelling. De vader concludeert tot afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] . De vader merkt daarbij op dat voor zover de GI zicht wil krijgen op de ontwikkeling van [minderjarige 2] , dat via [minderjarige 1] zou kunnen.

Ook merkt de vader op dat indien een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, hij dan te maken wil krijgen met vrouwelijke hulpverleners, omdat hij met een mannelijke hulpverlener eerder slechte ervaringen heeft opgedaan.

De GI ondersteunt in het belang van [minderjarige 1] het (gewijzigde) verzoek van de Raad, alsook het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] . De GI merkt daarbij op dat [minderjarige 1] de maandag ervoor een eerste kennismakingsgesprek heeft gehad met de gezinshuisouders waar zij naar verwachting zal worden geplaatst. Daarnaast zal [minderjarige 1] , als het gezinshuis in de weekenden soms gesloten is, voor deeltijd in een pleeggezin gaan verblijven.

Desgevraagd merkt de GI nog op dat zij nog geen fysieke omgangscontacten heeft kunnen organiseren tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat zij in voorafgaande gesprekken daarover met de vader niet verder kon komen.

[minderjarige 1] heeft tegen de kinderrechter verteld dat haar verblijf bij [accommodatie] goed verloopt en dat zij (nog) niet open staat voor een terugkeer naar huis. Naar de mening van [minderjarige 1] zal de vader eerst zijn gedachten moeten hebben veranderd. [minderjarige 1] geeft aan te willen wonen bij “positieve mensen” “die goed communiceren”, zoals zij zelf zegt. Met haar broertje [minderjarige 2] heeft [minderjarige 1] geen enkel contact. [minderjarige 1] zou dat wel graag willen.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de Guinese nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.

Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de

ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied

waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het

gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Wettelijk kader

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt hierbij dat uit de stukken, in het bijzonder het rapport van de Raad, en de behandeling ter zitting blijkt dat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onvoldoende een fysiek en emotioneel veilige opvoedsituatie weet te bieden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden daardoor ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zo heeft [minderjarige 1] in de thuissituatie door toedoen van de vader niet alleen lichamelijk letsel opgelopen, maar is ook haar ontwikkeling daar ernstig onder druk komen te staan. [minderjarige 2] wordt in zijn ontwikkeling ernstig bedreigd vanwege de verwarrende en belastende uitspraken die de vader tegen hem doet.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de vader daarvoor geen enkele opening laat zien doordat hij de problematiek en zijn verwarring niet (h)erkent.

De ondertoezichtstelling is dan ook in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar.

Als hulpverleningsdoelen binnen de ondertoezichtstelling worden aangemerkt:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige en bij hen betrokken omgeving;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben contact met elkaar;

- [minderjarige 1] verwerkt de ingrijpende gebeurtenissen van de afgelopen jaren;

- [minderjarige 1] begrijpt haar eigen seksualiteit en de normen van waarden die zij en de

maatschappij hierbij hebben;

- Herstel van het contact tussen [minderjarige 1] en haar vader, indien verantwoord.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.De vader heeft herhaaldelijk zeer zorgelijke grensoverschrijdende uitspraken gedaan over seksualiteit in relatie tot [minderjarige 1] . [minderjarige 1] moet in aanwezigheid van haar vader steeds alert zijn en ervaart daar stress van. Dit heeft een belemmerend effect op haar ontwikkeling. De band tussen de vader en [minderjarige 1] is ernstig verstoord. De vader lijkt niet in staat zijn denkwijze/gedachten over [minderjarige 1] te veranderen, en zolang dat niet het geval is, geeft [minderjarige 1] overduidelijk aan niet thuis te willen wonen. In dit licht is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is, in het belang van haar verzorging en opvoeding.

De Raad heeft ter zitting het verzoek tot uithuisplaatsing gewijzigd. Gebleken is dat [minderjarige 1] binnenkort kan worden geplaatst in een gezinshuis, maar ook dat het gezinshuis soms in de weekenden is gesloten. [minderjarige 1] zal dan in die weekenden moeten verblijven in een pleeggezin. Momenteel verblijft [minderjarige 1] echter nog bij [accommodatie] . Dat zo zijnde begrijpt de kinderrechter dat de Raad zijn verzoek dusdanig wijzigt, dat hij verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (voor de huidige plaatsing bij [accommodatie] ), dan wel in een gezinsgerichte voorziening (voor het gezinshuis) en tevens in een voorziening voor (deeltijd)pleegzorg.

De kinderrechter zal het gewijzigde verzoek in deze zin toewijzen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 9 april 2026 tot 9 april 2027;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel in een gezinsgerichte voorziening en tevens in een voorziening voor (deeltijd)pleegzorg tot 9 april 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand