ECLI:NL:RBZWB:2026:3924

ECLI:NL:RBZWB:2026:3924

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer 442579
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Afwijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing. Toewijzen verzoek bevel terugverhuizing, op straffe van een dwangsom.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/442579 / FA RK 26-6225

Datum uitspraak: 10 april 2026

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende vervangende toestemming verhuizing

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [plaats 2] ,

advocaat: voorheen: mr. V.C. Serrarens te Middelburg, onttrokken, thans: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk,

tegen

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [plaats 3] ,

advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter te Terneuzen.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg ,

hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

Als informant is in de procedure betrokken:

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 25 november 2025 ontvangen verzoekschrift vervangende toestemming verhuizing, met bijlagen;

- het op 16 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Serrarrens, met bijlage;

- het op 23 februari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;

- de op 24 februari 2026 ontvangen onttrekking van mr. Serrarrens als advocaat van de vrouw;

- het op 24 februari 2026 ontvangen aanvullende verzoekschrift, met bijlagen.

De verzoeken zijn gelijktijdig met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] (met zaaknummer C/02/443758 / JE RK 26-30) mondeling behandeld tijdens de zitting op 27 februari 2026. Op het verzoek van de Raad is bij separate beschikking beslist.

Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens waren aanwezig twee vertegenwoordigsters van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende, thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] .

De minderjarige verblijft bij de vrouw.

De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het

ouderlijk gezag over de minderjarige.

Bij vonnis in kort geding van 19 november 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat tussen de man en de minderjarige een voorlopige zorgregeling zal gelden op grond waarvan de minderjarige wekelijks op zondag en op donderdag van 8:45 uur tot 12:30 uur bij de man zal verblijven. Ook heeft de voorzieningenrechter bij voormeld vonnis de vordering tot het verlenen van vervangende toestemming aan de vrouw om samen met de minderjarige in of omstreeks de periode januari tot en met mei 2025 een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden te verblijven in Portugal op een nader door de vrouw op te geven adres, afgewezen. Niet is aangetoond dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij die door haar verzochte voorziening.

Bij beschikking van 18 april 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank

de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om vervangende toestemming te

verlenen om de achternaam van de minderjarige te wijzigen in die zin dat de minderjarige

een gecombineerde geslachtsnaam zal krijgen en het verzoek van de vrouw om haar

toestemming te verlenen om samen met de minderjarige te verhuizen naar een nader door de

vrouw op te geven adres in [land] afgewezen. Daarnaast heeft de meervoudige kamer van

de rechtbank bij deze beschikking de voorlopige zorgregeling zoals die is bepaald bij vonnis

van 19 november 2024 gewijzigd en de volgende zorgregeling vastgesteld:

Per 1 mei 2025: [minderjarige] en de man hebben recht op omgang op donderdagen van 08:45 uur tot 12:30 uur en op zondagen van 08:45 uur tot 17:00 uur;

Per 1 juni 2025: [minderjarige] en de man hebben recht op omgang op donderdagen van 08:45 uur tot 17:00 uur en op zondagen van 08:45 uur tot 17:00 uur;

Per 1 augustus 2025: [minderjarige] en de man hebben recht op omgang vanaf woensdag 17:30 uur tot donderdag 18:30 uur en op zondagen van 08:45 uur tot 17:00 uur;

Per 1 oktober 2025: [minderjarige] en de man hebben iedere week recht op omgang vanaf woensdag 17:30 uur tot donderdag 18:30 uur en om de week van vrijdag 17:30 uur tot maandag 08:30 uur en de helft van de vakanties en feestdagen.

Verder heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 13 mei 2025 en iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderbijdrage aangehouden.

De vrouw is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan.

Bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 oktober 2025 heeft het Gerechtshof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 april 2025. Voorts heeft het Gerechtshof de Raad verzocht een onderzoek in te stellen conform hetgeen hierover onder rechtsoverweging 3.10.1. in deze beschikking is overwogen. Daarnaast heeft het Gerechtshof voor de duur van het raadsonderzoek een voorlopige zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] en de man recht hebben op onbegeleid contact met elkaar op donderdag en op zondag van 8:45 uur tot 17:00 uur. Tot slot heeft het Gerechtshof bepaald dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan de voorlopige zorgregeling, met een maximum aan een eventueel te verbeuren dwangsom van € 5.000,-.

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 28 november 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, met ingang van 28 november 2025 en tot 28 februari 2026.

Bij vonnis in kort geding van 11 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vrouw verboden zich met [minderjarige] buiten de gemeente [plaats 4] , [plaats 5] of [plaats 1] te vestigen en haar geboden binnen twee maanden na het vonnis terug te keren met [minderjarige] naar de gemeente [plaats 4] , althans [plaats 5] of [plaats 1] , zulks op straffe van een door de vrouw aan de man te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-. Ook heeft de voorzieningenrechter de vrouw verboden [minderjarige] in de basisregistratie personen in te schrijven op een ander adres dan het adres van de woning te [plaats 6] , gemeente [plaats 4] , althans buiten de gemeenten [plaats 4] , [plaats 5] of [plaats 1] , zulks op straffe van een door de vrouw aan de man te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-. Voorts heeft de voorzieningenrechter bij voormeld vonnis de vrouw geboden een eventuele reeds gewijzigde BRP-inschrijving van [minderjarige] ongedaan te maken en de minderjarige opnieuw in te schrijven op een adres in de gemeente [plaats 4] , althans de gemeenten [plaats 5] of [plaats 1] , zulks op straffe van een door de vrouw aan de man te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-.

3. De verzoeken

De vrouw verzoekt, na aanvulling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- De vrouw vervangende toestemming te verlenen om samen met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats 2] te verhuizen naar en te blijven wonen in [plaats 2] , althans regio [plaats 7] .

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man, na aanvulling:

I. De vrouw te bevelen binnen redelijke termijn na de door de rechtbank te wijzen beschikking (terug) te verhuizen naar een woning of appartement in de gemeente [plaats 4] , [plaats 1] of [plaats 5] ;

II. Aan het voorgaande een dwangsom te verbinden van € 500,- voor iedere dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4. De beoordeling

De standpunten van partijen

De vrouw verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar dan wel te blijven wonen in [plaats 2] , althans regio [plaats 7] . Ter onderbouwing van haar verzoek voert de vrouw aan dat zij het recht heeft om haar leven opnieuw in te richten na de beëindiging van de destructieve relatie met de man. De vrouw stelt dat zij met [minderjarige] door de man met dwang uit huis is gezet, waarna zij op aandringen van de man een tijdlang met [minderjarige] bij haar moeder in [plaats 2] heeft verbleven. De man kwam toen in eerste instantie twee keer per week naar [plaats 2] voor de omgang met [minderjarige] ; dit was ondanks de grotere afstand praktisch uitvoerbaar. De vrouw is vervolgens teruggekomen naar Zeeland, in de veronderstelling dat partijen hun relatie konden hervatten. Zij heeft nooit de intentie gehad om zich permanent in Zeeland te vestigen. Toen duidelijk werd dat de relatie niet werd hervat, heeft de vrouw haar wens om terug te verhuizen naar de regio [plaats 7] aan de man kenbaar gemaakt. De man leek deze wens te begrijpen en hiermee – net als voorheen – in te stemmen, maar uiteindelijk bleef zijn toestemming uit. Volgens de vrouw is er sprake van een noodzaak voor deze verhuizing. Zij heeft in Zeeland, anders dan in de regio [plaats 7] , geen netwerk dat haar de nodige ondersteuning kan bieden, geen betaalbare woning en geen (professioneel) toekomstperspectief. Hierdoor raakt zij in Zeeland geïsoleerd, komt haar leven stil te staan en gaat haar welzijn achteruit, terwijl het belang van [minderjarige] is gediend bij een stabiele, goed functionerende moeder in een ondersteunende omgeving. Ook ervaart de vrouw in Zeeland een controlerende druk van de man, waarbij de vrouw verwijst naar het structurele patroon van intieme terreur waar volgens haar gedurende de gehele relatie van partijen sprake van was. Zij behoeft hierdoor voldoende fysieke afstand van de man om haar leven voort te kunnen zetten. De vrouw stelt verder dat zij de man genoeg compensatie biedt. Zij is bereid mee te werken aan het door de Raad geadviseerde contactherstel tussen [minderjarige] en de man onder begeleiding en middels een opbouwregeling, als de man daarvoor naar de regio [plaats 7] afreist. Vooralsnog vindt de vrouw een door haarzelf begeleide omgang tussen [minderjarige] en de man van een uur het meest passend. De vrouw kan de man geen financiële compensatie bieden voor de reiskosten, omdat zij op bijstandsniveau leeft, de volledige zorg voor [minderjarige] draagt en geen kinderbijdrage van de man ontvangt. Eventueel kan de vrouw het halen en brengen van [minderjarige] voor de begeleide omgang met de man deels voor haar rekening nemen, maar de man dient hier ook aan bij te dragen. Daarbij speelt volgens de vrouw mee dat de man veelvuldig lange afstanden met de auto aflegt voor zowel werk als privé en zelf (ook) weinig binding heeft met Zeeland. De vrouw merkt voorts op dat de communicatie tussen partijen weliswaar ernstig is verstoord, maar dit is niet doorslaggevend voor het al dan niet verlenen van toestemming voor de verhuizing en dit is minder van belang voor [minderjarige] dan het bieden van een stabiele basis aan [minderjarige] . Ten aanzien van het recht van de man op onverminderd contact met [minderjarige] in een vertrouwde omgeving benoemt de vrouw dat er al lange tijd geen contact meer plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] vanwege de volgens de vrouw bij de man vastgestelde narcistische/borderline dynamiek, het softdrugsgebruik door de man en de aanwezigheid van de nieuwe partner en diens kind met gedragsproblematiek in de omgeving van de man. Van een vertrouwde omgeving is dus geen sprake meer. Ook is de woning van de man niet geschikt voor een langdurig verblijf van [minderjarige] , nu er daar onvoldoende ruimte voor haar is. De verhuizing betekent voorts niet per definitie dat de man geen of nauwelijks contact kan hebben met [minderjarige] ; in het verleden is de omgang in [plaats 2] praktisch uitvoerbaar gebleken. Bovendien wordt er momenteel dus begeleide omgang middels een opbouwregeling geadviseerd. Er is nooit sprake geweest van een gelijkwaardige zorgverdeling. Verder is [minderjarige] volgens de vrouw niet geworteld in Zeeland; zij heeft inmiddels bijna even lang buiten Zeeland gewoond en is nog niet leerplichtig. De vrouw is haar primaire hechtingsfiguur en [minderjarige] ontwikkelt zich goed in [plaats 2] . Een gedwongen terugkeer naar Zeeland zal [minderjarige] ontwortelen. Dat de verhuizing onvoldoende is voorbereid nu de vrouw zonder toestemming van de man en de rechtbank al is verhuisd, doet niet af aan al het voorgaande, aldus de vrouw. Er was bovendien sprake van urgentie bij de verhuizing; de vrouw verkeerde in toenemende isolatie in Zeeland, de woning was financieel onhoudbaar geworden en haar mentale gezondheid stond onder druk.

Door en namens de man wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. De man betwist allereerst al hetgeen de vrouw stelt over het verloop van de (beëindiging van de) relatie van partijen. Zowel de Raad als de GI hebben niet kunnen vaststellen dat er sprake zou zijn geweest van (intiem) geweld tussen partijen en de vrouw heeft hier geen bewijs van overgelegd. [minderjarige] heeft na de relatiebeëindiging van partijen enige tijd als zuigeling met de vrouw in de randstad gewoond, omdat samenwonen niet langer mogelijk was en er geen woning in Zeeland beschikbaar was voor [minderjarige] en de vrouw. Daarna is de vrouw echter met [minderjarige] teruggekomen naar Zeeland en hebben zij enige tijd in [plaats 6] gewoond, waarna de vrouw wederom met [minderjarige] naar de regio [plaats 7] is vertrokken. Nu is er echter geen sprake (meer) van een noodzaak voor de verhuizing van de vrouw en [minderjarige] naar de regio [plaats 7] . De vrouw heeft wel degelijk een netwerk (gehad) in Zeeland, maar heeft er zelf voor gekozen dit links te laten liggen. Daarnaast heeft de vrouw geen bewijs overgelegd van haar stellingen dat haar voormalige woning in Zeeland mankementen vertoonde en zij de lasten van deze woning niet meer kon betalen. Volgens de man verkeert deze woning in prima staat, zoals ook blijkt uit de stukken van de huurcommissie, en is deze geschikt voor de vrouw en [minderjarige] . Daarbij komt dat de vrouw nu zegt dat deze woning financieel niet haalbaar was, maar volgens haar berichten op Facebook op zoek is naar een woning in de regio [plaats 7] met een soortgelijke of zelfs hogere huurprijs. De man betwijft verder of de vrouw er met haar nieuwe carrièrewending in de omgeving [plaats 7] in zal slagen een stabiel inkomen te generen. De verhuizing is ook onvoldoende doordacht en voorbereid. Ongeveer een jaar geleden wilde de vrouw nog met [minderjarige] naar Portugal verhuizen, onlangs is de vrouw – zonder toestemming van de man of vervangende toestemming van de rechtbank – met [minderjarige] bij haar moeder in [plaats 2] ingetrokken, vervolgens heeft zij – opnieuw zonder toestemming – enige tijd met [minderjarige] in [plaats 8] gewoond en nu verblijft zij weer bij haar moeder in [plaats 2] . Hiermee creeërt de vrouw een onstabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] . Tegelijkertijd biedt de vrouw de man geen compensatie. Zij verwacht dat de man voor de (toekomstige) omgang telkens naar de omgeving [plaats 7] afreist en biedt hem geen tegemoetkoming in de reiskosten. Inmiddels heeft er – tegen diverse beschikkingen en vonnissen in en ondanks een dwangsom en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] – al lange tijd geen contact meer plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] , omdat de vrouw dit contact frustreert. Hij vindt een uur door de vrouw begeleide omgang niet in zijn belang of het belang van [minderjarige] . Het is te kort en contact met de vrouw roept bij hem veel spanning op. De man betwist de zorgen die de vrouw in het kader van omgang over hem uit. Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben geoordeeld dat er geen signalen van onveiligheid zijn in de opvoedsituatie van de man en dat er omgang moet zijn tussen de man en [minderjarige] . Daarbij betwist de man de diagnoses die volgens de vrouw bij hem zijn gesteld. De man wijst er op dat deze diagnoses ook nietblijken uit de stukken die de vrouw heeft overgelegd. De man is, nu het contact al enige tijd stil ligt, bereid om mee te werken aan begeleiding en een opbouw gedurende de eerst contactmomenten met [minderjarige] . Daarna dient er volgens de man frequent fysiek contact te zijn tussen de man en [minderjarige] – in ieder geval twee keer per week een dag in de woning van de man zoals voorheen het geval was – om zo de band met [minderjarige] te herstellen en te versterken. Dit wordt bemoeilijkt als [minderjarige] op grote afstand van de man blijft wonen. De man wil nog steeds een grote en actieve rol spelen in het leven van [minderjarige] , het liefst (op termijn) in de vorm van co-ouderschap of een uitgebreide weekendregeling. Verder stelt de man dat de communicatie tussen partijen zeer moeizaam verloopt nu er vrijwel geen contact mogelijk is tussen hen en dat [minderjarige] ondanks haar jonge leeftijd is geworteld in Walcheren. Al het voorgaande maakt volgens de man dat de belangen van de vrouw bij de door haar gewenste verhuizing niet opwegen tegen de belangen van hem en die van [minderjarige] om in Zeeland op te groeien en veel mogelijkheden te hebben voor fysiek contact met de man. Daarom verzoekt de man de vrouw te bevelen binnen redelijke termijn met [minderjarige] (terug) te verhuizen naar een woning of appartement in de gemeente [plaats 4] , [plaats 1] of [plaats 5] , op straffe van een dwangsom.

De informatie van de GI

De GI benoemt ter gelegenheid van de zitting dat het belang van [minderjarige] , dat is gediend bij een goede verstandhouding met haar beide ouders, dient te prevaleren boven het belang van de vrouw om te wonen in de door haar gewenste omgeving. Ook benoemt de GI dat het vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige] passend is om de contactmomenten met haar vader gedurende het contactherstel en de opbouw langer dan één uur te laten duren. Spanning ervaren tussen de vrouw en de man is niet in belang van [minderjarige] .

Het advies van de Raad

De Raad adviseert de rechtbank geen toestemming te verlenen voor de verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar [plaats 2] , althans regio [plaats 7] , nu het belang van de vrouw om aldaar te wonen onvoldoende is komen vast te staan en het in het belang van [minderjarige] is dat zij in de buurt van haar beide ouders woont. Wanneer de vrouw met [minderjarige] zou verhuizen naar (dan wel zou blijven wonen in) de omgeving [plaats 7] staat de man voorgoed op afstand, kan er nooit een uitbreide zorgregeling tussen de man en [minderjarige] gelden en is er een groot risico op contactverlies tussen [minderjarige] en de man, zeker gezien het zeer moeizame verloop van het contactherstel en de opbouw van het contact tussen de man en [minderjarige] . In dat kader dient er volgens de Raad nu voorlopig twee keer per week onder begeleiding contact plaats te vinden tussen [minderjarige] en de man, waarbij het contact de eerste twee keer een uur kan duren en vervolgens dient te worden uitgebreid. Bij voorkeur niet begeleid door de vrouw omdat er dan spanningen zijn tussen de man en de vrouw.

De inhoudelijke beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat partijen zijn belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Dit betekent dat de vrouw voor de verhuizing met de minderjarige [minderjarige] naar [plaats 2] , althans regio [plaats 7] , in beginsel de toestemming van de man nodig heeft.

Indien de ouders het hierover niet eens worden, kunnen geschillen op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Omdat de man geen toestemming geeft en het niet is gelukt om ter gelegenheid van de zitting een vergelijk tussen partijen te bereiken, zal de rechtbank een beslissing nemen op het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats 2] , althans regio [plaats 7] en op het verzoek van de man om de vrouw te bevelen om, op straffe van een dwangsom, terug te verhuizen naar de gemeente [plaats 4] , [plaats 1] of [plaats 5] . De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang [minderjarige] wenselijk voorkomt.

Uit vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 en HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0293) volgt echter dat hieruit niet mag worden afgeleid dat het belang van in dit geval [minderjarige] bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Bij de beoordeling dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en die tegen elkaar af te wegen. Hoewel het belang van [minderjarige] dus een overweging van de eerste orde is, neemt dat niet weg dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval andere belangen zwaarder kunnen wegen. Vooral de volgende omstandigheden en belangen worden meegewogen bij de beslissing:

het recht en belang van de vrouw om te verhuizen en in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten;

de noodzaak voor de vrouw om te verhuizen;

de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

de door de vrouw geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor [minderjarige] en de man te verzachten en/of te compenseren;

de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

de rechten van de man en [minderjarige] op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de continuïteit van de zorg;

de frequentie van het contact tussen de man en [minderjarige] voor en na de verhuizing;

de leeftijd van de [minderjarige] , haar mening en de mate waarin zij is geworteld in haar omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

de (extra) kosten van het contact na de verhuizing.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de ouder bij wie de minderjarige zijn of haar hoofdverblijf heeft in beginsel de gelegenheid moet krijgen om met de minderjarige ergens anders een toekomst op te bouwen. De vrijheid van de vrouw om met [minderjarige] te verhuizen kan echter worden beperkt op een wijze die in de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Nu de vrouw en de man gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen en er laatstelijk bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 oktober 2025 een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] is bepaald (die weliswaar al lange tijd niet wordt uitgevoerd), inhoudende dat [minderjarige] iedere donderdag en zondag van 8:45 uur tot 17:00 uur bij de man zal verblijven, zou een verhuizing van de minderjarige met zich kunnen brengen dat de daadwerkelijke uitoefening van het gezag door de man en de (voorlopige) zorgregeling worden beperkt. Om die reden zou de bescherming van de rechten en vrijheden van de man of van [minderjarige] (indirect) een inbreuk op de vrijheid van verplaatsing van de vrouw kunnen rechtvaardigen. De omstandigheden van het geval moeten na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een beslissing om te verhuizen rechtvaardigen. Hierna zal aan de hand van eerder genoemde criteria worden beoordeeld of de keuze van de vrouw om te verhuizen in het kader van de belangafweging te rechtvaardigen valt.

De rechtbank begrijpt de wens en het emotionele belang van de vrouw om zich te (blijven) vestigen in de regio [plaats 7] en aldaar een toekomst op te bouwen. Echter, de rechtbank is van oordeel dat de vrouw de noodzaak voor deze verhuizing met [minderjarige] niet genoegzaam heeft aangetoond. Niet valt in te zien waarom de vrouw niet langer met [minderjarige] in haar voormalige woning in Zeeland kon blijven wonen. Zo blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de overgelegde stukken dat deze woning daadwerkelijk gebreken vertoonde of financieel onhoudbaar was geworden voor de vrouw. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de zitting heeft toegelicht dat zij geen andere woning in Zeeland kan vinden, terwijl de man dit betwist en een onderbouwing van die stelling ontbreekt. De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij concrete pogingen heeft ondernomen om een andere woning in Zeeland te vinden. Dat de vrouw in Zeeland geen ondersteunend netwerk zou hebben en minder mogelijkheden zou hebben om succesvol carrière te maken vindt de rechtbank niet voldoende zwaarwegend. Voorts overweegt de rechtbank dat de vrouw de gestelde slechte ervaringen en belevingen gedurende de relatie met de man, die uitdrukkelijk door de man worden betwist, niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, zodat dit evenmin gegronde redenen zijn om vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen naar de regio [plaats 7] . Daarbij komt dat de vrouw in Zeeland niet in dezelfde straat of buurt als de man behoeft te gaan wonen.

De rechtbank is verder van oordeel dat de vrouw de verhuizing onvoldoende heeft doordacht en voorbereid. De vrouw beschikt nog niet over een woning in de regio [plaats 7] , maar woont als tijdelijke oplossing met [minderjarige] bij haar moeder in. Tussendoor heeft de vrouw enige tijd met [minderjarige] in een tijdelijk beschikbare woning van vrienden in [plaats 8] verbleven. Niet in geschil is dat al deze verhuizingen hebben plaatsgevonden zonder de benodigde toestemming van de man dan wel de vervangende toestemming van de rechtbank. Dit neemt de rechtbank de vrouw zeer kwalijk. Hiermee heeft de vrouw het gezag van de man ondermijnd. Bovendien heeft de vrouw de man op geen enkele wijze alternatieven of maatregelen geboden om de gevolgen van de verhuizingen voor [minderjarige] en de man te verzachten en/of te compenseren. Integendeel, de vrouw heeft tegen diverse beschikkingen en vonnissen in het contact tussen de man en [minderjarige] stopgezet. De vrouw stelt dat zij hiertoe is over gegaan vanwege uiteenlopende zorgen over de (opvoed)situatie bij de man. Deze zorgen heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet nader met bewijsstukken onderbouwd. De rechtbank volgt deze visie van de vrouw, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, dan ook niet. Daarbij komt dat de GI inmiddels bij partijen en [minderjarige] betrokken is geraakt in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] , om de belangen van [minderjarige] te behartigen en voorop te stellen en met als voornaamste doel om spoedig toe te werken naar contactherstel tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank vindt het betreurenswaardig dat dit contactherstel in de afgelopen periode niet van de grond is gekomen. Daarbij kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat de vrouw zich hierbij niet erg meewerkend heeft opgesteld. Dit acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] .

Tijdens een schorsing van de zitting is het partijen evenwel gelukt om met de GI afspraken te maken over het contactherstel en de opbouw van het contact tussen de man en [minderjarige] . Deze afspraken zijn opgenomen in de beschikking op het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] (met zaaknummer C/02/443758 / JE RK 26-30). De rechtbank verwacht dat beide partijen zich in het belang van [minderjarige] aan deze afspraken houden.

Ongeacht het voorgaande, is de rechtbank in navolging van de Raad van oordeel dat de verhuizing van de vrouw en [minderjarige] naar de regio [plaats 7] het contact tussen de man en [minderjarige] negatief zal beïnvloeden. De man wil graag betrokken zijn en blijven bij [minderjarige] en zijn ouderrol vervullen. Hij wil heel graag het contact met [minderjarige] herstellen en op termijn uitbreiden naar een week-om-week-regeling of een uitgebreide weekendregeling. De fysieke afstand tussen de regio [plaats 7] en de woonplaats van de man zal dit naar het oordeel van de rechtbank echter onmogelijk maken en ook belastend en bezwaarlijk maken voor [minderjarige] . [minderjarige] is nog jong en zal zich de komende jaren volop gaan ontwikkelen en zal uiteindelijk steeds meer haar sociale leven gaan vormgeven. Als aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend, zal de ontwikkeling en het sociale leven van [minderjarige] zich voornamelijk in de regio [plaats 7] gaan afspelen en zal de man daarvan, gezien de grote reisafstand, maar beperkt deelgenoot kunnen zijn. Zo zal hij maar beperkt betrokken kunnen zijn bij het doordeweekse leven van [minderjarige] , haar toekomstige (buiten)schoolse- en sportactiviteiten en nauwelijks mogelijkheden hebben tot spontane contactmomenten buiten de zorgregeling om. Deze ontwikkeling gaat naar het oordeel van de rechtbank in tegen het belang van de man en [minderjarige] . Vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige] en voor de continuïteit van het contact tussen de man en [minderjarige] acht de rechtbank fysieke nabijheid een voorwaarde voor de feitelijke betrokkenheid van de man bij de ontwikkelingen en het sociale leven van [minderjarige] en voor het opbouwen van een band tussen hen. De rechtbank schat bovendien het risico zeer groot in dat het contact tussen de man en [minderjarige] (blijvend) onder druk zal komen te staan bij een verhuizing van de vrouw en [minderjarige] naar de regio [plaats 7] , te meer daar partijen op dit moment onvoldoende in staat zijn om met elkaar te communiceren. Dit alles is naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] .

Alles overziend, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het belang van [minderjarige] om in de nabijheid van haar beide ouders op te groeien en daarbij veelvuldig contact te kunnen hebben met haar beide ouders, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om zich met [minderjarige] in de regio [plaats 7] te (blijven) vestigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing dient te worden afgewezen. In het licht daarvan zal de rechtbank het verzoek van de man om de vrouw te bevelen terug te verhuizen, toewijzen. De rechtbank zal aan deze veroordeling een termijn verbinden van drie maanden. Dit acht de rechtbank een redelijke termijn enerzijds gezien de huidige krapte op de woningmarkt en anderzijds omdat de vrouw reeds eerder bij vonnis in kort geding van 11 december 2025 is geboden om binnen een termijn van twee maanden met [minderjarige] terug te keren naar de gemeente [plaats 4] , althans [plaats 5] of [plaats 1] . Het voorgaande betekent dat de vrouw binnen deze termijn van drie maanden, en daarmee uiterlijk op 1 juli 2026, een woning zal moeten vinden in de gemeente [plaats 4] , [plaats 5] of [plaats 1] .

De vraag is vervolgens of aan het bevel tot terugverhuizing een dwangsom verbonden moet worden zoals door de man verzocht. De rechtbank overweegt in dit kader dat de vrouw ter gelegenheid van de zitting weliswaar heeft toegezegd dat zij de beslissing van de rechtbank zal opvolgen, maar de rechtbank heeft hierin onvoldoende vertrouwen, gelet op het feit dat de vrouw met haar verhuizingen naar [plaats 2] , [plaats 8] en opnieuw naar [plaats 2] volledig autonoom heeft gehandeld en daarbij voorbij is gegaan aan de belangen van [minderjarige] en de voor de vrouw kenbare belangen van de man en aan de juridische verplichtingen waarmee ze bekend was. De rechtbank zal daarom een dwangsom aan de terugverhuizing verbinden, om er zo zeker van te zijn dat de vrouw zal terugverhuizen naar een woning in de gemeente [plaats 4] , [plaats 5] of [plaats 1] . De rechtbank ziet daarbij wel aanleiding om de verzochte dwangsom te matigen. De rechtbank zal in verband met de eisen van proportionaliteit bepalen dat de vrouw een dwangsom dient te betalen van € 250,- per dag voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,-. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staan in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het belang om het bevel tot terug verhuizing na te komen en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

Uitvoerbaar bij voorraad

De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank:

beveelt de vrouw om met de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 2023 uiterlijk op 1 juli 2026 terug te verhuizen naar een woning in de gemeente [plaats 4] , [plaats 5] of [plaats 1] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij dit bevel overtreedt met een maximum van € 10.000,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, voorzitter tevens (kinder)rechter, en mr. Dijkman en mr. Hendriks, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. De Beer

Griffier

  • mr. De Haas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand