beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/445958 / FA RK 26-1290
datum uitspraak: 10 april 2026
beschikking over vervangende toestemming vakantie
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J. Jurgers in Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] ,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011, hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2017, hierna: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2020, hierna: [minderjarige 3] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zit het volgende stuk:
- het op 11 maart 2026 ontvangen verzoek, met bijlagen.
Het verzoek is mondeling behandeld op 3 april 2026. Bij de zitting was aanwezig de advocaat van de vrouw middels een telefonische verbinding. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
De man en de vrouw zijn juist opgeroepen, maar niet gekomen.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vinden, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van [datum 1] 2014 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 2] 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige 1] geboren.
Na het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] . De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
3. Het verzoek en de standpunten
De vrouw verzoekt om bij beschikking te bepalen dat:
- aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend voor het reizen met de minderjarige kinderen van partijen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2017 en [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2020, in de periode van 17 april tot en met 26 april 2026 ten behoeve van vakantie naar [plaats 2] , Turkije, althans deze toestemming te verlenen betreffende [minderjarige 1] , alsmede daarbij te verstaan dat de vrouw voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen toestemming behoeft vanwege haar eenoudergezag, een en ander met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
De standpunten
Namens de vrouw is in het verzoekschrift en tijdens de zitting het volgende aangevoerd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] wonen bij de vrouw. Er is al ruim een jaar geen contact meer tussen hen en de man. De man heeft ook aangegeven dat hij geen contact meer met de kinderen wil. De meerderjarige dochter van partijen [minderjarige 5] wil zich in Turkije verloven met haar partner. De vrouw wil daarom naar Turkije afreizen voor een vakantie om bij de verloving aanwezig te zijn. De vrouw heeft een reis geboekt naar [plaats 2] , Turkije, van 17 april 2026 tot en met 26 april 2026. De man geeft geen toestemming voor deze vakantie. Hij is alleen akkoord met een reis van de vrouw en de kinderen binnen Europa. De vrouw heeft eerder een kort gedingprocedure bij de rechtbank Den Haag gestart maar deze rechtbank gaf aan dat de vrouw geen voldoende spoedeisend belang had bij haar vordering. Dat is de reden waarom de vrouw onderhavige procedure is gestart. De vrouw verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen voor de vakantie en de man te veroordelen in de proceskosten.
De Raad adviseert het verzoek van de vrouw toe te wijzen.
Juridisch kader
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
In artikel 1:253a BW staat dat de rechter een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang vindt van het kind. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW).
De man is, evenals de vrouw, ondanks dat hij daartoe correct is opgeroepen, niet verschenen tijdens de zitting. Het is partijen om die reden dan ook niet gelukt om een afspraak met elkaar te maken over het verlenen van toestemming voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige 1] naar Turkije. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw.
Vervangende toestemming vakantie
De rechtbank oordeelt als volgt. Nu de vrouw met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 4] is belast, heeft zij geen toestemming van de man nodig om met hen op vakantie te gaan. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van deze minderjarigen afwijzen.
De rechtbank is, net als de Raad, van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat hij met zijn moeder naar Turkije af kan reizen om het verlovingsfeest van de oudste dochter van partijen te kunnen bijwonen en daar vakantie te kunnen vieren. Nu partijen gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] belast zijn heeft de vrouw voor de vakantie met [minderjarige 1] toestemming van de man nodig. De vrouw heeft echter onweersproken gesteld dat de man de benodigde formulieren voor de vakantie niet heeft getekend en geen toestemming verleent voor deze vakantie. De man zou slechts kunnen instemmen met een reis van de vrouw en [minderjarige 1] binnen Europa. De rechtbank stelt vast dat er geen negatief reisadvies geldt ten aanzien van [plaats 2] , de bestemming van de reis van de vrouw met [minderjarige 1] . De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er ook geen overige bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de door de vrouw verzochte toestemming niet zou moeten worden verleend. Gelet op het voorstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming dan ook toewijzen.
Proceskostenveroordeling
Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten zal worden afgewezen. Alhoewel de rechtbank het standpunt van de vrouw begrijpt is de rechtbank van oordeel dat in onderhavig geval geen sprake is van een zodanige situatie dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat, nu partijen (ex)-echtgenoten van elkaar zijn, de proceskosten worden gecompenseerd. De proceskosten zullen dan ook worden gecompenseerd.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing omtrent de vervangende toestemming voor de vakantie, ambtshalve, uitvoerbaar bij voorraad verklaren nu zij dit in het belang van [minderjarige 1] acht. Dit betekent dat deze beslissing moet worden gevolgd ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
5. De beslissing
De rechtbank
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011 naar [geboorteplaats 3] , [geboorteland] in de periode van 17 april 2026 tot en met 26 april 2026 en aldaar te verblijven;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.