RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/446058 / JE RK 26-439
C/02/446579 / JE RK 26-539
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N.A.H. Limbourg uit Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
C/02/446058 / JE RK 26-439
het verzoekschrift met bijlagen van 12 maart 2026, ontvangen op 13 maart 2026;
het stelbericht van mr. Limbourg van 17 maart 2026;
het bericht met bijlagen van mr. Limbourg van 30 maart 2026.
C/02/446579 / JE RK 26-539
- het verzoekschrift met bijlagen van 26 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/446058 / JE RK 26-439 en het verzoek in de zaak met kenmerk C/02/446579 / JE RK 26-539, zijn de verzoeken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij deze beschikking beslist.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 april 2024 [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 8 april 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 15 april 2025 tot 15 april 2026.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 29 januari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 8 februari 2026 tot 15 april 2026. [minderjarige 1] verbleef op grond van voorgaande machtiging tot 22 maart 2026 in een gezinshuis. Op 22 maart 2026 is [minderjarige 1] bij de moeder in een moeder-kind huis gaan wonen. Sinds 25 maart 2026 verblijft [minderjarige 1] op een geheime locatie.
3. Het verzoek
C/02/446058 / JE RK 26-439
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
C/02/446579 / JE RK 26-539
De GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van één jaar en om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] is lange tijd uit huis geplaatst geweest. Op 22 maart 2026 is hij teruggeplaatst bij de moeder in het moeder-kind huis. Nog geen 72 uur daarna, op 25 maart 2026, heeft de moeder zich afgemeld bij de nachtzorg omdat zij naar de oma (mz) wilde gaan. Dit was niet van tevoren met de GI besproken. Toen de GI erachter kwam dat de moeder het moeder-kind huis wilde verlaten, is duidelijk gemaakt dat zij hiervoor geen toestemming had. Toch heeft de moeder is de moeder met [minderjarige 1] vertrokken. De moeder heeft de GI verteld dat zij van [minderjarige 1] houdt, maar dat zij ook haar eigen leven moet leiden. Dit laat, volgens de GI, zien dat de moeder niet altijd in het belang van [minderjarige 1] denkt. Ook op zitting gaat het veel over de moeder, wat ten koste gaat van [minderjarige 1] . Daar komt bij dat de moeder niet transparant is geweest over waar zij heen zou gaan op 25 maart 2026. De moeder heeft verteld dat zij naar de oma (mz) zou gaan. Volgens de oma (mz) zou de moeder pas op 26 maart 2026 naar haar toekomen en zouden de moeder en de vader van [minderjarige 2] samen met de kinderen in een hotel verblijven. De moeder is ook samen met de kinderen aangetroffen in een hotel. Naast dat er sprake was van een risicovolle, vindt de GI het zorgelijk dat het allemaal vlak na de terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder plaatsvond. De GI heeft er hard gewerkt om de thuisplaatsing te realiseren.
[minderjarige 1] is lange tijd getuige geweest van huiselijk geweld. Er was sprake van huiselijk geweld in de relatie van de moeder met de vader van [minderjarige 1] , maar ook in de relatie tussen de moeder en de vader van [minderjarige 2] , het halfbroertje van [minderjarige 1] . Dit is traumatisch geweest voor [minderjarige 1] . Hij is een kwetsbare jongen en heeft behandeling nodig. In juli en september 2025 zijn er nog zorgmeldingen gedaan over de relatie tussen de moeder en de vader van [minderjarige 2] . Daarnaast is de vader bij de oma (mz) langs gegaan en heeft hij haar bedreigd om haar huis op te blazen als niet in contact met de moeder kon komen. Mede gelet hierop, vanwege de veiligheid van [minderjarige 1] en het feit dat de moeder zich niet aan de veiligheidsafspraken heeft gehouden, is de verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing noodzakelijk. De fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] bij de moeder kan op dit moment nog onvoldoende worden gegarandeerd.
In de beschikking van 29 januari 2026 heeft de kinderrechter overwogen dat de GI, de moeder en de gezinshuisouders ervoor dienen te zorgen dat een verantwoorde en veilige terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder is geborgd. De GI diende ervoor te zorgen dat de moeder voldoende tools aangereikt krijgt. Daarom is CZG ingeschakeld geworden. Ook heeft het moeder-kindhuis, op aanvraag van de GI, een optie voor een nachtzorgorganisatie aangedragen. De GI merkt op dat de financiering niet op orde was, omdat [minderjarige 1] bij het gezinshuis verbleef en het geld dus daarheen ging. Voor de financiering van het moeder-kindhuis is daarom door de GI een dummy BSN aangevraagd voor [minderjarige 2] , het toen nog ongeboren kind. Het kan zijn dat dat de moeder ervaart dat de GI geen moeite doet, maar de GI is op de achtergrond heel druk bezig. De GI vindt het niet meer realistisch om nieuwe afspraken met de moeder te maken. De GI maakt zich zorgen over hun samenwerking. Alles wat de GI zegt of doet, wordt verdraaid. Dit gaat ten koste van de kinderen, wat de GI kwalijk vindt. De GI denkt dat het niet zal helpen als er een andere jeugdbeschermer komt. In het verleden gebeurde namelijk hetzelfde ook bij andere jeugdbeschermers en hulpverleners.
5. Het standpunt van belanghebbende
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat het verzoek om de uithuisplaatsing te verlengen dient te worden afgewezen. Er moet passende hulpverlening worden ingezet en er moeten extra tools voor de moeder komen, zoals is overwogen in de beschikking van 29 januari 2026. Ook in de beschikking van de zitting daarvóór is op te maken dat een uithuisplaatsing niet meer noodzakelijk is. De omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] heeft stil gelegen omdat de GI in hoger beroep wilde gaan en omdat er een andere jeugdbeschermer is gekomen. Begin maart 2026 heeft de GI de moeder gebeld dat [minderjarige 1] niet meer in het gezinshuis kan blijven en dat hij uiterlijk 22 maart 2026 teruggeplaatst zou worden. De moeder was blij, maar vond het ook heftig aangezien zij net bevallen was van [minderjarige 2] en er geen opbouw in de omgang had plaats gevonden. In het moeder-kindhuis zijn er altijd schreeuwende kinderen. De moeder ervaart er daarom geen rust. Zij wilde graag tijd doorbrengen met de oma (mz) en haar kinderen. De moeder wist niet hoe [minderjarige 1] , na de uithuisplaatsing, zou reageren op het logeren bij de oma (moederszijde). Daarom heeft zij een kamer in een hotel geboekt voor haarzelf en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader van [minderjarige 2] was daar niet. Eerder in maart was het geen probleem toen de moeder en de vader van [minderjarige 2] samen met [minderjarige 2] uit logeren gingen. Als er al zorgen waren over de veiligheid van [minderjarige 1] dan had, na het interne overleg van de GI, een terugkoppeling aan de moeder moeten plaatsvinden over de consequentie van het logeren in een hotel. Als de moeder had geweten dat zij niet met de kinderen weg mocht dan had zij dat niet gedaan. De moeder wil graag in het moeder-kind huis blijven, maar volgens de moeder heeft de GI aangegeven dat zij ergens anders aangemeld moet gaan worden. Het moeder-kindhuis heeft aangegeven dat de financiering daarvoor nog wel geregeld moet worden, maar dat de moeder nu niet weg hoeft. [minderjarige 1] kan bij de moeder in het moeder-kindhuis wonen. In de periode tot het einde van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing kunnen er duidelijke, schriftelijke afspraken worden gemaakt.Voor wat betreft de ondertoezichtstelling verzoekt de moeder om deze te verlengen met zes of negen maanden en om het restant van het verzoek aan te houden. Het ontbreekt aan duidelijkheid en er mist een concreet plan. Door de aanhouding bestaat er een toetsmoment. Dat is belangrijk zodat er de komende periode kan worden toegewerkt naar de overdracht naar het vrijwillig kader. De GI geeft aan dat zij moeite hebben gedaan voor de thuisplaatsing, maar zo heeft de moeder dat niet ervaren. Zij heeft zelf hulpverlening gezocht. De jeugdbeschermer is nauwelijks langs geweest bij de moeder. De moeder wordt aan haar lot overgelaten en op het moment dat zij struikelt, wordt er gehandeld, bijna alsof het paniekvoetbal is. De moeder en de kinderen zijn hier de dupe van. De moeder vindt het kwalijk dat de schuld bij haar wordt gelegd. De moeder krijgt het gevoel dat het nooit genoeg is. De GI moet de moeder de tools geven zodat zij zo goed als mogelijk voor haar kinderen kan zorgen.
6. Het standpunt van de Raad
Door de Raad is, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
De Raad vindt de situatie zorgelijk. De GI en de moeder hebben een heel andere beleving van de situatie. [minderjarige 1] is na een lange uithuisplaatsing op 22 maart 2026 weer bij de moeder geplaatst, maar is na de gebeurtenis op 25 maart 2026 weer uit huis geplaatst. De Raad hoort dat de moeder sensitief goed kan aansluiten bij haar kinderen. Het perspectief lijkt dus bij de moeder te zijn.
Er is veel ruis ontstaan tussen de moeder en de GI, waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet altijd centraal hebben gestaan, zeker gelet op de leeftijd van de kinderen is dat zorgelijk. De Raad vindt het belangrijk dat duidelijk wordt voor de moeder en voor de GI waar de focus moet komen te liggen de komende periode. De moeder staat daarom voor een keuze. Zij moet zich óf binnen een moeder-kind huissetting concentreren op de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] óf zij zal zich moeten concentreren op het herstel van de relatie met haar partner. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de moeder hierin een keuze maakt zodat de hulpverlening zich daar ook op kan focussen. Of de toekomst in het huidige moeder-kindhuis of op een andere locatie zal zijn, is aan de GI en de moeder. De Raad adviseert om eerst de focus te leggen op de verzorging en opvoeding van beide kinderen zodat er vanuit een veilige setting met duidelijke veiligheidsafspraken kan worden onderzocht wat de rol van de vader van [minderjarige 2] is. Dat doet het meeste recht aan het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , aldus de Raad.
7. De beoordeling
C/02/446058 / JE RK 26-439
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en door wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat er nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en de zorg die nodig is om deze bedreiging weg te nemen, wordt onvoldoende geaccepteerd door de moeder. Op de zitting is gebleken dat de moeder enerzijds en GI anderzijds een heel andere kijk op de situatie van het gezin hebben. Zij lijken elkaar niet te begrijpen en elkaar niet te kunnen vinden. Ongeacht wat er precies gebeurd is, is de situatie hoe dan ook erg zorgelijk. [minderjarige 1] is getuige geweest van huiselijk geweld en was lange tijd uit huis geplaatst. Hij functioneert emotioneel jonger dan zijn kalenderleeftijd, er zijn zorgen over de hechting en er zijn signalen van trauma. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld. De meest recente melding is van de zomer van 2025. Die is vrij recent. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de moeder is mishandeld tijdens de zwangerschap door de vader van [minderjarige 2] , de halfbroer van [minderjarige 1] . Ook is er een melding dat de vader bij de oma (mz) is langsgegaan en dat hij heeft gedreigd haar huis op te blazen als hij niet in contact met de moeder kan komen. Er bestaan daarom zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] .
Daarnaast is het zorgelijk dat de moeder niet altijd keuzes lijkt te maken die in het belang zijn van [minderjarige 1] . Binnen 72 uur na de terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder heeft de moeder het moeder-kindhuis al verlaten. Ook is zij niet transparant geweest over de gang van zaken op 25 maart 2026. De moeder heeft aangegeven dat zij bij de oma (mz) zou verblijven zodat zij door haar ondersteund kon worden. Zij heeft niets verteld over het verblijf in een hotel. Door het verstrekken van onjuiste informatie over het verblijf was er geen zicht op de veiligheid van [minderjarige 1] . Gezien het patroon van geweld uit het verleden is het begrijpelijk dat de GI zich zorgen maakte over de situatie. De kinderrechter overweegt dat het zeer sprekend is voor de situatie dat de oma (mz) aan de Raad en de GI heeft verteld dat de moeder met de kinderen én de vader in een hotel verbleef. De moeder wist wat de veiligheidsafspraken voor [minderjarige 1] inhielden en heeft zich hier niet aan gehouden.
De kinderrechter benadrukt dat er geen zorgen bestaan over de opvoedvaardigheden van de moeder, hoewel zij zich kan voorstellen dat de verzorging en opvoeding voor twee jonge kinderen anders zal zijn ten opzichte van de situatie van toen de moeder slechts één kind had. De zorgen die er zijn, zien op de veiligheid van [minderjarige 1] .
Gelet op de zorgen en op het feit dat de moeder aangeeft de relatie met de vader van [minderjarige 2] voort te willen zetten, moet er goed worden onderzocht hoe de situatie rondom [minderjarige 1] veilig kan zijn. Er moeten daarover duidelijke veiligheidsafspraken worden gemaakt en er moet een gedegen plan van aanpak komen, dat in ieder geval ingaat op de mogelijkheden van een terugplaatsing bij de moeder en hoe en waar deze zou moeten plaatsvinden. Omdat het de verwachting is dat dit onderzoek en de behandeling die [minderjarige 1] nodig heeft nog enige tijd zullen duren, wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor de verzochte duur van een jaar.
De kinderrechter merkt op dat op zitting is gebleken dat de communicatie tussen de moeder en de GI niet optimaal is en zij geeft de GI in overweging een andere jeugdbeschermer aan te stellen zodat er met een schone lei voornoemd voorgesteld onderzoek kan worden gedaan. Het is voor een geslaagd onderzoek erg belangrijk dat er vertrouwen bestaat tussen de ouders en de GI.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:
[minderjarige 1] woont in een opvoedsituatie waarin voldoende veiligheid, voorspelbaarheid, structuur, liefde en warmte wordt geboden;
[minderjarige 1] heeft nare gebeurtenissen uit zijn leven verwerkt en een plekje gegeven;
[minderjarige 1] kan altijd vertrouwen op zijn moeder, zodat de moeder niet terugvalt in oud gedrag waardoor er onveiligheid ontstaat;
er worden duidelijke veiligheidsafspraken gemaakt tussen de moeder en de GI.
C/02/446579 / JE RK 26-539
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar
Inhoudelijke beoordeling
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en door wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat ook aan de voorwaarden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing wordt voldaan. Gelet op voornoemde zorgen is de uithuisplaatsing op dit moment nog noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Er is sprake geweest van huiselijk geweld en er is onvoldoende zicht op de veiligheid van [minderjarige 1] in de situatie bij de moeder. De moeder en de vader van [minderjarige 2] geven aan dat zij hun relatie willen voortzetten. Gelet hierop, op het feit dat de moeder eerder niet transparant is geweest en gelet op het feit dat de communicatie met de GI niet optimaal is, is het risico op een (soortgelijke) onveilige situatie te groot om [minderjarige 1] op dit moment terug te plaatsen bij de moeder. Voor een terugplaatsing is het daarom belangrijk dat er eerst meer zicht komt op de veiligheid van de situatie in het gezin. Er zal moeten worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn van een eventuele terugplaatsing bij de moeder en er moet daarvoor een gedegen plan van aanpak worden opgesteld.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen maar zal deze in duur beperken tot 25 juni 2026. Hiertoe overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 1] erg jong is en dat hij al lange tijd uit huis geplaatst is geweest. Het uitgangspunt is dat een kind dient op te groeien bij (een van de) ouder(s), voor zover de situatie dat toelaat. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat er op zeer korte termijn duidelijkheid komt over de situatie in het gezin en op het perspectief van [minderjarige 1] . Dit zal moeten beginnen met het maken van duidelijke veiligheidsafspraken.
De moeder staat voor de keuze zoals de Raad deze omschrijft. Het is aan haar of zij de focus legt op het opvoeden van beide kinderen zodat er vanuit die situatie kan worden onderzocht hoe de vader van [minderjarige 2] betrokken kan worden dan wel dat de moeder de focus legt op de relatie met de vader van [minderjarige 2] en er vanuit die situatie wordt gekeken naar hoe de kinderen veilig kunnen opgroeien. Welke keuze de moeder ook maakt, het is belangrijk dat het belang van [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] , altijd centraal staat. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder graag in het moeder-kindhuis verblijft en dat zij de hulpverlening aangaat. De kinderrechter zal een deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing aanhouden. De kinderrechter verwacht van de GI dat deze onderzoekt wat de (on)mogelijkheden zijn in het perspectief. Indien de GI, tegen die tijd, het verzoek wenst te handhaven maar deze nog steeds van mening is dat het huidige moederkindhuis geen passende plek is, zal er eventueel een passende plek voor [minderjarige 1] , en de moeder, moeten worden gevonden.
De kinderrechter verwacht van de GI uiterlijk op na te melden PRO FORMA datum in een schriftelijk verslag (een en ander onder de gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaat van de moeder) nadere informatie over:
een recente stand van zaken rondom de situatie in het gezin;
het verloop van de ondertoezichtstelling en van de ingezette hulpverlening;
een recente stand van zaken rondom de uithuisplaatsing, waarbij dient te worden ingegaan op de volgende vragen
a. wordt er gewerkt aan thuisplaatsing?
I. Zo nee, waarom is thuisplaatsing (nog) niet aan de orde?
II. Zo ja, hoe ziet dat traject eruit?
Welke hulpverlening aan de ouders wordt (hierbij) ingezet?
Hoe ziet de omgangsregeling eruit?
Is er een perspectief biedende oplossing en zo ja, hoe ziet die eruit?
Is een netwerkplaatsing overwogen; zo nee, waarom niet?
Indien niet gekozen is voor een gezinsomgeving, waarom niet?
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
8. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 15 april 2026 tot 15 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte accommodatie met ingang van 15 april 2026 tot 15 juni 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 4 juni 2026 PRO FORMA, in afwachting van de informatie van de GI zoals weergegeven onder rechtsoverweging 7.12
Deze beslissing is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesprokken op 10 april 2026 in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.