ECLI:NL:RBZWB:2026:3936

ECLI:NL:RBZWB:2026:3936

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer C/02/346912 FA RK 18-3564
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Eindbeschikking na langlopende procedure. Afwijzing gezamenlijk gezag en afwijzing omgang.

Uitspraak

2. De nadere beoordeling

Bij beschikking van 10 februari 2025 is bepaald dat de man en de minderjarigen voorlopig begeleide omgang met elkaar zouden hebben, zodat meer zicht kon worden verkregen op hoe het contact tussen de man en de minderjarigen verliep. De hulpverlening diende vervolgens te bekijken of de begeleiding van het contact kon worden afgebouwd en hoe de verdere frequentie/duur van het contact eruit zou moeten zien. Het doel was dat spoedig toegewerkt zou worden naar onbegeleid contact. Verder is een onderzoek door de Raad gelast naar het ouderlijk gezag. De beslissing over het gezag en de omgang is daarbij voor de duur van zes maanden aangehouden. Vanwege onduidelijkheden over de omvang van het onderzoek door de Raad, heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 10 oktober 2025, na instemming daartoe van partijen, de Raad verzocht zowel over het gezag als de omgang advies uit te brengen.

Aan de rechtbank liggen nu nog voor de verzoeken van de man om te bepalen dat hij samen met de vrouw wordt belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen en om een regeling inzake de verdeling van de zorg- en contactregeling vast te stellen conform zijn voorstel. Dit voorstel houdt in dat de minderjarigen gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, althans een zodanige zorg- en contactregeling vaststellen als de rechtbank juist acht.

Op 20 januari 2026 heeft de rechtbank de rapportage van de Raad ontvangen. Hieruit blijkt dat, samengevat, de kinderen eenmaal per twee weken op vrijdagmiddag onder begeleiding omgang hebben met de man voor een tijdsduur van twee uur. De omgang wordt begeleid door Samen Sterker. De Raad adviseert om deze omgangregeling vast te leggen. De kinderen wensen namelijk omgang met hun vader, mits dit voor nu nog onder begeleiding is. Zolang de man niets anders laat zien, geen intrinsieke motivatie om samen te werken met de hulpverlening en daarnaast de kans groot lijkt dat de man (alsnog) afhaakt ten aanzien van zijn (verplichte) persoonlijkheidsonderzoek, ziet de Raad binnen afzienbare termijn geen andere mogelijkheid dan om de huidige omgangsregeling te houden zoals deze nu is. Verder adviseert de Raad geen wijziging in het ouderlijk gezag over de kinderen. De Raad ziet geen enkele mogelijkheid voor enige samenwerking tussen ouders. De jarenlange juridische procedures hebben de verhoudingen verhard. Sinds 2020 is er geen enkele inzet gepleegd op de samenwerking tussen ouders en/of het verbeteren van de oudercommunicatie. Ouders communiceren nu in het geheel niet met elkaar, althans niet op constructieve wijze. De man is daardoor op geen enkele manier op de hoogte van de ontwikkeling van de kinderen. Dit ligt niet enkel aan de vrouw, maar heeft ook te maken met de inmiddels (wederom) verharde houding van de man richting de hulpverlening (en de vrouw), alsmede het wantrouwen dat de vrouw heeft in de man. De kans is groot dat de kinderen klem en/of verloren raken tussen hun ouders wanneer sprake is van gezamenlijk gezag. De vrouw zorgt dat de kinderen krijgen wat ze nodig hebben en neemt momenteel meer dan voldoende haar ouderlijke verantwoordelijkheid. Hierover zijn binnen het onderzoek van de Raad geen zorgen naar voren gekomen. De Raad heeft overwogen om het vraagstuk omtrent gezag en omgang opnieuw aan te houden, maar kiest hier niet voor. De gehele juridische procedure loopt al te lang en vraagt teveel van de kinderen en ouders. Bij afsluiting van de juridische procedure ontstaat er op dat vlak rust. Daarnaast ziet de Raad niet op afzienbare termijn verbetering op enig vlak. De Raad is van mening dat andere zaken voorrang dienen te krijgen, zoals bijvoorbeeld het persoonlijkheidsonderzoek van de man en de focus op de omgangsregeling waarbij de man gaat samenwerken met de hulpverlening (lees; open gaat staan voor feedback).

Na het opstellen van het conceptrapport van de Raad is gebleken dat [minderjarige 1] niet meer naar de omgangsmomenten met haar vader wil. De Raad heeft hierover navraag gedaan. [minderjarige 1] is bang voor de reactie van haar vader op het advies van de Raad. Tegelijkertijd is [minderjarige 1] bang dat haar vader ervoor zal kiezen om de kinderen helemaal niet meer te zien. Een soortgelijke verlieservaring hebben de kinderen eerder gehad en [minderjarige 1] wil dit niet nog een keer meemaken. De Raad zal ter zitting de stand van zaken toelichten en mogelijk haar advies over de omgangsregeling wijzigen.

Bij brief van 29 januari 2026 heeft de vrouw de rechtbank bericht dat zij het grotendeels eens is met het advies van de Raad. Het advies van de Raad ten aanzien van de omgang en het gezag kan gevolgd worden. [minderjarige 1] wil echter niet meer naar de contactmomenten toe en zij wil niet dat er extra druk op [minderjarige 1] wordt gelegd om een regeling conform het advies na te komen. De omgangsregeling kan worden vastgesteld met de toevoeging dat [minderjarige 1] alleen naar de contactmomenten gaat als zij dat zelf aangeeft. Wat de vrouw betreft kan de zaak schriftelijk worden afgedaan.

Bij brief van 9 maart 2026 is namens de vrouw haar standpunt verwoord, aangezien zij het op de zitting lastig vindt dat te doen. Samengevat komt het erop neer dat de vrouw wenst, omwille van de rust voor de kinderen en haarzelf, dat er een eindbeslissing komt gelet op de jarenlange juridische procedures. Ze wil graag een eindbeslissing over het gezag en de omgangsregeling, ook als dat inhoudt dat de kinderen geen contact met hun vader zullen hebben. De begeleide omgang door Samen Sterker met [minderjarige 2] en zijn vader is op initiatief van vader gestopt in januari 2026. Met [minderjarige 1] had vader al geen contact meer, omdat in overleg met de betrokken hulpverleners is besloten om rekening te houden met de wensen van [minderjarige 1] .

Bij brief van 4 februari 2026 heeft de man de rechtbank bericht dat hij zich niet kan verenigen met het advies van de Raad. Hij wenst de zaak op zitting te bespreken.

Op de zitting is het raadsadvies en de huidige stand van zaken met de aanwezigen besproken.

Het standpunt van de man is dat hij sinds de start van deze procedure in 2018 zijn medewerking heeft verleend met als doel gezamenlijk gezag en onbegeleide omgang. Het steekt de man dat in het raadsrapport vooral naar voren komt wat hij niet goed zou hebben gedaan. Doordat hij de kinderen maar voor korte duur en onder begeleiding zag, wilde hij daar een leuke ervaring van maken en is van hem niet te verwachten dat hij de kinderen begrenst en opvoedt. Hij heeft niet meer het vertrouwen dat hij de kinderen onbegeleid kan gaan zien, omdat de begeleide omgang de afgelopen jaren steeds maar weer werd verlengd en dat heeft nergens toe geleid. Als hij de kinderen zag, was hij nuchter. Hij vindt dat een persoonlijkheidsonderzoek niet relevant is in deze zaak. Hij wil dat er einde komt aan deze lange procedure. Hij heeft er geen behoefte aan om af en toe een kaartje naar de kinderen te sturen. Voor hem is het duidelijk dat het niet gaat lukken wat hij wil en dan houdt het voor hem op.

Het standpunt van de vrouw is dat het jammer is dat juist op het moment dat het nodig was, er iets rondom de man misging, waardoor onbegeleid contact niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Deze gebeurtenissen hebben een zodanige impact op de kinderen, dat het niet langer in hun belang is om verder te gaan met de begeleide omgang. Er is nu rust gekomen voor de kinderen. De vrouw staat er voor open als de man af en toe een kaartje stuurt naar de kinderen en zij zullen dat lezen zodra de kinderen daaraan toe zijn.

De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting aangegeven dat, gelet op de gebeurtenissen na afronding van het rapport, de enige optie nog zou zijn het herstarten van de begeleide omgang, onder de voorwaarde dat de man instemt met het betrekken van hulpverlening daarbij en indien de kinderen zich daarbij prettig voelen. Volgens de Raad is het verrichten van een persoonlijkheidsonderzoek bij de man nuttig, omdat de mensen om hem heen dan handvatten krijgen hoe zij de man het beste kunnen benaderen en met hem kunnen omgaan. Tot slot heeft de Raad benoemd dat het altijd goed is indien de ouder met wie de kinderen geen contact hebben wel nog af en toe een kaartje stuurt, zodat zij weten dat hun vader aan hen denkt en het gevoel van afwijzing niet wordt versterkt.

Gezag

In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het raadsrapport en de bespreking op de zitting is duidelijk naar voren gekomen dat er geen draagvlak is voor gezamenlijk gezag. De verstandhouding tussen ouders is al jarenlang verstoord en de juridische procedures hebben de verhoudingen verhard. Er is geen communicatie (meer) tussen ouders en de man is niet op de hoogte van de ontwikkeling van de kinderen. Er bestaat een reëel risico dat de kinderen klem en/of verloren raken tussen hun ouders wanneer sprake is van gezamenlijk gezag. Gelet op de ingezette hulpverlening in de afgelopen jaren is niet de verwachting dat de situatie binnen afzienbare tijd zal verbeteren. De rechtbank zal het verzoek van de man om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afwijzen.

Omgang

Omdat de vrouw alleen belast blijft met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zal de rechtbank in het vervolg spreken over een omgangsregeling.

Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank ontzegt, voor zover relevant, het recht op omgang slechts, indien omgang ernstig nadeel oplevert voor de ontwikkeling van het kind, indien de ouder kennelijk ongeschikt of niet in staat moet worden geacht tot omgang of indien omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De rechtbank overweegt dat het in beginsel in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om enige vorm van omgang met hun vader te hebben. Uit de recente stukken, waaronder het raadsrapport, uit het advies van de Raad op de zitting en uit de verklaringen van de man en de vrouw op de zitting is echter gebleken dat omgang op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Beide ouders hebben aangegeven dat zij, na de intensieve afgelopen jaren waarin er veel is gebeurd, wat van invloed is geweest op de al dan niet begeleide omgang van de man met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , behoefte hebben aan rust. De gebeurtenissen hebben ook hun weerslag gehad op de kinderen. De rechtbank begrijpt dat de man de kinderen heel graag wil zien, maar dat is nu niet mogelijk. De man heeft nadrukkelijk verklaard geen vertrouwen meer te hebben in de hulpverlening en dat hij nooit meer zal meewerken aan begeleide omgang; voor hem is het alles of niets. De rechtbank zal het verzoek van de man tot vaststelling van een (onbegeleide) omgangsregeling afwijzen, omdat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en het geschil heeft betrekking op hun kinderen. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

3. De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken verzoek af;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof [geboorteplaats] .

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Tillie

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand