RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446644 / FA RK 26-1659
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. Nederlof uit Tilburg.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 31 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
mevrouw [persoon 1] , casemanager van het FACT-team;
mevrouw [persoon 2] , casemanager van het FACT-team.
2. Wat vaststaat
De rechtbank heeft een machtiging verleend tot en met 6 juni 2026.
3. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
4. De standpunten
Betrokkene geeft aan dat het momenteel een stuk beter gaat. Betrokkene vindt niet dat hij een psychische stoornis heeft. Hij heeft momenteel nog medicatie nodig en hij is er nog niet aan toe om te stoppen met de medicatie. Zo lang de zorg aangeeft dat betrokkene medicatie nodig heeft, zal betrokkene de medicatie gebruiken. Indien betrokkene de medicatie zelf echter niet meer nodig vindt, dan zou hij zonder een zorgmachtiging stoppen met de medicatie. Op dit moment zit hij al op de laagst mogelijke dosering. Het liefst wil betrokkene kijken of de medicatie over een half jaar nog nodig is en dan helemaal stoppen. Om die reden wil hij een zorgmachtiging van maximaal zes maanden. Momenteel heeft hij één keer per maand contact met de GGZ. Dit contact verloopt goed, echter helpt het hem niet echt verder. Desgevraagd geef hij aan dat hij al zeven jaar lang geen middelen meer heeft gebruikt en dat er geen sprake is van een verslaving.
[persoon 1] , casemanager van het FACT-team, verklaart dat er een verbetering te zien is in het functioneren van betrokkene sinds de start van de medicatie. Betrokkene is nu in contact met het FACT-team en hij zet stappen in het sociaal domein. Er is een verband tussen de medicatie en de verbetering in het functioneren, maar dit verband is voor betrokkene niet heel duidelijk. De casemanager twijfelt daarom of betrokkene de medicatie zou blijven gebruiken, indien er geen zorgmachtiging zou zijn.
[persoon 2] , casemanager van het FACT-team, verklaart dat betrokkene momenteel op een lage dosering van de medicatie zit en dat het goed gaat met betrokkene. Er is sprake van een psychische stoornis bij betrokkene en de medicatie heeft daar een positief effect op. De verwachting is dat betrokkene langere tijd stabiel kan functioneren met de huidige dosering. Indien de medicatie stopt, komen de psychische klachten van betrokkene terug en zal hij opnieuw gestabiliseerd moeten worden. Betrokkene zal voor langere tijd de huidige medicatie moeten blijven gebruiken, zodat de huidige stabiliteit wordt behouden. Verder verklaart de casemanager dat een opname en de daarbij behorende vormen van verplichte zorg op dit moment niet voorzienbaar zijn. Ook is er geen sprake van een verslavingsstoornis bij betrokkene.
De advocaat van betrokkene voert aan dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Er is echter geen sprake van een verslavingsstoornis bij betrokkene, waardoor de advocaat verzoekt deze stoornis niet op te nemen in de zorgmachtiging. Ook is een opname op dit moment niet voorzienbaar. De advocaat verzoekt de vormen van verplichte zorg die zien op een opname daarom af te wijzen. Verder verzoekt de advocaat de zorgmachtiging te beperken in duur tot zes maanden, zodat er een toetsmoment plaatsvindt. Indien de rechtbank van oordeel is dat een zorgmachtiging nodig is voor een langere duur dan zes maanden, refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.
5. De beoordeling
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene heeft namelijk schizofreniespectrum-en andere psychotische stoornissen en/of andere problemen die een reden voor zorg kunnen zijn. Hoewel betrokkene betwist dat bij hem sprake is van een psychische stoornis, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de medische verklaring, het zorgplan en de verklaringen van de casemanagers van het FACT-team dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.
Tijdens een psychotische decompensatie onderneemt betrokkene vanuit zichzelf niets. Ook verliest betrokkene dan het overzicht over financiën en administratie, zegt hij zijn werk of afspraken af en raakt hij sociaal geïsoleerd. In het verleden heeft dit geleid tot dakloosheid, werkloosheid en maatschappelijke teloorgang.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Tijdens een psychotische decompensatie houdt betrokkene het contact met de hulpverlening af, waarbij hij behandeling en begeleiding weigert. Ook ziet betrokkene onvoldoende verband tussen het gebruik van de medicatie en het verbleken van de psychose en zijn herstel. Het liefst wil betrokkene binnen een bepaalde tijd stoppen met de medicatie, terwijl het FACT-team verwacht dat betrokkene aangewezen is op langdurig medicatiegebruik. Betrokkene zegt (zonder een zorgmachtiging) te zullen stoppen met het gebruik van de medicatie, indien hij zelf van mening is dat dit niet langer nodig is. Daarom is verplichte zorg nodig.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten.
Ten aanzien van de vorm van verplichte zorg ‘aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten’ overweegt de rechtbank dat daaronder wordt verstaan dat betrokkene contact moet blijven onderhouden met het ambulante FACT-team.
De overige door de officier van justitie verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de casemanager van het FACT-team tijdens de zitting heeft bevestigd dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden. De casemanager heeft tijdens de zitting verklaard dat een opname in de komende periode niet voorzienbaar is, nu betrokkene al langere tijd niet meer opgenomen is geweest en betrokkene op dit moment stabiel functioneert.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
De rechtbank zal de zorgmachtiging verlenen voor de verzochte duur van twaalf maanden. Hoewel betrokkene op dit moment gestabiliseerd is, is tijdens de zitting door de casemanagers naar voren gebracht dat betrokkene langdurig medicatie zal moeten gebruiken om stabiel te blijven. Uiteindelijk wil betrokkene zelf stoppen met de medicatie. Ook indien er de komende periode besloten zou worden dat betrokkene kan stoppen met de medicatie, is een zorgmachtiging nog nodig om dit proces te begeleiden. Bovendien bestaat het risico dan dat betrokkene decompenseert.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de zorgmachtiging in duur te beperken tot zes maanden, zoals de advocaat namens betrokkene heeft verzocht. De rechtbank merkt daarbij op dat de zorgverleners telkens voor de minst ingrijpende vorm van verplichte zorg zullen kiezen en de toegewezen zorgvormen niet langer dan noodzakelijk zullen aanwenden. Het uitgangspunt en voorwaarde in de Wvggz voor de toepassing van verplichte zorg is namelijk dat verplichte zorg altijd zo beperkt mogelijk moet worden toegepast. Verder kan betrokkene gedurende de zorgmachtiging zijn wensen rondom het medicatiegebruik bespreken en tussentijds evalueren met de betrokken zorgverleners.
6. De beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.7. staan kunnen worden toegepast;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 10 april 2027.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. Gremmen, rechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot, griffier en op schrift gesteld op 15 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.