RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445710 / JE RK 26-370
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Etten-Leur ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S. Klootwijk uit Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Het verzoek van de GI om een verlenging van de ondertoezichtstelling is gelijktijdig mondeling behandeld met het verzoek van de GI om de zorgregeling te wijzigen in de zaak met kenmerk: C/02/445569 / JE RK 26-350. Op dat verzoek is bij aparte beschikking beslist.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 april 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 30 april 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De vertegenwoordigers van de GI geven aan dat de doelen die zijn gesteld bij aanvang van de ondertoezichtstelling niet zijn behaald. De contacten tussen de kinderen en de vader zijn wat de GI betreft nog onvoldoende veilig. De vader schept, mogelijk onbedoeld, verkeerde verwachtingen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Volgens de GI vindt hij het lastig om structuur te bieden aan de kinderen. Hij belast hen ook met negatieve uitspraken over de moeder en hij heeft moeite om zijn emoties te reguleren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeggen dat hun vader vaak boos is. Volgens de GI heeft de vader meer hulp en ondersteuning nodig in de contacten met zijn kinderen. De komende periode zullen de contacten daarom (professioneel) worden begeleid door [praktijk] . Op 16 april 2026 zal het laatste intakegesprek voor dat traject plaatsvinden en de verwachting is dat de begeleide contactmomenten vervolgens snel kunnen starten. Er zal in het begin steeds afzonderlijk contact gaan plaatsvinden, dus de ene keer tussen [minderjarige 1] en de vader en de keer daarop met [minderjarige 2] . Ongeveer om de acht tot twaalf weken zal er een evaluatie plaatsvinden. Verder geven de vertegenwoordigers van de GI aan dat de moeder inmiddels is bevallen van een dochter.
De moeder en haar advocaat hebben bezwaar tegen het verzoek van de GI. [praktijk] is al een tijd betrokken en die instantie heeft het voortouw. De GI handelt ook steeds in opdracht van [praktijk] . De moeder ziet geen toegevoegde waarde in een ondertoezichtstelling en heeft er vertrouwen in dat het traject bij [praktijk] in een vrijwillig kader zal blijven doorlopen. Volgens de moeder hebben de ouders sinds de start van de ondertoezichtstelling alleen maar stappen terug gezet. Zij is van mening dat de vader niet leerbaar is in het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder verbindt de GI ook steeds geen consequenties aan het gedrag van de vader. Er kan bijvoorbeeld een schriftelijke aanwijzing worden gegeven, maar dat gebeurt niet. Als de moeder alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou hebben, dan zouden alle problemen zijn opgelost.
De vader heeft op zich geen bezwaar tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hij vindt echter wel dat de GI te negatief is over hem. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat hij steeds te laat reageert en de informatie e-mails niet op tijd stuurt. De moeder stuurt de e-mails soms zelf laat, waardoor de vader ook niet op tijd kan reageren. De vader erkent dat er soms ruzies zijn tussen hem en zijn ouders waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij zijn. Daar is hij op aangesproken door de therapeut van [praktijk] en sindsdien verlopen de contacten volgens hem ook rustiger. Verder wordt er gezegd dat hij de kinderen heeft belast door te zeggen dat de kinderen niet bij hem mogen slapen, omdat het van de moeder niet mag. Volgens de vader is dat gewoon de waarheid en hij wil niet liegen tegen zijn kinderen. De vader geeft aan dat hij hulp aan het zoeken is voor zijn emotieregulatie.
De vertegenwoordigster van de Raad ondersteunt het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen. De kinderen worden nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd en de ouders zijn niet in staat om met elkaar over de kinderen te communiceren. De Raad verwacht niet dat het de ouders op dit moment lukt om de gestelde doelen in een vrijwillig kader te behalen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Uit de overgelegde stukken en de standpunten die zijn gegeven op de zitting blijkt dat er nog steeds zorgen zijn over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geconstateerd wordt door de GI en door [praktijk] dat de contacten tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de vader (bij de grootouders) op dit moment niet veilig genoeg verlopen. De vader doet belastende uitspraken richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter vindt het uiterst zorgelijk dat de vader niet inziet dat hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast met zijn uitspraken en dat hij - desgevraagd - niet voornemens is daarmee te stoppen. Verder lukt het de vader onvoldoende om structuur aan te bieden, de kinderen te begrenzen en aan te sluiten bij hun behoeften. De betrokken therapeut benoemt dat de vader meer een speelmaatje voor de kinderen is dan een opvoeder. Tijdens de evaluaties van de contactmomenten komt ook naar voren dat de vader problemen ervaart in zijn emotieregulatie. Hij is op zoek naar passende individuele hulpverlening hiervoor. Verder blijkt dat de verstandhouding tussen de ouders nog steeds fors is verstoord.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders niet in staat zijn om met elkaar op ouderniveau te communiceren. De GI en [praktijk] gaan de komende periode inzetten op begeleide contacten tussen de kinderen en de vader. Het is wenselijk dat het traject in een gedwongen kader wordt gemonitord en gewaarborgd.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Weterings als griffier en op schrift gesteld op 15 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.