ECLI:NL:RBZWB:2026:3956

ECLI:NL:RBZWB:2026:3956

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer C/02/446330 / JE RK 26-496
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verzoek ondertoezichtstelling toegewezen. Onderzoek MASIC en NICHD nav zorgen over intieme terreur en kindermishandeling. Uitslag onderzoek bepaalt verdere hulpverleningskoers.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446330 / JE RK 26-496

Datum uitspraak: 10 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. F. Ergec uit Bergen op Zoom,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. J.L.P. Heuts uit Breda,

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Etten-Leur.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026;

- het bericht van de Raad met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordiger van de GI.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 januari 2026 en tot 23 april 2026.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

[minderjarige 1] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat hij niet zo veel vindt van het verzoek. Het gaat goed met hem sinds hij in het nieuwe huis woont. Hij vindt het fijn dat hij niet meer naar de vader gaat, omdat de vader boos op hem werd en hem pijn deed. Ook kreeg [minderjarige 1] steeds de schuld als zijn halfbroer iets fout deed. Daarnaast vertelt [minderjarige 1] dat hij het niet fijn vindt dat hij steeds vroeg moet opstaan voor school. [minderjarige 1] staat niet open voor (bel)contact met de vader. Dit mag wel van de moeder. Het liefst zou hij willen dat zijn ouders goed contact hebben met elkaar, dat de vader liever zou zijn voor de moeder en dat hij zijn vader dan kan zien.

[minderjarige 2] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat ze het fijn vindt in de nieuwe woning. Daarnaast geeft [minderjarige 2] aan dat het redelijk goed gaat op school. Ze heeft nu medicijnen voor een betere concentratie. [minderjarige 2] vindt het lastig dat ze door de reisafstand steeds vroeg moet opstaan en bijna niet met vriendinnen na school kan afspreken. Ook vindt ze het niet fijn dat er veel ruzie is op school. Verder vertelt [minderjarige 2] dat ze het fijn vindt dat ze de vader niet meer ziet. Ze ervaart hierdoor meer rust. Het liefst wil [minderjarige 2] niet meer naar de vader toe, omdat er veel is gebeurd. De vader deed boos tegen [minderjarige 1] en heeft haar geslagen. De moeder staat achter contact met de vader, maar dit wil [minderjarige 2] niet. Verder licht [minderjarige 2] toe dat ze het fijn vond om te praten met de jeugdbeschermers. [minderjarige 2] vindt het niet leuk dat ze vaak ruzie heeft met [minderjarige 1] . Ze denkt dat dit te maken heeft met alles wat er gebeurd is. Het is voor [minderjarige 2] tot slot belangrijk dat ze naar een andere school kan, zodat ze met haar nieuwe vriendinnen in [woonplaats 1] op dezelfde school kan zitten.

De Raad handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat de uitkomsten van de MASIC-vragenlijst en de NICHD-methode nog niet binnen zijn. Deze uitkomsten zullen de verdere koers moeten bepalen inzake de in te zetten hulpverlening binnen een gedwongen kader. Er is sprake van een complexe situatie, aangezien de minderjarigen geen contact meer hebben met de vader. Ook hebben de minderjarigen verschillende zorgen geuit. Het is belastend voor de kinderen dat zij nog altijd met onzekerheid kampen ten aanzien van school. Het is van belang dat hier zo snel mogelijk duidelijkheid over komt. De Raad is van oordeel dat, ondanks dat de kinderen het naar hun zin hebben op hun huidige school, er geen contra-indicaties zijn voor een wisseling van school.

Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder maakt zich grote zorgen over het welzijn van de kinderen en hoopt dat er snel een oplossing en duidelijkheid komt. De moeder is van mening dat het voor de ontwikkeling en de sociale integratie van de kinderen beter is als zij naar een nieuwe school gaan in [woonplaats 1] . Dit staat compleet los van de problemen die de kinderen al jaren ervaren in de contacten met de vader. De kinderen uiten zorgelijke signalen, welke signalen de vader vervolgens bagatelliseert. Er is ook geen hulpverlening voor de kinderen ingezet. Er moet door middel van de MASIC en NICHD duidelijkheid komen over wat er precies is gebeurd, zodat daarna kan worden onderzocht of en op welke manier een veilig contactherstel kan plaatsvinden. Vooral [minderjarige 1] heeft hier behoefte aan. Tot slot kan de toestemming van de vader voor de wijziging van de school een opening creëren bij de kinderen.

Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het is belangrijk dat de contactregeling zo snel mogelijk wordt hersteld, hetgeen qua aard en vorm afhankelijk is van de uitkomsten van de MASIC en NICHD. De vader vraagt zich daarnaast af in hoeverre de moeder daadwerkelijk het contact tussen de vader en de kinderen stimuleert, aangezien de vader op hun telefoons is geblokkeerd. Verder is het een taak van de GI om aan de kinderen op een positieve manier terug te koppelen dat de vader naar de kinderen heeft geluisterd en daarom, in hun belang, eventueel akkoord is met de wijziging van de school. Dit zal namelijk helpend zijn voor het contactherstel. Ook is het van belang dat de GI goede (systemische) hulpverlening voor de ouders inzet en dat de vertrouwenspersoon voor de kinderen betrokken blijft.

De GI voert geen verweer tegen het verzoek. De MASIC en NICHD zullen op hele korte termijn worden afgenomen door [psychologenpraktijk] . De GI verwacht in juni het advies. Er hebben al twee gesprekken plaatsgevonden met de ouders. De gesprekken met de kinderen moeten nog plaatsvinden. Ook heeft de GI een vertrouwenspersoon voor de kinderen ingezet.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen of de ouder die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn of is te dragen.

Inhoudelijke beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 BW. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.

De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen groeien al een lange periode op in een complexe echtscheidingssituatie tussen de ouders, waarbij er sprake is van spanningen tussen de ouders en zij, in het bijzijn van de kinderen, negatief over elkaar spreken. Het lukt de ouders ook niet om gezamenlijke afspraken te maken in het belang van de kinderen en voldoende emotioneel beschikbaar te zijn, met als gevolg dat de kinderen klem zijn geraakt in loyaliteiten. Daarnaast is het de kinderrechter gebleken dat de kinderen al vanaf november 2025 geen contact meer hebben met de vader, nu de moeder de zorgregeling eenzijdig heeft stopgezet. De kinderen uiten een grote weerstand tegen contact met de vader en vertellen tegen meerdere instanties zorgelijke verhalen over mishandelingen door de vader. De ouders verschillen ook van visie over de reden van de contactbreuk tussen de kinderen en de vader, waarbij de moeder spreekt over intieme terreur en de vader over ouderverstoting. Er is nog altijd onvoldoende zicht op de (dynamiek in de) opvoedsituaties van de kinderen, nu de uitkomsten van de MASIC en het NICHD-interview nog ontbreken.

Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van de GI noodzakelijk is, zodat de GI als onafhankelijke derde beslissingen kan nemen in het belang van de kinderen, alsmede regie kan voeren over de nog in te zetten hulpverleningstrajecten. De ouders zijn bereid maar onvoldoende in staat om de zorgen weg te nemen en de hulpverlening blijvend te accepteren, gelet op het gebrek aan communicatie en samenwerking tussen de ouders en de sterk uiteenlopende visies van de ouders. Het is van belang dat de GI de voortgang van de hulpverleningstrajecten monitort en zorg draagt voor de continuering daarvan. Daarbij gaat het onder andere om de afname van de MASIC en het NICHD-interview, zodat zo spoedig mogelijk zicht kan worden verkregen op de dynamiek in de opvoedsituaties van de kinderen bij beide ouders, maar ook om de betrokkenheid van een vertrouwenspersoon voor de kinderen, zodat zij met een neutrale volwassene kunnen (blijven) praten. Zodra de uitkomsten van voornoemde onderzoeken bekend zijn, is het van belang dat de GI onderzoekt welke vorm van hulpverlening het beste aansluit bij de ouders in het kader van het verbeteren van de onderlinge samenwerking en communicatie. Ook dient de GI, nadat de uitkomsten van de MASIC en het NICHD-interview bekend zijn, de mogelijkheden van contactherstel tussen de kinderen en de vader te onderzoeken, waarbij het belang van de kinderen voorop dient te staan. Tot slot merkt de kinderrechter op dat het noodzakelijk is dat de kinderen zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over een wijziging van de school, hetgeen losstaat van de overige zaken die moeten worden besproken in de tussen partijen aanhangige gezag- en omgangszaak. Het is in het belang van de kinderen als de ouders hierover, al dan niet door tussenkomst van de GI en de advocaten van partijen, afspraken kunnen maken. De kinderrechter verwacht dat in dat kader aan de kinderen op een positieve wijze wordt teruggekoppeld dat de vader betrokken is en meedenkt over de schoolwisseling.

De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom – onweersproken – onder toezicht van de GI voor de verzochte duur van een jaar.

De kinderrechter stelt, met inachtneming van het rapport van de Raad, de volgende doelen vast:

De kinderen voelen zich fysiek en emotioneel veilig in hun opvoedomgeving en zij kunnen openlijk loyaal zijn aan beide ouders;

De kinderen worden niet belast met fysieke straffen en kunnen hun gedachten en gevoelens vrij uiten. Deze worden gehoord en serieus genomen door de ouders;

Er wordt zicht verkregen op de beleving van de kinderen in de echtscheidingscontext, met name waar zij door/mee belast worden en wat zij hierin van de ouders nodig hebben om deze te doen laten afnemen;

Er wordt zicht verkregen op de dynamiek in beide opvoedsituaties;

Na de afname van de MASIC bij de ouders kan er een goede inschatting gemaakt worden welke vorm van hulpverlening aansluit bij ouders. Als er signalen van intieme terreur zijn, dan ligt ouderschapsbemiddeling niet in de reden. Als dit duidelijk is, wordt hulpverlening ingezet om de communicatie en samenwerking tussen ouders te verbeteren;

Na de afname van de MASIC en het NICHD wordt onderzocht of en op welke wijze tot een veilige contactherstel kan worden gekomen tussen de kinderen en de vader, waarbij de behoeften en het tempo van de kinderen voorop staat;

Er is aandacht voor het verbeteren en herstellen van contact tussen de kinderen en de partner van de vader en de andere kinderen in het gezin van de vader;

De ouders informeren elkaar eenmaal per maand over (belangrijke) gebeurtenissen van de kinderen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 10 april 2026 en tot 10 april 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Boomaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand