Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.159585.23
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
raadsman mr. S. Arts, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, door met zijn auto naar links te sturen en krachtig te remmen terwijl [slachtoffer] achter hem reed.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Er wordt partiële vrijspraak gevorderd van het naar links rijden tijdens de eerdere inhaalactie, omdat de getuigenverklaringen in het dossier op dit punt onvoldoende concreet zijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.
Daartoe is aangevoerd dat de motorrijder zelf zeer kort (onverwachts) achter verdachte kwam rijden en dat verdachte toen hij remde de motorrijder niet heeft gezien. Er is dan ook geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op het veroorzaken van een dodelijk ongeval dan wel zwaar lichamelijk letsel, waardoor vrijspraak moet volgen. Ook dient vrijspraak te volgen van artikel 6 WVW, omdat het naar links sturen niet is gebeurd ten tijde van het ongeval. Het remmen betreft een mogelijke verkeersfout, maar dit is onvoldoende om te komen tot een veroordeling voor dit feit, mede in acht genomen de verwijtbare verkeersovertredingen van de motorrijder zelf.
In het geval verdachte niet wordt vrijgesproken van het onderdeel ‘al dan niet krachtig remmen’ wordt verzocht om vergelijkend sporenonderzoek te laten uitvoeren door het NFI, waarbij wordt bepaald door welk onderdeel van de motorfiets het spoor op de kofferbak is veroorzaakt. Mocht dit onderzoek niet meer mogelijk zijn, dan is er sprake van een vormverzuim en de verdediging meent dat het Openbaar Ministerie dan niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, dan wel dat bewijsuitsluiting moet volgen van de bewijsmiddelen waar het dit onderdeel van de tenlastelegging betreft.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 28 juni 2023 reed verdachte omstreeks 18:29 uur als bestuurder van een Peugeot 308 met [kenteken 1] op de N268 Noordlangeweg, komende uit de richting van Oud Gastel en rijdend in de richting van Dinteloord. Achter verdachte reed [slachtoffer] als bestuurder op een motorfiets van het merk Kawasaki met [kenteken 2] . Ter hoogte van hectometerpaal 4.1 is door verdachte geremd. Als gevolg hiervan is [slachtoffer] met zijn motorfiets tegen de achterzijde van de auto van verdachte gebotst en heeft een salto over de auto gemaakt, waarbij hij op het dak is beland. Verdachte heeft hierna zijn auto geleidelijk tot stilstand gebracht, waarna [slachtoffer] zich van het dak heeft laten rollen. Als gevolg van dit ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, bestaande uit een scheur in zijn penis (waarvoor vier hechtingen nodig waren) en zijn linker teelbal is operatief verwijderd.
Korte tijd voorafgaand aan dit ongeval had er onenigheid plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] , omdat [slachtoffer] volgens verdachte een verboden inhaalactie was gestart, waarna verdachte met zijn auto iets naar links had gestuurd met als doel om aan [slachtoffer] duidelijk te maken dat dit niet was toegestaan.
Naar links sturen?
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte tijdens de eerder plaatsgevonden onenigheid heeft geprobeerd om [slachtoffer] van de weg te rijden door zijn auto naar links te sturen. Uit het dossier blijkt immers niet hoever verdachte zijn auto naar links had gestuurd. De getuigenverklaringen zijn daarover wisselend. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook partieel vrijspreken.
Krachtig geremd?
Niet staat ter discussie dat verdachte heeft geremd. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe krachtig verdachte heeft geremd.
Bij de verkeersongevallenanalyse is onderzoek gedaan naar de aangetroffen (regel)sporen op het wegdek waarbij deze sporen zijn afgetekend. Een dergelijk regelspoor kan alleen worden afgetekend indien er zeer krachtig is geremd. Aan de hand van deze afgetekende regelsporen is vastgesteld dat verdachte met zijn voertuig een zogeheten Antiblokkeer Systeem (hierna: ABS) remming heeft gemaakt kort voor of tijdens de botsing waarbij de motorrijder achterop zijn auto is gebotst. Een ABS-remming betreft een zeer krachtige remming waarbij het voertuig de wielen niet laat blokkeren, zodat het voertuig bestuurbaar blijft. Ten aanzien van de snelheid tijdens de botsing is daarnaast vastgesteld dat de motorfiets reed met een geregistreerde snelheid van 78 km/h en de Peugeot van verdachte met een snelheid van rond de 53 tot 55 km/h. Dit terwijl verdachte naar eigen zeggen kort voor het ongeval nog reed met een snelheid van 90 km/h.
Voornoemde bevindingen worden bevestigd door de onafhankelijke [getuige] , die achter [slachtoffer] reed ten tijde van het ongeval. Hij verklaarde ter plaatse tegen een verbalisant dat hij zag dat de remlichten van de auto van verdachte fel rood schenen, waardoor hij het vermoeden kreeg dat verdachte bewust op de rem had getrapt. In aanvulling daarop verklaarde [getuige] bij de rechter-commissaris dat verdachte niet zachtjes remde, maar hard had geremd. Bovendien verklaarde de vriendin van verdachte – die naast hem in de auto zat ten tijde van het ongeval – ter plaatse tegen de verbalisant dat verdachte hard remde en dat ze toen de klap hoorde. Eén dag na het ongeval verklaarde diezelfde getuige dat verdachte op zijn rem trapte en dat zij daarna een klap hoorde, waarna zij de motor aan de kant van de weg zag liggen.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte voorafgaand aan de botsing een krachtige remming had ingezet. Uit de verkeersongevallenanalayse blijkt dat voor deze remming geen forensisch technisch aantoonbare reden werd vastgesteld. De rechtbank neemt deze conclusie over.
Verdachte zelf heeft verklaard dat hij voor het ongeval heeft gereden met een snelheid rond de 90 km/h en dat hij enkel wat heeft bij geremd omdat hij naar 80 km/h wilde gaan, zodat hij zijn cruisecontrol kon activeren. Deze verklaring van verdachte wordt op geen enkele manier ondersteund door bovenstaande (objectieve) bevindingen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt dan ook ongeloofwaardig.
Primair: poging tot doodslag?
De vraag is of verdachte zich door zo te handelen schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] .
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag moet verdachte vol of voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] hebben gehad. Het dossier bevat geen concreet aanknopingspunt dat verdachte vol opzet daarop had.
Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel teweeg heeft gebracht, verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans en die kans ook heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de motorrijder niet heeft gezien volstrekt ongeloofwaardig. Nu uit het onderzoek is gebleken dat er geen forensisch technisch aantoonbare reden was voor het remmen, staat het naar het oordeel van de rechtbank buiten kijf dat verdachte heeft geremd omdat hij de motorrijder zag aankomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er kort daarvoor onenigheid tussen verdachte en [slachtoffer] was, waarbij verdachte [slachtoffer] had duidelijk gemaakt dat hij niet mocht inhalen. [slachtoffer] had verdachte vervolgens toch ingehaald en was even verderop bij de rotonde geschrokken afgestapt, waarna verdachte hem had gepasseerd. Verdachte kon er daardoor op bedacht zijn dat [slachtoffer] zich op diezelfde weg achter hem zou bevinden en hem mogelijk zou naderen of opnieuw in zou willen halen.
Naar het oordeel van de rechtbank bestond er door het krachtig remmen terwijl [slachtoffer] kort achter hem reed, een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans dat de [slachtoffer] achterop de auto van verdachte zou botsen en dat hij door die botsing om het leven zou komen. De rechtbank merkt daarbij op dat het een feit van algemene bekendheid is dat een motorrijder een kwetsbare verkeersdeelnemer is. Vanwege die kwetsbaarheid was er bij de door verdachte en [slachtoffer] gereden snelheden gevolgd door de krachtige remming van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] . De gedraging van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het teweegbrengen van de dood dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte door zijn handelen deze aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte dan ook voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [slachtoffer] .
De omstandigheid dat [slachtoffer] op korte afstand van de auto van verdachte reed doet aan dit oordeel niet af. Verdachte heeft opzettelijk strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank had de motorrijder op dergelijk handelen niet bedacht hoeven zijn.
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.
Voorwaardelijk verzoek / Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk?
De rechtbank acht bewezen dat verdachte krachtig heeft geremd. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om vergelijkend sporenonderzoek te laten uitvoeren af. Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht om tot een bewezenverklaring te komen. Bovendien is het door de verdediging verzochte onderzoek feitelijk gezien niet meer mogelijk . Dat dit onderzoek niet meer mogelijk is leidt evenwel niet tot een niet-ontvankelijkverklaring van het OM, zoals door de raadsman bepleit. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op grond van schending van een vormvoorschrift, komt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde. Dit kan aan de orde zijn wanneer sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke situatie absoluut geen sprake. Integendeel, het Openbaar Ministerie heeft zich welwillend opgesteld en heeft gedurende het onderzoek waar mogelijk gehoor gegeven aan de onderzoekswensen van de verdediging en dit onderzoek deugdelijk uitgevoerd. De rechtbank ziet gelet daarop evenmin aanleiding voor bewijsuitsluiting.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
als bestuurder van een personenauto op 28 juni 2023 te Dinteloord, gemeente Steenbergen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] , welke reed op een motorfiets, terwijl die [slachtoffer] achter zijn, verdachtes, personenauto reed krachtig heeft geremd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast vordert hij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren, met aftrek, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring, dan verzoekt de verdediging om aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf van substantiële duur op te leggen. Eventueel kan daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal zes maanden en een geheel voorwaardelijke rijontzegging van twaalf maanden worden opgelegd gelet op de ernst van het feit. De rechtbank dient rekening te houden met de omstandigheid dat het een unieke zaak betreft en met de rol van de motorrijder in het geheel.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op motorrijder [slachtoffer] , door zonder dat daartoe de noodzaak bestond krachtig te remmen terwijl [slachtoffer] achter hem reed. Als gevolg hiervan is [slachtoffer] tegen de achterkant van de auto van verdachte gebotst, waarna hij een salto maakte en op het dak van de auto terecht kwam. Hierdoor heeft [slachtoffer] lichamelijk letsel opgelopen, te weten een scheur in zijn penis (waarvoor vier hechtingen nodig waren) en zijn linker teelbal is operatief verwijderd. Het is een wonder dat het voor de kwetsbare motorrijder niet (nog) erger is afgelopen.
Aan het ongeval was een onenigheid tussen verdachte en [slachtoffer] vooraf gegaan, waarbij het verdachte is geweest die de onenigheid is begonnen. Verdachte wilde [slachtoffer] namelijk duidelijk maken dat de door hem gemaakte inhaalactie verboden was ter plaatse. Hierbij heeft verdachte zich provocerend gedragen en zijn auto wat naar links gestuurd. [slachtoffer] heeft op dit gedrag van verdachte gereageerd door bij een verderop gelegen rotonde te stoppen en van zijn motor af te stappen, waarna verdachte hem heeft gepasseerd en zijn weg heeft vervolgd. [slachtoffer] heeft hierna ook zijn weg vervolgd en een kleine 400 meter verder vond het ongeval plaats. Hoewel de rechtbank er oog voor heeft dat [slachtoffer] zich in deze onenigheid ook niet onbetuigd heeft gelaten, valt zijn gedrag in het niet bij de door verdachte gepleegde strafbare gedraging. De rechtbank neemt het verdachte dan ook kwalijk dat hij strafbaar heeft gehandeld door uit het niets krachtig te remmen. Te meer omdat voornoemde onenigheid al voorbij was en er voor verdachte geen aanleiding (meer) was om de confrontatie opnieuw aan te gaan.
Daarnaast weegt de rechtbank de proceshouding van verdachte in zijn nadeel mee. Hij neemt tot op de dag van vandaag geen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en blijft de schuld bij de motorrijder leggen. Verdachte toont daarmee geen zelfinzicht en dit baart de rechtbank zorgen voor de toekomst. Temeer nu het niet de eerste keer is dat verdachte voor eigen rechter speelt in het verkeer. Zo heeft verdachte tijdens zijn verhoor verklaard dat hij in het verleden een confrontatie in het verkeer heeft gehad met een vrachtwagenchauffeur.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 14 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte in het gesprek met de reclassering voornamelijk zijn perspectief ten aanzien van het feit deelt. Hij weigert om in het algemeen te verklaren over zijn persoonlijke omstandigheden. Gelet daarop kan de reclassering geen goede inschatting maken van het recidiverisico of een gedegen plan van aanpak opstellen voor een eventueel reclasseringstoezicht. Bij een veroordeling adviseren zij dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank constateert ten aanzien van de redelijke termijn dat de termijn in dit geval is gestart op 29 juni 2023, omdat verdachte op die datum is gehoord door de politie. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie jaar verstreken. Er is in deze periode veel en uitgebreid (forensisch) onderzoek verricht en er zijn ook meerdere onderzoekswensen van de verdediging uitgevoerd. De rechtbank merkt daarbij op dat de onderzoekswensen van de verdediging voor het eerst zijn opgevraagd op 6 december 2024, waarna de verdediging (na meermalen te zijn gerappelleerd) pas in april 2025 de onderzoekswensen daadwerkelijk heeft ingediend. Gelet op deze gang van zaken volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt hieraan geen verdere gevolgen.
Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is daarnaast geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van het feit en om anderzijds de veiligheid van overige verkeersdeelnemers voor een lange periode te beschermen tegen verdachte. Derhalve zal de rechtbank aan verdachte opleggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar, met aftrek, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 179a, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
poging tot doodslag;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. J.F.C. Janssen en
mr. D.M. Snoep, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 mei 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.