Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.018890.26
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
verblijvende in de penitentiaire inrichting te [plaats] ,
raadsman mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 295.220,- en dat hij een personenauto met daarin een verborgen ruimte voorhanden heeft gehad.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht..
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangezien verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 28 april 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen van [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] van 18 januari 2026, pagina 19 e.v..
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 18 januari 2026, te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom een geldbedrag van in totaal 295.220 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2op 18 januari 2026, te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, een vervoersmiddel, te weten een personenauto (Ford Focus met Duits [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoersmiddel was ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van één of meer strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen tot een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk vanwege de volgende omstandigheden. Verdachte was enkel een geldkoerier waardoor zijn rol beperkt was. Hij heeft voor een beperkte vergoeding zijn eigen vrijheid op het spel gezet. Daarnaast is er sprake van een beperkte duur, namelijk maar 1 dag. Verder heeft verdachte vanaf het begin af aan meegewerkt door toestemming te geven om de auto en zijn telefoon te doorzoeken. Bovendien is het recidivegevaar laag.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag van € 295.220,-. Hij was door een onbekend gebleven persoon gevraagd om dit geldbedrag af te leveren bij een persoon in Antwerpen. Verdachte heeft daarmee de rol van geldkoerier gehad. Verdachte heeft dit feit kennelijk slechts uit winstbejag gepleegd, nu hij hiervoor een bedrag van € 1.000,- zou krijgen.
Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt. Verdachte heeft niet willen verklaren aan wie hij dat geld moest afleveren en/of wat de herkomst van dat geld was, wat de rechtbank verdachte aanrekent. Hij biedt daardoor (een) ander(en) de gelegenheid anoniem te blijven en daardoor wordt de herkomst van het geldbedrag versluierd. Wel heeft verdachte verklaard dat het de eerste keer is dat hij als geldkoerier opereerde. Naar het oordeel van de rechtbank is het gelet op de gegeven omstandigheden in combinatie met de aanzienlijke veiligheidsrisico’s wat het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten met zich brengt, volstrekt onaannemelijk dat verdachte bij een eerste rit al meteen bijna 3 ton mee zou krijgen. Bovendien heeft verdachte op zitting verklaard dat hij werd gevraagd voor meerdere opdrachten om geld te vervoeren, waaruit blijkt dat ‘men’ verdachte hiervoor wist te vinden. Dit is niet logisch als hij niet eerder geld gekoerierd zou hebben.
De rechtbank houdt bij de strafbepaling ook rekening met het feit dat het geld werd vervoerd in een professioneel aangebrachte verborgen ruimte in de auto waarin verdachte reed. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat professioneel aangebrachte verborgen ruimtes enkel dienen om strafbare goederen, zoals uit misdrijf verkregen geld, vuurwapens en drugs, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Een professioneel aangebrachte verborgen ruimte is naar haar aard ook bedoeld voor herhaald gebruik; een verborgen ruimte wordt in de regel niet aangebracht voor eenmalig gebruik. Dit geldt temeer nu het maken van een dergelijke ruimte behoorlijke kosten met zich brengt. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat verdachte (of een ander) deze verborgen ruimte al eerder heeft gebruikt voor het verbergen van strafbare goederen, dan wel nogmaals voor dat doel zou gaan gebruiken.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop zoals door de verdediging (impliciet) is aangevoerd. Verdachte heeft immers niet alleen het geldbedrag voorhanden gehad, maar heeft dit geldbedrag ook verborgen gehouden in een professioneel aangebrachte professioneel uitziende verborgen ruimte in de auto. Naar het oordeel van de rechtbank hangen deze twee gedragingen niet zo nauw met elkaar samen dat daarmee sprake is van één verwijt dat verdachte wordt gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit is, gelet op de ernst van het feit waarbij verdachte als onmisbare schakel in een crimineel milieu heeft geopereerd en nu verdachte ongewenst wordt verklaard in Nederland. De rechtbank zoekt voor de hoogte van de straf aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, waarbij bij een benadelingsbedrag van € 250.000,- tot € 500.000,- een uitgangspunt geldt van een gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden.
Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Het beslag
De teruggave
Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 532,- wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 57, 189, 420bis, van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: witwassen;
feit 2: nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarmede het misdrijf is gepleegd verbergen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten: € 532,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Snoep, voorzitter, en mr. J.F.C. Janssen en
mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 mei 2026.
Mr. P.A.M. Wijffels is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 18 januari 2026, te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, in elkgeval in Nederland,een geldbedrag van in totaal 295.220 euro, althans een of meer voorwerpenvoorhanden heeft gehad,terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was/waren uit enig misdrijf;( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 18 januari 2026, te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, in elkgeval in Nederland,een vervoermiddel, te weten een personenauto (Ford Focus met Duits [kenteken][kenteken] )voorhanden heeft gehad,wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en/of ingericht met een ruimte diekennelijk bestemd was om de opsporing van één of meer strafbare feiten te belettenen/of te bemoeilijken;( art 189 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )