RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[eiser], te [plaats], eiser,
het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5128 PW
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 mei 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
gemachtigde: mr. W.R. Aerts,
en
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 augustus 2025 (bestreden besluit) van Orionis over de oplegging aan hem van een maatregel op grond van de Participatiewet (PW).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 6 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam]. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
Eiser ontvangt van Orionis een bijstandsuitkering. Orionis heeft deze uitkering over één maand met 30% verlaagd omdat eiser aangeboden werk heeft geweigerd.
Op grond van artikel 18, lid 5, van de PW wordt de bijstand met 100% over één maand verlaagd als algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt aanvaard.
Aan eiser is schoonmaakwerk aangeboden bij een zorginstelling voor 22,5 uur per week. Dat is algemeen geaccepteerde arbeid, die hij in beginsel moet aanvaarden. Eiser heeft die arbeid geweigerd. De vraag is of hij daarvoor een goede reden had.
Eiser heeft twee redenen genoemd waarom hij dit werk geweigerd heeft.
Ten eerste is er volgens eiser een medische reden. Hij heeft die reden echter niet onderbouwd met (medische) stukken. Dit is dan ook geen goede reden voor werkweigering.
De tweede reden voor weigering van het schoonmaakwerk is volgens eiser dat hij met dat werk zijn doel niet kan bereiken: het verbeteren van zijn taalvaardigheid. Het belangrijkste doel van werk is echter om daarmee inkomen te verkrijgen en zo uit de bijstand te komen. Schoonmaakwerk staat ook niet in de weg aan taalverbetering; eiser kon daarnaast taallessen blijven volgen. Overigens zou het schoonmaakwerk, ook al was dat zeer beperkt, hebben kunnen bijgedragen aan eisers taalontwikkeling. Ook in dat werk zou eiser collega’s of leidinggevenden hebben gehad waarmee hij een praatje had kunnen maken. Deze reden is daarom evenmin voldoende reden om het schoonmaakwerk te weigeren.
Omdat eiser geen goede reden heeft gegeven waarom hij het schoonmaakwerk geweigerd heeft, heeft Orionis terecht aan eiser een maatregel opgelegd.
Over eisers stelling dat Orionis ten onrechte geen plan van aanpak heeft opgesteld, overweegt de rechtbank als volgt.
De gemachtigde van Orionis heeft op zitting uitleg gegeven over het plan van aanpak. Hij heeft toegelicht dat het plan van aanpak bestaat uit het vastleggen van onder andere gesprekken en app-verkeer in een computerprogramma.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze werkwijze niet in lijn met de Re-integratieverordening Participatiewet Orionis Walcheren, waarin is bepaald dat de ondersteuning wordt vastgelegd in een individueel plan van aanpak. Uitsluitend het vastleggen van gesprekken, mails en appjes in een computerprogramma is onvoldoende om als ‘plan van aanpak’ te kunnen dienen. Een plan van aanpak – in algemeen taalgebruik – hoort duidelijke afspraken te bevatten over het beoogde doel en hoe dat kan worden bereikt. Een dergelijk duidelijk plan van aanpak ontbreekt in dit geval. Daarin is Orionis dus tekortgeschoten.
Dat laat onverlet dat het voor eiser duidelijk was of in elk geval had moeten zijn dat hij het schoonmaakwerk niet kon weigeren zonder dat dat consequenties had. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze tekortkomingen bovendien voldoende rekening gehouden doordat aan eiser een maatregel van 30% is opgelegd in plaats van een maatregel van 100%.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het bestreden besluit standhoudt. Het beroep is daarom ongegrond. Als gevolg hiervan heeft eiser geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 6 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.