Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-067323-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 mei 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1966 te [geboorteplaats] (België),
wonende te [woonadres] ,
raadsman: mr. M.J.F. Zoeteweij, advocaat te Vlissingen.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in 't Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, primair op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door hem meerdere malen met kracht tegen zijn hoofd en/of lichaam te slaan en/of schoppen, subsidiair ten laste gelegd als zware mishandeling en meer subsidiair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit, te weten de poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Op basis van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de poging tot doodslag omdat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had om aangever van het leven te beroven. Van voorwaardelijk opzet was eveneens geen sprake. Het gaat in deze zaak om de gevolgen van het eenmaal slaan in het gezicht en niet kan worden bewezen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat aangever als gevolg van de klap in het gezicht zou komen te overlijden. Mocht toch aangenomen worden dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood, dan kan niet worden bewezen dat verdachte, gelet op de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, wetenschap had van die kans en dat hij het gevolg op dat moment ook bewust heeft aanvaard. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Verdachte verbleef samen met aangever in de woning van aangever te [plaats 1] . Nadat aangever in de avond van 2 maart 2025 thuis kwam, ontstond er een woordenwisseling tussen aangever en verdachte. Verdachte heeft omstreeks 22:57 uur die avond naar 112 gebeld en gemeld dat aangever bewusteloos op de grond lag. In het gesprek met de meldkamer meldt verdachte verder dat aangever zwaar is toegetakeld en bloedingen heeft aan zijn gezicht, dat verdachte aangever op zijn hoofd heeft geslagen, hem serieus heeft getrapt en naar eigen zeggen door het lint is gegaan.
Naar aanleiding van de melding treffen de verbalisanten aangever ter plaatse aan in een plas bloed op de grond in de woonkamer. Aangever heeft ernstig aangezichtsletsel en de woning zit onder bloedspetters. Bij zowel de verbalisanten als het ambulancepersoneel ter plaatse ontstond op basis van het opgedroogde bloed het vermoeden dat aangever al een geruime tijd op de grond lag.
Aangever is overgebracht naar het ziekenhuis en verkeerde de eerste weken in onmiddellijk levensgevaar. Door het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) is onder meer vastgesteld dat aangever meerdere aangezichtsbreuken, breuken in de schedelbasis en een hersenbloeding heeft opgelopen, waarbij de oogbollen waren verzonken in de oogkassen. Op 15 april 2025 is verdachte overgebracht naar een revalidatiecentrum, waar hij tot 23 mei 2025 verbleef.
Verdachte heeft op 3 maart 2025, een dag na het incident, bij de politie verklaard dat hij en aangever een woordenwisseling hadden en in gevecht zijn geraakt met elkaar. Verdachte zou met beide vuisten op heel het lichaam van aangever hebben geslagen. Ook heeft hij verklaard dat hij aangever, toen hij al op de grond lag, een trap heeft gegeven op zijn lichaam. Verdachte droeg op dat moment schoenen. Ter zitting is verdachte op deze verklaring teruggekomen. Aangever zou op verdachte af zijn gelopen, hebben gezegd dat hij verdachte wilde verkrachten en zijn handen hebben vastgepakt. Verdachte zou aangever uit zelfverdediging één of misschien meerdere klappen hebben gegeven, maar niet hebben getrapt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter zitting over de door hem toegepaste geweldshandelingen, gelet op de eerder afgelegde verklaringen vlak na het incident, ongeloofwaardig. De verklaring van verdachte past bovendien niet bij de ernst van het letsel. De rechtbank zal verdachte daarom houden aan hetgeen hij vlak na het incident bij de meldkamer en politie heeft verklaard en stelt op basis daarvan vast dat verdachte meerdere malen met vuisten op het hoofd van aangever heeft geslagen, en vervolgens, terwijl aangever op de grond lag, tegen het lichaam van aangever heeft getrapt.
Poging tot doodslag?
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het handelen van de verdachten gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag. Hiervoor moet worden vastgesteld of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van aangever.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte het oogmerk (het volle opzet) had om aangever om het leven te brengen. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van aangever heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld welke geweldshandelingen verdachte heeft verricht. Dat de geweldshandelingen met forse kracht zijn uitgevoerd, blijkt uit de aard en de ernst van het hoofd- en hersenletsel dat aangever heeft opgelopen. Dit wordt door verdachte in het gesprek met de meldkamer ook bevestigd, omdat hij naar eigen zeggen door het lint is gegaan. Ook uit de forensisch medische rapportage van LOEF blijkt dat het letsel van aangever impliceert dat er aanzienlijke kracht is uitgeoefend. Naar algemene ervaringsregels brengt het met meerdere malen vuisten met kracht slaan tegen het hoofd/gezicht de aanmerkelijke kans met zich dat dit tot de dood van het slachtoffer leidt. Het hoofd is immers een kwetsbaar en vitaal deel van het menselijk lichaam. Daar komt bij dat verdachte aangever, nadat hij weerloos op de grond lag, ook nog met geschoeide voet een trap tegen zijn lichaam heeft gegeven. Gelet op de grote hoeveelheid geweld gericht tegen het hoofd en het lichaam van aangever, in combinatie met de conclusies uit de forensisch medische rapportage van LOEF dat verdachte zonder medische behandeling aan een zuurstoftekort hoogstwaarschijnlijk zou zijn overleden, is de rechtbank van oordeel dat de kans op de dood van aangever aanmerkelijk is geweest.
Omdat het algemene ervaringsregels zijn wordt eenieder, en dus ook verdachte, ondanks zijn persoonlijke problematiek, geacht wetenschap te hebben van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen, die immers zozeer gericht zijn op een bepaald gevolg, te weten de dood van aangever, volgt dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
De rechtbank is op basis van het voornoemde van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het overlijden van aangever en acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
primair
op 2 maart 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de heer [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meerdere malen met kracht- (met de vuisten) tegen het gezicht en/of hoofd heeft geslagen en/of gestompt en- tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschoptterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Verdachte sloeg aangever op het moment dat aangever op hem afkwam, zijn handen vastpakte en hem in de beleving van verdachte probeerde te verkrachten. Verdachte mocht zich verdedigen tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. De verdedigingshandelingen van verdachte voldoen ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien de rechtbank van oordeel is dat het handelen van verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, geldt dat verdachte hevig schrok van het gedrag van aangever, waardoor hij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden, omdat verdachte wisselende en abstracte verklaringen heeft afgelegd over hetgeen is voorgevallen tussen hem en aangever.
Het oordeel van de rechtbank
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.
Dat sprake is geweest van een noodweersituatie acht de rechtbank niet aannemelijk geworden, gelet op de inconsistente en onduidelijke verklaringen die verdachte over de toedracht van de ruzie tussen hem en aangever en het feit dat zijn verklaring wat betreft de vermeende wederrechtelijke aanranding onvoldoende steun vindt in het dossier. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat zij verdachte houdt aan de verklaring die hij vlak na het incident bij de meldkamer en politie heeft afgelegd, waarin hij niets heeft verklaard over de vermeende verkrachting. Er was dan ook geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer, kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging. Dit brengt met zich dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Het beroep op noodweerexces wordt eveneens verworpen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte of de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening te houden met het advies van de psycholoog om het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verder heeft verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis gezeten en zich na de schorsing van de voorlopige hechtenis aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden gehouden. De verdediging verzoekt te volstaan met de oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte verbleef al jaren in de woning van het slachtoffer en verkeerde die avond onder invloed van alcohol. Na het ontstaan van een woordenwisseling heeft hij meermalen met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen en hem, nadat hij weerloos op de grond slag, met geschoeide voet tegen het lichaam geschopt. Het slachtoffer heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Het slachtoffer heeft in coma gelegen en er was sprake van zeer ernstig (levensbedreigend) hoofd- en hersenletsel. Dat het slachtoffer uiteindelijk niet is komen te overlijden, is een omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Het slachtoffer is ruim een maand na het feit vanuit het ziekenhuis overgebracht naar een revalidatiecentrum om verder aan zijn herstel te werken. Gebleken is dat hij maanden na het incident nog altijd de gevolgen ervaart van het door verdachte toegepaste geweld. Bij ontslag uit het revalidatiecentrum in mei 2025 was er nog altijd sprake van matig verstaanbare spraak en beperkingen in het dagelijks functioneren. Het handelen van verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Daar komt bij dat het voorval ook heeft plaatsgevonden in die woning, een plek waar het slachtoffer zich bij uitstek veilig moet voelen. De rechtbank acht het voorstelbaar dat zijn gevoel van veiligheid hierdoor ernstig is aangetast.
Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 4 juli 2025, opgesteld door dr. [persoon] , psycholoog. Hieruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een stoornis in het gebruik van alcohol en een andere gespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis. De licht verstandelijke beperking en de stoornis in het alcoholgebruik waren ook aanwezig ten tijde van het feit. Daarom wordt door de psycholoog geadviseerd om het feit in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico op een soortgelijk delict wordt door de psycholoog zonder begeleiding en bij ongewijzigde omstandigheden als voorafgaand aan het feit ingeschat als matig tot hoog. Indien er sprake is van effectieve begeleiding in een gestructureerde setting, zoals bijvoorbeeld begeleid wonen, wordt dit risico naar inschatting van de psycholoog verlaagd naar laag tot matig. Verdachte is gebaat bij professionele begeleiding om stabiliteit te bereiken op de verschillende leefgebieden en ook psychisch verder tot rust te komen. Om het risico op recidive te verlagen wordt door de psycholoog geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen, en het voornoemde traject in het kader van bijzondere voorwaarden vorm te geven.
Op grond van de bevindingen van de deskundige, die de rechtbank overneemt, is de rechtbank van oordeel dat het bewezen verklaarde feit verminderd wordt toegerekend aan verdachte.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 7 juli 2025 en het voortgangsverslag van 30 april 2026, omdat de voorlopige hechtenis van verdachte op 6 november 2025 is geschorst onder algemene en bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Uit het advies en het voortgangsverslag blijkt dat de reclassering criminogene factoren zien op het gebied van alcoholgebruik en het psychosociaal functioneren van verdachte, te weten zijn licht verstandelijke beperking. Beide criminogene factoren verdienen aandacht. Zolang verdachte verblijft binnen een beschermde woonvorm en afstand blijft houden van middelengebruik, worden de dynamische risicofactoren als stabiel beschouwd. In de huidige situatie, waarbij verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis verblijft in de forensisch beschermde woonvorm van [stichting] en wordt begeleid, schat de reclassering het risico op recidive en letselschade in als laag. Ook het risico op onttrekking wordt ingeschat als laag. Verdachte is gemotiveerd om zijn leven positief vorm te geven en komt zijn afspraken en voorwaarden structureel na. De reclassering wil zich daarom blijven richten op het vasthouden van de behaalde stabiliteit en het vergroten van beschermende factoren. De reclassering acht het noodzakelijk dat verdachte in de nabije toekomst wordt overgeplaatst naar een beschermde woonvorm waar hij de benodigde zorg en begeleiding kan ontvangen. De reclassering zal blijven monitoren hoe verdachte omgaat met deze veranderingen. Daarnaast zal de ambulante behandeling worden gevolgd en zal contact worden onderhouden met de behandelaar van FZZ en de betrokken begeleiders. De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor [plaats 1] , het vinden van passende dagbesteding en het meewerken aan middelencontroles. De reclassering adviseert de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast adviseert de reclassering om een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op te leggen.
Gelet op de aard en ernst van het feit en de gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, met niets anders kan worden volstaan dan met oplegging van een gevangenisstraf van langere duur. Bij de vaststelling van de duur van de gevangenisstraf acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is bepleit, niet passend. Wel houdt de rechtbank rekening met de forse problematiek van verdachte en de omstandigheid dat het feit verminderd aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank zal daarom een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is en zal dit ook aan verdachte opleggen. De rechtbank legt dit voorwaardelijk strafdeel op om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van drie jaar verbinden. Dit doet de rechtbank enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken, anderzijds is een proeftijd van drie jaar wenselijk gelet op de problematiek van verdachte en de te verwachten duur van de hulpverlening.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden en het toezicht niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, zoals door de reclassering is geadviseerd. De rechtbank zal ook geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opleggen, omdat er in het kader van de schorsingsvoorwaarden en de op te leggen bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod ten aanzien van het slachtoffer geldt en dit voldoende moet zijn. Wel acht de rechtbank van belang dat de voorwaarden die nu reeds gelden en bij vonnis van heden zijn opgelegd, van kracht blijven. Daarom laat zij de schorsing van de voorlopige hechtenis doorlopen totdat het vonnis onherroepelijk is. Ten aanzien van het locatieverbod overweegt de rechtbank dat deze zal gelden voor de stad [plaats 1] , en niet voor de gemeente [plaats 1] , zodat deze bijzondere voorwaarden aan een eventuele verhuizing naar een woonvorm van [organisatie] in [plaats 2] niet in de weg zal staan.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: poging tot doodslag
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen 48 uur telefonisch meldt bij Reclassering Nederland, Vrijlandstraat 33 te Middelburg, tel. 088-8041505. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte zich laat behandelen door het FACT-team van een forensische GGZ instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zo lang de reclassering noodzakelijk vindt. De behandeling start als blijkt dat er een aanleiding voor aanwezig is. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
* dat verdachte verblijft bij [stichting] , [adres] of een andere instelling voor begeleid of beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk na ontslag uit de P.I. en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
* dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met slachtoffer [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 1959), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* dat verdachte zich niet in de stad [plaats 1] bevindt, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod
nodig vindt;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Als blijkt dat er sprake is van problematiek op dit gebied, werkt verdachte mee aan de uitvoering van aanvullende interventies;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 mei 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te [plaats 1]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omde heer [slachtoffer]opzettelijk van het leven te beroven,die [slachtoffer] meerdere malen, in elk geval eenmaal, met kracht- (met de vuisten) tegen het gezicht en/of hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of- tegen het gezicht en/of hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschoptterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te [plaats 1]aan een ander, te weten de heer [slachtoffer] ,opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere aangezichtsbreuken, (een)schedelbasisbreuk(en) en/of terugzakken van de oogbollen en /ofeen hersenbloeding, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meerdere malen, inelk geval eenmaal, met kracht- (met de vuisten) tegen het gezicht en/of hoofd, in elk geval tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of- tegen het gezicht en/of hoofd, in elk geval tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te [plaats 1]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan de heer [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen,die [slachtoffer] meerdere malen, in elk geval eenmaal, met kracht- (met de vuisten) tegen het gezicht en/of hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of- tegen het gezicht en/of hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )