Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-303009-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 mei 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] ,
raadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 april 2026, waarbij officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is op 5 februari 2026 gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd. De doorzoeking van de woning op grond van de TCI-melding was rechtmatig, omdat de melding voldoende concreet was en de informatie voor zover mogelijk is geverifieerd. De resultaten van de doorzoeking kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide feiten. Het binnentreden van de woning naar aanleiding van de TCI-melding was onrechtmatig, omdat deze melding onvoldoende concreet en specifiek was. De resultaten van de doorzoeking in de woning van verdachte moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Doorzoeking woning
Op 12 november 2025 heeft de politie een doorzoeking verricht in de woning van verdachte te [plaats] . In de woning zijn twee pistolen aangetroffen, een van het merk Glock en een van het merk CZ. Het Glock pistool was geschikt om volautomatisch kogelpatronen af te vuren en is aangetroffen in een sok onder de kap van de cv-ketel in de keuken. Het CZ-pistool is aangetroffen onder het matras in de slaapkamer. Verder zijn in een pot in een keukenkastje diverse zakjes aangetroffen met daarin in totaal een netto hoeveelheid van 279 gram poeder die door het NFI positief is getest op de aanwezigheid van cocaïne.
Rechtmatig verkregen bewijs?
De woning van verdachte is doorzocht naar aanleiding van een TCI-melding, het strafblad van verdachte en camerabeelden van de woning van verdachte.
Op grond van vaste rechtspraak kan een verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatiegegevens. Deze gegevens moeten voldoende concreet en specifiek zijn om het in artikel 49 WWM bedoelde vermoeden op te leveren op grond waarvan doorzoeking ter inbeslagneming mag worden verricht.
In dit geval was sprake van een TCI-melding van 17 september 2025 waarin de volgende informatie staat vermeld: “ [naam] uit [plaats] handelt in cocaïne van goede kwaliteit. Hij verkoopt grote hoeveelheden door aan straatdealers. [naam] heeft de beschikking over een vuurwapen.”
Naar het oordeel van de rechtbank was deze informatie voldoende concreet en specifiek. In de melding is een specifieke (bij)naam genoemd van de persoon over wie de melding gaat, de woonplaats van deze persoon en de strafbare feiten waarmee hij zich bezig zou houden, namelijk het handelen in cocaïne en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de politie dat op grond van de bekende achtergrond van de informant, bezien in de samenhang met de door die informant aangedragen gegevens, de verstrekte informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Uit (niet nader omschreven) onderzoek van de politie is gebleken dat met ‘ [naam] ’ verdachte wordt bedoeld en dat hij stond ingeschreven op [adres] . Om te verifiëren of verdachte daadwerkelijk op dat adres verbleef, is vervolgens een camera opgesteld met zicht op de toegang van de woning op dat adres. Uit de beelden is gebleken dat verdachte meermalen bij de toegang van de woning werd gezien, waardoor aannemelijk werd geacht dat hij daar daadwerkelijk verbleef. De politie heeft de verkregen informatie van het TCI met het voorgaande voor zover mogelijk gecontroleerd en bevestigd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de in de melding vervatte gegevens voldoende concreet en specifiek waren om in combinatie met het nadere onderzoek het in artikel 49 WWM bedoelde vermoeden op te leveren op grond waarvan doorzoeking ter inbeslagneming mag worden verricht. De doorzoeking was dus rechtmatig en de resultaten ervan kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Voorhanden hebben vuurwapens
Ten aanzien van de beide vuurwapens die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, heeft verdachte verklaard dat hij wist dat die in zijn woning aanwezig waren en dat hij die dus voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht feit 1 daarom wettig en overtuigend bewezen.
Opzettelijk aanwezig hebben cocaïne
Over de zakjes met cocaïne die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, heeft verdachte verklaard dat hij de zwarte pot waarin deze zakjes zich bevonden zelf in het keukenkastje heeft gezet. Hij heeft verklaard dat hij niet bekend was met de inhoud van de zwarte pot waarin deze zijn aangetroffen. De zakjes bevonden zich in een pot zonder deksel en waren dus direct zichtbaar. Gelet op die omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte wist van de zakjes met inhoud en dat hij de zakjes met cocaïne dus opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank acht feit 2 daarom wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 12 november 2025 te [plaats]
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch schietend pistool, van het merk Glock, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk CZ, kaliber 6,35mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
voorhanden heeft gehad;
2
op 12 november 2025 te [plaats] opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten 279 gram van een materiaal bevattende cocaïne aanwezig heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om strafvermindering toe te passen in verband met het vormverzuim bij het binnentreden van de woning. De verdediging vindt een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een pistool, een automatisch vuurwapen en een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne in zijn woning. De woning van verdachte was gelegen in het veiligheidsrisicogebied in [plaats] , dat als zodanig is aangewezen om geweldsincidenten in de stad waarbij een (vuur)wapen wordt gebruikt terug te brengen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt onaanvaardbare risico’s mee en kan leiden tot ernstige incidenten waarbij slachtoffers vallen. De omstandigheden waaronder de wapens zijn aangetroffen acht de rechtbank strafverzwarend. In de woning van verdachte is namelijk ook munitie gevonden die geschikt was voor de wapens. Dit betekent dat de vuurwapens gebruikt konden worden. Van harddrugs zoals cocaïne is bekend dat deze schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de verspreiding van dergelijke drugs in veel gevallen gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Door het bezit van de aanzienlijke hoeveelheid cocaïne heeft verdachte hieraan bijgedragen. De rechtbank acht de combinatie van drugs en wapens ook strafverzwarend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder overtredingen van de Wet wapens en munitie en de Opiumwet, maar niet recent.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het advies van Reclassering Nederland van 20 november 2025. Hieruit volgt dat de reclassering geen actueel delictpatroon signaleert en dat verdachte zijn praktische leefgebieden op orde lijkt te hebben. Hij beschikt over werk en een woning. De reclassering heeft door de proceshouding van verdachte geen zicht gekregen op zijn sociaal netwerk, zijn middelengebruik, zijn psychosociaal functioneren en zijn houding. Ook heeft de reclassering geen zicht gekregen op de vraag of verdachte een actieve rol heeft in de drugswereld. De reclassering kan dus onvoldoende inschatten welke leefgebieden delictgerelateerd zijn. De reclassering heeft te weinig zicht op de persoon van verdachte, zijn achterliggende motieven en de aanwezigheid van risicofactoren. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat.
Gelet op de ernst van de feiten, de genoemde strafverzwarende omstandigheden, de persoon van verdachte en de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en noodzakelijk. Zij zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheid-stelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Het beslag
Onder verdachte zijn verdovende middelen in beslag genomen. Deze staan vermeld op de beslaglijst in het dossier. Uit de afstandsverklaring in het dossier volgt dat verdachte afstand heeft gedaan van de verdovende middelen. Om die reden is een beslissing op het beslag niet meer nodig. De rechtbank zal daarom geen beslissing nemen over de in beslag genomen verdovende middelen.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter,
en mr. H. Skalonjic en mr. B. Akdikan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 mei 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 12 november 2025 te [plaats]- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie,te weten een automatisch schietend pistool, van het merk Glock, kaliber9mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,te weten een pistool, van het merk CZ, kaliber 6,35mm, zijnde eenvuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistoolvoorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2hij op of omstreeks 12 november 2025 te [plaats]opzettelijkeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten279 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïneaanwezig heeft gehad;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )