ECLI:NL:RBZWB:2026:4046

ECLI:NL:RBZWB:2026:4046

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 02-027314-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor vervoer van 3,5 kilo MDMA, mishandeling van een politieagent en ernstige gevaarzetting in het verkeer waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zichzelf en anderen was te duchten. Naar aanleiding van de verdenking dat verdachte drugs vervoerde, gaf de politie hem een stopteken waaraan hij niet voldeed waarop een achtervolging op de snelweg is begonnen waarbij verdachte op een bijzonder gevaarlijke wijze met zijn auto heeft gereden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-027314-26

vonnis van de meervoudige kamer van 12 mei 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] (Marokko)

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

thans gedetineerd in P.I. [locatie]

raadsman mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van 3,5 kilo MDMA, een mishandeling van een politieagent, poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan twee politieagenten door op hun voertuig in te rijden en tegen dat voertuig aan te rijden en ernstige gevaarzetting in het verkeer waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel was te duchten.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder 1, 2 en 4. Van het tenlastegelegde onder 3 vordert hij vrijspraak. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar onder het oordeel van de rechtbank nader op in.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van feit 2 en 3. Gelet op de bekennende verklaring van verdachte kunnen de feiten 1en 4 wel wettig en overtuigend worden bewezen. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar onder het oordeel van de rechtbank nader op in.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 4

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder deze twee feiten. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van deze feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. Gelet daarop zal de rechtbank hieronder volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen. De bewijsmiddelen worden daarbij slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 28 april 2026;

Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het indicatief onderzoek, p. 41;

Het rapport van het NFI d.d. 24 februari 2026, p. 130;

Het rapport van het NFI d.d. 23 februari 2026, p. 131;

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 23 en 24;

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 27 en 28.

Het hiervoor genoemde proces-verbaal betreft een proces-verbaal opgenomen in het einddossier met zaakregistratienummer PL2000-2026022666 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 133.

Feit 2

Onder dit feit wordt verdachte verweten dat hij politieagent [benadeelde 1] heeft mishandeld door hem tegen zijn scheenbeen te schoppen. Verdachte ontkent dit weliswaar, maar de rechtbank acht dit op basis van de aangifte van [benadeelde 1] en de verklaring van [verbalisant] wettig en overtuigend bewezen. Daaruit blijkt namelijk dat er drie politieagenten nodig waren om de identificatie van verdachte via de Progriszuil te bewerkstelligen, omdat hij zich daartegen verzette. Een van de gedragingen van verdachte tijdens dit verzet bestond uit het met kracht zijn been naar achteren gooien waardoor hij het scheenbeen van [benadeelde 1] raakte, die hierdoor uit balans werd gebracht en met zijn hoofd tegen de muur aan kwam. Als gevolg hiervan heeft [benadeelde 1] zowel aan zijn scheenbeen als aan zijn hoofd een schram opgelopen. Dat verdachte erg emotioneel was naar aanleiding van zijn aanhouding waarbij door de politie aan hem een aantal klappen waren uitgedeeld en hij wellicht vanuit die emotie een beweging heeft gemaakt waarvan het niet zijn bedoeling is geweest daarmee iemand pijn te doen, doet daaraan niet af. Verdachte heeft zich immers bewust tegen de politie verzet en dat ook zowel in Franse als in Engelse bewoordingen aan de politieagenten kenbaar gemaakt. Door vervolgens met kracht zijn been naar achteren te gooien, terwijl hij wist dat er allerlei agenten om hem heen stonden, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hierdoor een van de politieagenten, in dit geval [benadeelde 1] , pijn en/of letsel zou kunnen toebrengen.

De gebruikte bewijsmiddelen voor dit feit zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

Feit 3

Onder dit feit wordt verdachte verweten dat hij heeft geprobeerd om politieagenten [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een hoge snelheid op het politievoertuig waarin zij reden, in te rijden en daar tegen aan te rijden. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de ter terechtzitting aan het dossier toegevoegde en aldaar getoonde camerabeelden van de achtervolging, kan niet worden vastgesteld dat verdachte met hoge snelheid op het voertuig van voornoemde politieagenten is ingereden en vervolgens met die hoge snelheid tegen hen aan is gereden. Weliswaar is er tijdens de achtervolging met zeer hoge snelheden gereden (van rond de 200 kilometer per uur), maar op de camerabeelden is te zien dat de snelheid ten tijde van de aanrijding tussen beide voertuigen al in vergaande mate was teruggebracht in verband met de inboxprocedure die door de politie met diverse politievoertuigen werd uitgevoerd. De snelheid was derhalve niet hoog meer. Daarbij komt dat het voertuig van verdachte zich op dat moment op een te korte afstand van het politievoertuig bevond om nog snelheid te kunnen maken. Uit de omstandigheid dat de snelheid waarmee verdachte tegen het voertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] aan reed niet hoog (meer) was en de afstand tussen beide voertuigen bovendien gering was, kan niet worden vastgesteld dat er aldus sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 26 januari 2026 te Breda, opzettelijk heeft vervoerd, 3,5 kilo MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2op 26 januari 2026 te Breda, [benadeelde 1] heeft mishandeld, door te schoppen tegen het scheenbeen van die [benadeelde 1] , terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

4op 26 januari 2026 te Dordrecht en/of Breda, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door - geen gehoor te geven aan een stopteken middels transparant met blauwe alternerende verlichting, en- gevaarlijk in te halen, en- met een veel hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeersweg 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 100 kilometer per uur te overschrijden, en- (meermalen) op een of meer politievoertuig toe te rijden, waardoor een aanrijding ontstaat,- te proberen zich te onttrekken aan de politie door onder meer één of meerdere snelle en abrupte stuurbewegingen te maken en/of te slingeren en/of te rijden door de berm naast de middengeleider, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest. Hij ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast vordert de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (verder: OBM) voor de duur van zes maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging vraagt bij de strafmaat rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte zit financieel aan de grond en heeft schulden opgebouwd. Uit angst voor zijn schuldeisers is hij overgegaan tot het vervoeren van drugs. Verdachte heeft niet alleen daarvan maar ook van zijn verkeersgedrag veel spijt. Daarnaast heeft verdachte een broze gezondheid, maar van kanker is tot nu toe niet gebleken. Gelet hierop bepleit de verdediging een voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen. Ten aanzien van de oplegging van een OBM wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vervoer van 3,5 kilo MDMA, mishandeling van een politieagent en ernstige gevaarzetting in het verkeer waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zichzelf en anderen was te duchten.

Omdat de politie verdachte ervan verdacht dat hij harddrugs vervoerde, gaven ze hem een stopteken. Daaraan gaf hij geen gehoor, waarop een achtervolging op de snelweg is begonnen waarbij verdachte op een bijzonder gevaarlijke wijze met zijn auto heeft gereden. Zo heeft hij op een gevaarlijke manier ingehaald en met zeer hoge snelheden gereden waarbij hij de ter plaatse geldende maximumsnelheid ruimschoots heeft overschreden. Ook heeft hij zich aan de politie onttrokken door slingerend over de snelweg te rijden zodat de politie hem niet voorbij kon. Verdachte vormde hiermee een ernstig gevaar voor andere verkeersdeelnemers. Deze achtervolging vond plaats tijdens de avondspits en het was druk op de weg. Wanneer een van de verkeersdeelnemers als gevolg van de zeer hoge snelheid van verdachte hem per ongeluk niet had gezien en een rijbaan naar links was opgeschoven, dan had er een aanrijding kunnen ontstaan met niet te overziene gevolgen. Aan deze race is een einde gekomen door een inboxprocedure van de politie met meerdere voertuigen. Zelfs tijdens deze procedure is verdachte blijven proberen te vluchten door via de berm langs de middengeleider een van de politievoertuigen te passeren. Dit heeft geresulteerd in aanrijdingen met meerdere politievoertuigen. Het mag een gelukkige omstandigheid worden genoemd dat er tijdens de achtervolging geen doden of ernstig gewonden zijn gevallen. Deze omstandigheid is in ieder geval niet te danken aan het gedrag van verdachte, maar aan de zorgvuldig uitgevoerde inboxprocedure van de politie. Verdachte heeft zich vervolgens niet alleen bij zijn aanhouding, maar ook op het politiebureau verzet waardoor hij een van de politieagenten heeft mishandeld.

In het voertuig van verdachte is 3,5 kilo MDMA aangetroffen. Het betreft hier een forse hoeveelheid harddrugs met een straatwaarde van naar schatting minstens 35.000 euro. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen drugs moet aangenomen worden dat deze bestemd waren voor de handel. Dergelijke harddrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid en de handel erin leidt tot veel criminaliteit en overlast, mede gezien de grote financiële belangen die met de handel in verdovende middelen zijn gemoeid. Verdachte heeft daar niet of onvoldoende bij stilgestaan en blijkbaar enkel gehandeld uit eigen (financieel) belang.

Dit zijn zeer ernstige feiten waarop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank heeft bij de strafmaat rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daaruit blijkt dat voor het vervoer van 3,5 kilo harddrugs alleen al een gevangenisstraf van 16 maanden als uitgangspunt geldt. Daar komen de straffen voor de overige twee feiten nog bij.

Daarnaast heeft de rechtbank bij de strafmaat acht geslagen op de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare gevallen. Daarbij heeft zij het strafblad van verdachte meegenomen in haar beoordeling. Daaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland met politie en justitie in aanraking is gekomen en hij in die zin als first offender moet worden beschouwd. Tot slot heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte in overweging genomen. Dat verdachte ernstig ziek zou zijn is tot op heden niet gebleken.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. Zij zal aldus aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest. Uit het oogpunt van normhandhaving zal zij tevens een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van zes maanden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De benadeelde partijen

[benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 500,- voor feit 2 wegens immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 250,-. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen-verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

[benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 1.152,- voor feit 3 en 4 wegens immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat verdachte van feit 3 wordt vrijgesproken, maar dat van feit 4 bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd.

Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Om voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking te komen, moet sprake zijn van een situatie zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Gelet op hetgeen in de vordering is aangevoerd, gaat de rechtbank er vanuit dat de vordering is gebaseerd op de grondslag van een aantasting in de persoon op andere wijze. Aangevoerd is dat de benadeelde partij in de periode na het incident meerdere nachten last had van slecht slapen. Ook werd hij onrustig en prikkelbaarder, wat zich uitte in een korter lontje. Dat valt aan te merken als een meer of minder sterk psychisch onbehagen dat, hoezeer invoelbaar en begrijpelijk, op zichzelf geen geestelijk letsel is en daardoor niet zonder meer als grondslag kan dienen voor immateriële schade. In sommige gevallen kunnen de aard en ernst van de normschending echter meebrengen dat de daaruit voor de benadeelde voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen dat aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen. Uit de vordering en het dossier blijkt dat verdachte met opzet tegen het voertuig van de benadeelde is aangereden met als doel te vluchten. Hierdoor was sprake van een botsing die gepaard ging met een hard geluid alsmede het geluid van opfrommelend plaatwerk van de auto. De benadeelde partij heeft dit als erg bedreigend ervaren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte met zijn handelen een dusdanige inbreuk op de persoon van de benadeelde partij heeft gemaakt dat er sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.

Gelet op het feit dat de snelheid op het moment van de aanrijding al in verre mate was teruggebracht, acht de rechtbank de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 500,-. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.

8. Het beslag

Onder verdachte zijn 2 GSM’s in beslag genomen. Nu deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer wordt een last tot teruggave aan verdachte gegeven omdat hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 4: Overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van achttien maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van zes maanden;

Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 250,-, voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 250,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling twee dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 500,-, voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst de vordering voor het overige af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling vijf dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende twee in beslag genomen voorwerpen, te weten:

* 1 stk GSM (Omschrijving: PL2000-2026022607-G2955521, groen, merk: samsung);

* 1 stk GSM (Omschrijving: PL2000-2026022607-G2955522, Blauw, merk: Apple).

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. P.A.M. Wijffels en mr. D.M. Snoep, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 mei 2026.

Mr. Wijffels is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1hij op of omstreeks 26 januari 2026 te Breda, althans in Nederland opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 3,5 kilo MDMA, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendeMDMA zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )

2hij op of omstreeks 26 januari 2026 te Breda, althans in Nederland [benadeelde 1] heeft mishandeld, door (met kracht) te schoppen tegen het (scheen)been van die [benadeelde 1] , terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3hij op of omstreeks 26 januari 2026 te Breda, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met hoge snelheid) op/tegen de auto van voornoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 3] is ingereden en/of tegen de auto van die [benadeelde 2] en [benadeelde 3] is aangereden en/of gebotst, terwijl zij in deze auto reden en/of zaten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4hij op of omstreeks 26 januari 2026 te Dordrecht en/of Breda, althans in Nederland opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door - geen gehoor te geven aan een stopteken middels transparant met blauwe alternerende verlichting, en/of- gevaarlijk in te halen, en/of- (ongeveer) met een snelheid van 210 kilometer per uur, in elk geval met een veel hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was te rijden en aldus de krachtens de Wegenverkeersweg 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 100 kilometer per uur te overschrijden, en/of- zeer dicht achter een ander voertuig te rijden, en/of- (meermalen) met en hoge snelheid op een of meer politievoertuig(en) in en/of toe te rijden, waardoor een aanrijding ontstaat,- te proberen zich te onttrekken aan de politie door onder meer één of meerdere snelle en abrupte stuurbewegingen te maken en/of te slingeren en/of te rijden over de redresseerstrook en/of berm naast de middengeleider, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand