ECLI:NL:RBZWB:2026:4051

ECLI:NL:RBZWB:2026:4051

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 11960743/AZ VERZ 25-93 (T)
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

Verzoeker is in dienst geweest van verweerder. Hij is op staande voet ontslagen en heeft daarin berust. Verzoeker wil een vvr dat er geen dringende reden voor ontslag was, een vvr dat de cao beroepsgoederenvervoer van toepassing is en hij wil afgifte van stukken om nadere verzoeken over de afwikkeling van het dienstverband in te kunnen stellen. Verweerders zijn niet verschenen. Tussenbeschikking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer / rekestnummer: 11960743 \ AZ VERZ 25-93

Beschikking van 30 april 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. R.M. van der Horn,

tegen

1. [verweerder 1] ,

te [plaats 2] ,2. [verweerder 2],

te [plaats 3] ,

verwerende partijen,

hierna te noemen: [verweerders] ,

niet verschenen.

1. De zaak in het kort

[verzoeker] is in dienst geweest van [verweerder 1] als vrachtwagenchauffeur. Hij vervoerde de producten van [verweerder 2] naar klanten in binnen- en buitenland. [verzoeker] is op 10 september 2025 op staande voet ontslagen. Hij heeft berust in het ontslag. [verzoeker] verzoekt in deze procedure afschrift van bepaalde stukken om verzoeken die zien op de financiële afwikkeling van het dienstverband in te kunnen stellen. Ook wil hij een verklaring voor recht dat er geen dringende reden voor ontslag was en dat er een cao van toepassing was op zijn arbeidsovereenkomst. [verweerders] zijn niet verschenen in de procedure en hebben (dus) geen verweer gevoerd.

De kantonrechter wijst het verzoek tot afgifte van stukken toe. De kantonrechter is verder van oordeel dat er geen sprake was van een dringende reden voor ontslag. Ook op het punt van de toepasselijkheid van de cao krijgt [verzoeker] gelijk. Dit is een tussenbeschikking, geen eindbeschikking.

Het oordeel van de kantonrechter wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ uitgelegd. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en de verzoeken van [verzoeker] geschetst. Tot slot volgt de beslissing.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het verzoekschrift met producties 1 tot en met 10,

 de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

[verweerders] zijn niet verschenen.

De beschikking is bepaald op vandaag.

3. De feiten

[verweerder 2] is een groothandel in groente en fruit. [verweerder 1] is haar enig aandeelhouder en bestuurder. Bestuurder en enig aandeelhouder van [verweerder 1] is de heer [persoon] (‘ [persoon] ’).

[verzoeker] is met ingang van 1 april 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar in dienst getreden bij [verweerder 1] . Hij werkte 38 uur per week als vrachtwagenchauffeur en verdiende daarmee een maandsalaris van € 2.315,21 bruto per maand.

De werkzaamheden van [verzoeker] bestonden uit het per vrachtwagen vervoeren van groenten en fruit vanuit [verweerder 2] naar afnemers in Nederland, België, Duitsland en Frankrijk. Ook het laden en lossen van de vracht behoorden tot zijn werkzaamheden.

[verzoeker] had op 10 september 2025 van 07.00 tot 19.00 uur gewerkt en vervolgens tot 23.00 uur bij [verweerder 2] in [plaats 3] vracht die bestemd was voor Frankrijk ingeladen. [persoon] heeft [verzoeker] opgedragen om de volgende dag om 04.00 uur te gaan rijden om de files voor te kunnen zijn. [verzoeker] heeft dit geweigerd omdat hij dan door te weinig rusttijd een gevaar op de weg zou vormen. [persoon] heeft [verzoeker] onder dreiging van ontslag onder druk gezet om toch om 04.00 uur te vertrekken. Toen [verzoeker] bij zijn weigering bleef, moest hij van [persoon] weggaan na inlevering van de sleutels van de vrachtwagen.

[verzoeker] heeft geen salaris over de maand september 2025 ontvangen. [verzoeker] heeft zijn werkgever bij brief van 30 oktober 2025 aangemaand om het salaris over de gewerkte dagen in september 2025 alsnog uit te betalen. Op deze brief is geen reactie ontvangen.

[verzoeker] heeft vervolgens een advocaat ingeschakeld. De advocaat van [verzoeker] heeft [persoon] op 9 november 2025 per e-mail onder andere verzocht om het op 10 september 2025 gegeven ontslag in te trekken, het achterstallige loon na te betalen en loonstroken, urenverantwoordingsstaten en tachograafschijven toe te sturen. [persoon] wordt in de e-mail verzocht om uiterlijk in de ochtend van 10 november 2025 te bevestigen dat aan het verzoek zou worden voldaan, anders zou de advocaat van [verzoeker] in de middag een verzoekschrift bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant indienen. Op deze e-mail is geen reactie gekomen.

4. Het verzoek

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter – samengevat – om:

I. voor recht te verklaren dat de rechten en verplichtingen uit de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (‘de cao’) op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn,

II. voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet op 10 september 2025 is geëindigd wegens het ontbreken van een dringende reden,

III. [verweerder 1] / [verweerder 2] te veroordelen tot het binnen een week na de beschikking aan [verzoeker] verstrekken van:

a) de loonstroken van mei 2025 tot en met augustus 2025,

b) de urenverantwoordingsstaten als bedoeld in artikel 26a van de cao en de daarbij behorende tachograafschijven, of – bij gebruik van een elektronisch tijdregistratiesysteem – een geschoonde uitdraai van de boordcomputer met daarop de gegevens als bedoeld in artikel 26a onder 2c van de cao, telkens over de periode 1 april 2025 tot en met 10 september 2025,

IV. [verzoeker] na ontvangst van de onder III genoemde stukken in de gelegenheid te stellen (het petitum van) zijn verzoekschrift nader te onderbouwen.

5. De beoordeling

Verweerders zijn niet verschenen

De griffier van de rechtbank heeft [verweerders] per brief van 27 november 2025 opgeroepen voor de mondelinge behandeling. In de oproepingsbrief is vermeld dat tot uiterlijk 10 dagen voor de zitting een verweerschrift kon worden ingediend. Uit de onderwerpregel van de oproepingsbrief blijkt dat de zaak ziet op een verzoek van [verzoeker] tegen zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] . Deze oproepingsbrief is zowel per gewone als per aangetekende post verstuurd. [verweerder 2] heeft getekend voor ontvangst van de aangetekend verzonden brief. [verweerder 1] heeft de aangetekend verzonden brief niet afgehaald.

[persoon] is direct bestuurder van [verweerder 1] en middellijk bestuurder van [verweerder 2] . [persoon] is daarmee feitelijk de enige natuurlijke persoon die de vennootschappen vertegenwoordigt en bij wie voor de beide vennootschappen belangrijke berichten terecht zouden moeten komen.

[verweerders] zijn zonder bericht niet verschenen op de mondelinge behandeling en hebben ook geen verweerschrift ingediend. [verzoeker] heeft op verzoek van de kantonrechter na afloop van de mondelinge behandeling een op 27 maart 2026 vervaardigd uittreksel uit het handelsregister van zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] toegezonden. Daaruit blijkt dat de oproepingsbrieven naar het juiste adres verzonden zijn.

Uit de hiervoor geschetste gang van zaken volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] op de hoogte waren, althans hadden moeten c.q. kunnen zijn van de geplande mondelinge behandeling en de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen. Er bestaat daarom geen aanleiding om een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling te bepalen. Daarbij weegt voor de kantonrechter mee dat deze beschikking een tussenbeschikking is en de procedure dus nog niet tot een einde komt.

Nu [verweerders] geen verweer hebben gevoerd tegen de stellingen van [verzoeker] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van deze stellingen. Dat betekent dat de verzoeken kunnen worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen.

in het incident

[verzoeker] verzoekt afgifte van stukken van [verweerders] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] toegelicht de stukken nodig te hebben om een vergoeding voor overuren, de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding te kunnen berekenen en onderbouwen. [verzoeker] wil zijn verzoek vervolgens aanvullen. Hij verzoekt de kantonrechter een tussenbeschikking te wijzen.

De kantonrechter begrijpt het verzoek van [verzoeker] zo dat hij beoogt een incidenteel verzoek in te stellen, met de bedoeling om daarop eerst een beslissing te krijgen voordat een eindbeschikking wordt gewezen. De kantonrechter wijst het verzoek toe, met dien verstande dat de termijn voor het aanleveren van de stukken wordt gesteld op 3 weken na betekening van de beschikking. [verzoeker] verzoekt veroordeling van zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] .

Op grond van artikel 283 Rv is de verzoeker kort gezegd bevoegd zijn verzoek te wijzigen zolang de kantonrechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. Genoemd artikel verklaart artikel 130 Rv van overeenkomstige toepassing in geval van een vermeerdering van verzoek, zoals in deze procedure door [verzoeker] aangekondigd. Voor de volledigheid wijst de kantonrechter op lid 3 van dit artikel. Daarin is bepaald dat een verandering of vermeerdering van eis bij exploot kenbaar moet worden gemaakt in geval van een niet verschenen wederpartij.

in de hoofdzaak

De verzoeken dit in dit stadium van de procedure in de hoofdzaak voorliggen betreffen twee verklaringen voor recht, samengevat met betrekking tot de toepasselijkheid van de cao en de dringende reden voor ontslag.

De cao

[verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht wat zijn werkzaamheden hebben ingehouden (zie 3.3). [verzoeker] heeft gesteld dat deze werkzaamheden vallen onder de werkingssfeer van de cao. Hij houdt zich voor zijn werkgever bezig met vervoer anders dan van personen (in dit geval van groente en fruit) tegen vergoeding door de klant.

Het verzoek komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. De verzochte verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.

De dringende reden voor ontslag

[verzoeker] heeft verzocht om een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet op 10 september 2025 is geëindigd wegens het ontbreken van een geldige dringende reden aan de opzegging door [verweerder 1] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] toegelicht dat hij heeft berust in het ontslag, maar heeft bedoeld een verklaring voor recht dat [verweerder 1] geen dringende reden had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. De kantonrechter zal de verzochte verklaring voor recht in die zin opvatten.

De kantonrechter is van oordeel dat de reden voor het ontslag zoals [verzoeker] die geschetst heeft – en waar zoals aangegeven bij gebrek aan verweer vanuit wordt gegaan – geen dringende reden voor ontslag oplevert. Het is geen redelijke instructie van een werkgever om een chauffeur te vragen om na een lange werkdag tot 23.00 uur weer om 04.00 uur te gaan rijden. Dit is in strijd met de regels over minimale rusttijd die een chauffeur moet nemen. De verzochte verklaring voor recht is daarom toewijsbaar. De arbeidsovereenkomst is geëindigd vanwege de berusting door [verzoeker] , maar van een dringende reden voor ontslag is geen sprake geweest.

Wijziging van verzoeken

Gelet op de door [verzoeker] aangekondigde wijziging van verzoeken, na ontvangst van de in het incident toegewezen stukken, wordt iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aangehouden.

De kantonrechter verzoekt [verzoeker] om de griffie van de rechtbank uiterlijk op 1 juli 2026 te berichten over de voortgang van de procedure.

6. De beslissing

De kantonrechter

in het incident

veroordeelt [verweerders] tot het binnen 3 weken na de datum van betekening van deze beschikking aan [verzoeker] verstrekken van:

de loonstroken van mei 2025 tot en met augustus 2025,

de urenverantwoordingsstaten als bedoeld in artikel 26a van de cao en de daarbij behorende tachograafschijven, of – bij gebruik van een elektronisch tijdregistratiesysteem – een geschoonde uitdraai van de boordcomputer met daarop de gegevens als bedoeld in artikel 26a onder 2c van de cao, telkens over de periode 1 april 2025 tot en met 10 september 2025,

in de hoofdzaak

bepaalt dat [verzoeker] zich uiterlijk op 1 juli 2026 moet uitlaten over de voortgang van de procedure,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand