[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende dat is ontvangen op 24 april 2024.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
Is naar het juiste bedrag griffierecht geheven?
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 31 mei 2024 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 29 juni 2024 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 2 juli 2024 om 15:34 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend.
5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet betaald.
6. De rechtbank heeft het beroepschrift van belanghebbende – met dagtekening van 20 maart 2024 – ontvangen op 24 april 2024. Belanghebbende heeft bij het beroepschrift ook een schermafbeelding van een mail met bijlage overgelegd. Op de schermafbeelding is te zien dat de bijlagen van de mail zijn opgeslagen onder de naam “facturen”. Het is onduidelijk waartegen het beroepschrift is gericht. De rechtbank overweegt dat in onderhavige zaak € 187,- aan griffierecht wordt geheven. Om de hoogte van het griffierecht op de juiste manier vast te stellen, heeft de rechtbank belanghebbende bij aangetekend verzonden brief op 3 november 2025 verzocht om het bestreden besluit te overleggen. In de aangetekend verzonden brief is eveneens opgenomen dat bij het uitblijven van een reactie, de rechtbank zal uitgaan van een beroep tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen met de melding ‘Niet afgehaald, retour afzender’. Uit de basisregistratie persoonsgegevens blijkt dat belanghebbende ingeschreven staat op dat adres. Daarop is de brief op 28 november 2025 nogmaals naar dat adres gestuurd, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken.
7. Belanghebbende heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank. De rechtbank stelt daarbij vast dat belanghebbende € 187,- griffierecht is verschuldigd voor de onderhavige zaak.
Is het niet tijdig betalen van griffierecht en het niet overleggen van het bestreden besluit verontschuldigbaar?
8. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor de verzuimen. Er is dus geen verontschuldiging voor de verzuimen gebleken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.