RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11635274 \ CV EXPL 25-1157
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
CONTRACTABLES B.V.,
te Schijndel,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Contractables,
gemachtigde: mr. E.B.A.M. ter Heine,
tegen
DE STICHTING LOWYS PORQUINSTICHTING,
te Bergen op Zoom,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: LPS,
gemachtigde: mr. A.J.C.L. Pals-Rubbens.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 juli 2025, met de daarin genoemde stukken,
- de brief van 30 januari 2026 met aanvullende productie van LPS,
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte eiswijziging, met producties,
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tussen partijen is op 1 december 2021 een overeenkomst tot stand gekomen ten aanzien van het faciliteren van de inkoopfunctie van LPS door Contractables. De overeenkomst werd aangegaan voor de duur van 48 maanden, dus tot 1 december 2025.
In de door partijen ondertekende offerte is het volgende opgenomen:
“Op de ze offerte zijn de rijksvoorwaarden voor het verstrekken van diensten van toepassing (ARIV2018).”
In artikel 22.6 van de Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten (hierna: de Rijksvoorwaarden), afgekort ARVODI-2018, is de volgende bepaling opgenomen:
“Opdrachtgever kan voorts de Overeenkomst door middel van een aangetekend schrijven te allen tijde opzeggen. Tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer vindt alsdan afrekening plaats op basis van de door Opdrachtnemer ter zake van de uitvoering van de onderhavige opdracht verrichte Diensten en in redelijkheid gemaakte kosten en van de voor de uitvoering van de opdracht in redelijkheid gemaakte kosten en van de voor de uitvoering van de opdracht in redelijkheid voor de toekomst reeds aangegane verplichtingen. Opdrachtgever hoeft Opdrachtnemer op generlei wijze anderszins schadeloos te stellen voor de gevolgen van de opzegging van de Overeenkomst.”
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden 2018 (hierna: de Rijksinkoopvoorwaarden), afgekort ARIV-2018, bevat geen tussentijds opzegbeding.
Per brief van 15 augustus 2024 heeft LPS aan Contractables medegedeeld de overeenkomst op te zeggen per 1 december 2025.
Per brief van 11 november 2024 heeft (de gemachtigde van) LPS aangegeven dat LPS teleurgesteld is in de dienstverlening van Contractables en dat zij geen vertrouwen meer heeft in een verdere toekomstige samenwerking. In de brief heeft LPS aangegeven de overeenkomst op te zeggen dan wel te ontbinden per 16 november 2024.
3. Het geschil
in conventie
Contractables vordert - samengevat en na wijziging van eis - veroordeling van LPS tot betaling van € 24.999,00, vermeerderd met rente en kosten.
Contractables legt aan de vordering ten grondslag dat de overeenkomst niet tussentijds kan worden opgezegd en er geen omstandigheden zijn die de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigen. LPS is tekortgeschoten in het nakomen van haar betalingsverplichtingen tot een bedrag van € 31.890,65. Contractables heeft haar vordering beperkt tot € 24.999,00 en uitdrukkelijk afstand gedaan van het meerdere.
LPS voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Contractables, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Contractables, met veroordeling van Contractables in de kosten van deze procedure.
LPS voert hiertoe (primair) aan dat zij, gelet op artikel 22.6 van de Rijksvoorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn, de overeenkomst tussentijds mocht opzeggen. Van deze gelegenheid heeft zij in haar brief van 11 november 2024 gebruik gemaakt door de overeenkomst met ingang van 16 november 2024 op te zeggen. Zij is daarom geen betaling verschuldigd van de facturen die betrekking hebben op de periode na die datum.
in reconventie
LPS vordert veroordeling van Contractables tot betaling van € 4.948,60, vermeerderd met rente en kosten.
LPS legt aan de vordering ten grondslag dat zij een bedrag van € 4.348,73 onverschuldigd heeft betaald aan Contractables. Omdat Contractables nalaat dit bedrag terug te betalen, is zij naast de buitengerechtelijke incassokosten van € 599,87 ook de wettelijke rente verschuldigd.
Contractables voert verweer.
in conventie en in reconventie
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Aangezien Contractables ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard afstand te doen van haar vordering voor zover deze de competentiegrens overstijgt, is de kantonrechter bevoegd kennis te nemen van de zaak.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen beide vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
In geschil is de vraag of LPS de tussen haar en Contractables gesloten overeenkomst tussentijds mocht opzeggen, dan wel dat zij deze overeenkomst mocht ontbinden wegens tekortkomingen van Contractables en of LPS gehouden is tot betaling van de door Contractables verzonden facturen over de periode van 16 november 2024 tot
1 december 2025.
Voor de beantwoording van die vraag dient eerst te worden vastgesteld welke algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. In de door partijen ondertekende offerte staat dat de “rijksvoorwaarden voor het verstrekken van diensten” van toepassing zijn, met daarachter tussen haakjes de afkorting “ARIV2018”. Deze afkorting hoort echter bij de Rijksinkoopvoorwaarden 2018, die gelden voor het inkopen van goederen, niet voor het leveren van diensten. De juiste afkorting voor de rijksvoorwaarden voor - kort gezegd - het verstrekken van diensten is “ARVODI 2018”. Contractables stelt dat de ARIV2018-voorwaarden van toepassing zijn en stelt dat dit gebruikelijk is in de markt. Deze stelling, die overigens verder door Contractables niet is onderbouwd, wordt niet gevolgd. Omdat de tussen partijen gesloten overeenkomst betrekking heeft op het leveren van diensten, namelijk het verrichten van begeleiding van aanbestedingen, en niet over het inkopen van goederen zelf, is het logisch dat juist de Rijksvoorwaarden (ARVODI 2018) van toepassing zijn, en niet de Rijksinkoopvoorwaarden (ARIV2018). Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat de benaming van de voorwaarden in de offerte leidend is en niet de daarbij gebruikte afkorting. Dat Contractables de benaming en de afkorting door elkaar heeft gebruikt, is dan ook een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt als opsteller van de offerte. Overigens kan niet worden gezegd dat uit de omstandigheid dat ook eerder Contractables met LPS heeft gecontracteerd op basis van deze zelfde benaming met afwijkende afkorting volgt dat de Rijksinkoopvoorwaarden nu van toepassing zijn: dat was toen niet duidelijk en er is ook toen door partijen geen beroep gedaan op algemene voorwaarden. Ook het feit dat LPS op 15 augustus 2024 de overeenkomst tegen het einde van de looptijd heeft opgezegd, betekent niet dat (ook) LPS uitging van de toepasselijkheid van de Rijksinkoopvoorwaarden. Dat volgt niet uit die brief en de Rijksvoorwaarden sluit opzegging tegen het einde van de looptijd ook niet uit.
Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat op de overeenkomst de Rijksvoorwaarden van toepassing zijn. Blijkens die voorwaarden is het toegestaan de overeenkomst tussentijds op te zeggen. LPS heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt door de overeenkomst op te zeggen tegen 16 november 2024. Dit betekent dat er vanaf die datum geen overeenkomst meer bestaat. Voor de opzegging door LPS is een tekortkoming door Contractables niet vereist. De primaire grondslag - betaling van de resterende termijnen op grond van de overeenkomst - faalt dus.
Artikel 22.6 uit de Rijksvoorwaarden (zie 2.3.) bepaalt dat bij opzegging door de opdrachtgever afrekening plaatsvindt van door opdrachtnemer in redelijkheid gemaakte kosten. Het is aan Contractables om te stellen en te onderbouwen dat zij dergelijke kosten heeft gemaakt. Dit heeft Contractables niet gedaan, terwijl LPS het bestaan van deze kosten heeft weersproken. De subsidiaire grondslag faalt dus ook.
Er kan dus niet worden vastgesteld dat LPS nog enig bedrag aan Contractables verschuldigd is. De vordering van Contractables wordt dan ook afgewezen.
Omdat de overeenkomst tussen partijen op 16 november 2024 is geëindigd, heeft LPS een bedrag van € 4.348,73 onverschuldigd betaald. Contractables dient dit bedrag terug te betalen, vermeerderd met de (niet weersproken) wettelijke rente vanaf 16 november 2024.
LPS maakt aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Contractables zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van LPS in conventie en in reconventie. De kosten in conventie worden tot op heden begroot op een bedrag van € 1.154,00 (2 punten à € 577,00) aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. De kosten in reconventie worden, gelet op de samenhang tussen conventie en reconventie, begroot op € 288,00 (2 punten × factor 0,5 × € 288,00).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van Contractables af,
veroordeelt Contractables in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
veroordeelt Contractables om aan LPS te betalen een bedrag van € 4.908,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.348,73, met ingang van 16 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Contractables in de proceskosten van € 288,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt Contractables tot betaling van de kosten van betekening als Contractables niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Contractables tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.