RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11912199 \ CV EXPL 25-3283
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [eiser] ,
in deze zaak procederende met een toevoeging met nummer: [nummer] ,
gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V..
1. De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of het verstekvonnis tegen [eiser] moet worden vernietigd. [gedaagde] vindt van niet. Volgens haar is het verzet te laat ingesteld en moet [eiser] niet ontvankelijk worden verklaard in het verzet. Voor zover het verzet tijdig is, dan moet de vordering worden afgewezen, aldus [gedaagde] . Volgens [eiser] heeft hij tijdig verzet ingesteld.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] het verzet te laat heeft ingesteld en daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzet. De kantonrechter zal hieronder uitleggen waarom dat zo is.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van de kantonrechter te [plaats 2] van 19 februari 2025 met zaaknummer 11313755 CV EXPL 24-3395
- de verzetdagvaarding van 17 juli 2025 met producties- de incidentele conclusie houdende niet-ontvankelijkheidsverweer, tevens conclusie van antwoord in verzet- de conclusie van antwoord in het incident.
3. De vordering en het verweer
[eiser] is het niet eens met het verstekvonnis en komt daartegen in verzet. [eiser] vordert vernietiging van het verstekvonnis. Volgens hem is er geen sprake van huurderving geweest bij [gedaagde] , omdat [gedaagde] de woning zelf feitelijk gebruikt. Ook betwist [eiser] dat hij herstelkosten is verschuldigd voor een zonnescherm, nieuwe fronten in de keuken, kosten voor het herstellen, schuren en lakken van het parket, en kosten voor het herstellen en latexen van het plafond. De kosten voor herstel van een lekkage, waaronder schilder-, stuc-, en vloerwerk zijn volgens [eiser] vergoed via de verzekering van [gedaagde] , zodat hij deze kosten ook niet is verschuldigd. [eiser] vordert verder dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld en wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
[gedaagde] vordert [eiser] niet ontvankelijk in het verzet te verklaren. [eiser] had binnen vier weken na betekening van het vonnis, op 21 maart 2025, dan wel na de (over)betekening van de derdenbeslagen op 7 april 2025 en 6 mei 2025 in verzet moeten komen. Op 7 april 2025 heeft de overbetekening plaatsgevonden van het op 31 maart 2025 gelegde executoriaal derdenbeslag onder de ING Bank N.V. en op 6 mei 2025 heeft de overbetekening plaatsgevonden van het op 29 april 2025 gelegde executoriale derdenbeslag onder het UWV. De betekeningen hebben steeds plaatsgevonden op het adres waar [eiser] op die data ingeschreven stond. [gedaagde] heeft een kopie van deze exploten van (over)betekening overgelegd. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] op 12 en 13 juni 2025 telefonisch contact opgenomen met de deurwaarder. Er zou volgens [eiser] op een verkeerd adres zijn betekend en het loonbeslag moest worden opgeschort, omdat de loonbeslagvrije voet niet zou kloppen. Ook heeft de deurwaarder op 13 juni 2025 de eerste afdracht uit het loonbeslag ontvangen, wat volgt uit het door [gedaagde] overgelegde mailbericht van de deurwaarder en het daarbij behorende boekingsoverzicht met de gegevens: “Valutadatum 13-06-2025, bedrag 908,91, naam: UWV”. [eiser] was dan ook in ieder geval op 12 dan wel 13 juni 2025 bekend met het vonnis en/of de aangevangen tenuitvoerlegging. Dit betekent dat de verzetdagvaarding voor 11 juli 2025 betekend zou moeten zijn, maar de betekening heeft op 17 juli 2025 plaatsgevonden. Dat is te laat, aldus [gedaagde] en daarom moet [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzet. [gedaagde] wil dat [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld.
Voor zover het verzet tijdig is gedaan stelt [gedaagde] dat er sprake is van huurderving. De woning wordt door haar dochter gehuurd, maar kon pas na afronding van de herstelwerkzaamheden aan haar verhuurd worden. De schade aan het zonnescherm, de keukenfronten, het parket, het plafond en de overige posten zijn door [eiser] veroorzaakt, zodat hij die kosten is verschuldigd. De verzekering heeft alleen schade aan het ondergelegen pand vergoed. Het verzet moet daarom worden afgewezen. [gedaagde] wil dat [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld.
Volgens [eiser] is hij wel tijdig in verzet gekomen. Bij de e-mailberichten van de deurwaarder op 13 en 18 juni 2025 was het verstekvonnis niet bijgevoegd. Pas nadat [eiser] op 19 juni 2025 telefonisch contact heeft opgenomen met de deurwaarder is aan hem medegedeeld dat er beslag is gelegd op basis van een verstekvonnis. Op 23 juni 2025 heeft er voor het eerst een inhouding plaatsgevonden op zijn uitkering die werd afgedragen aan de beslaglegger. [eiser] heeft op 17 juli 2025 een verzetdagvaarding uitgebracht, zodat tijdig verzet is ingesteld tegen het verstekvonnis.
4. De beoordeling
Op grond van de wet kan de gedaagde die bij verstek is veroordeeld daartegen verzet doen binnen vier weken. Er zijn een drietal momenten waarop de termijn van vier weken begint te lopen:
de verzettermijn begint te lopen vanaf het moment dat het vonnis aan de veroordeelde partij in persoon is betekend. Betekening van het vonnis door middel van afgifte aan een huisgenoot of achterlating in een enveloppe, laat de verzettermijn niet aanvangen, of
de termijn begint te lopen vanaf het moment dat door de veroordeelde partij een daad van bekendheid is gedaan. De Hoge Raad heeft deze maatstaf aldus ingevuld dat de veroordeelde zélf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Voldoende is dat de veroordeelde ermee bekend is op vordering van wie, waartoe en door welk gerecht hij is veroordeeld, kortom, dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis, of
3. de termijn begint te lopen na voltooiing van de tenuitvoerlegging (executie) van het vonnis.
Uit de overgelegde producties volgt dat het verstekvonnis niet aan [eiser] in persoon is betekend, zodat de verzettermijn in ieder geval niet op de eerstgenoemde grond is gaan lopen.
[eiser] en [gedaagde] verschillen van mening wanneer de daad van bekendheid heeft plaatsgevonden. Volgens [eiser] was hij pas op 19 juni 2025 op de hoogte van het verstekvonnis, terwijl [gedaagde] stelt dat [eiser] al op 12 dan wel op 13 juni 2025 bekend is geraakt met het vonnis. In het door [gedaagde] overgelegde e-mailbericht van de deurwaarder aan de gemachtigde van [gedaagde] (productie 4 van [gedaagde] ) vallen de door de deurwaarder genoteerde contactmomenten tussen hem en [eiser] te lezen. Daarin staat onder meer vermeld: (…) “Dhr. [eiser] heeft voor het eerst gebeld op 12-06-2025. Hierbij is met een collega gesproken. Dhr. [eiser] heeft aangegeven dat er volgens hem op een verkeerd adres is betekend en dat het loonbeslag moet worden opgeschort want de BBV klopt niet. Op 13-06-2025 heb ik dhr. [eiser] gesproken en heb ik het vonnis en de betekening doorgestuurd.” en “Op 18-06-2025 heeft dhr [eiser] wederom gebeld dat hij alle stukken digitaal wilde. Dit hebben wij dezelfde dag doorgestuurd per mail.(…)”.Achter het overzicht met de contactmomenten zit het mailbericht van de deurwaarder aan [eiser] van 13 juni 2025. Daarin staat onder meer: “Naar aanleiding van ons telefonisch contact doe ik u toekomen de betekening het vonnis en een specificatie van de openstaande kosten.”. Dat mailbericht is verzonden aan het mailadres: [e-mailadres] . Dat dit mailadres van [eiser] is, heeft hij niet betwist. Uit het mailbericht van 13 juni 2025 blijkt echter niet dat er bijlagen zijn toegevoegd, Zo blijkt uit andere mailberichten van de deurwaarder – hoewel die niet specifiek aan [eiser] zijn gericht – dat daar wel bijlagen zijn bijgevoegd, omdat in de adressering “Bijlagen” en de naam van de documenten staan vermeld (producties 5 en 6 van [gedaagde] ). Naar het oordeel van de kantonrechter is daarom niet voldoende onderbouwd gesteld door [gedaagde] dat in het mailbericht van 13 juni 2025 de betekening, het vonnis en een specificatie als bijlagen waren bijgevoegd. Het is dan ook niet komen vast te staan dat [eiser] op die datum op de hoogte was van (de inhoud van) het vonnis en dus er sprake was een daad van bekendheid.
Als laatste grond vangt de termijn van 4 weken voor het instellen van verzet aan vanaf de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. In dit geval is er sprake van derdenbeslag. Hierbij geldt dat bij betaling door de derde aan de beslaglegger het moment is waarop het vonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd. Een vordering tot periodieke betaling wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de eerste uitbetaling. [eiser] stelt dat er voor het eerst op 23 juni 2025 een inhouding is toegepast op zijn uitkering vanwege de beslaglegging door de deurwaarder. Volgens [gedaagde] heeft de deurwaarder de eerste afdracht uit het loonbeslag van het UWV ontvangen op 13 juni 2025, zoals blijkt uit het boekingsoverzicht.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op 29 april 2025 is op basis van het verstekvonnis executorioaal derdenbeslag gelegd onder het UWV op de uitkering van [gedaagde] . Dat er beslag zou worden gelegd op zijn uitkering blijkt uit de overbetekening van het beslag op 6 mei 2025 aan [eiser] . Dit exploot is betekend op het [adres] . Ondanks dat in de email van de deurwaarder over de contactmomenten (productie 4 van [gedaagde] ) staat dat [eiser] op 12 juni 2025 telefonisch contact heeft opgenomen dat er volgens hem op een verkeerd adres is betekend en dat het loonbeslag moet worden opgeschort, is door [eiser] niet onderbouwd gesteld dat dit adres niet juist zou zijn. Uit het exploot van de overbetekening blijkt dat uitreiking daarvan heeft plaatsgevonden volgens de wettelijke vereisten. [eiser] had dus op 6 mei 2025 de hoogte kunnen zijn dat er derdenbeslag zou worden gelegd onder het UWV op zijn uitkering. Nu [eiser] op 13 juni 2025 telefonisch contact heeft opgenomen met de deurwaarder met de mededeling dat beslagvrije voet niet goed was toegepast, was hij in ieder geval vanaf deze datum bekend met de tenuitvoerlegging.
Gelet op dit telefonisch contact, alsmede op het mailbericht van de deurwaarder met het daarbij behorende boekingsoverzicht en het feit dat [eiser] zijn standpunt - dat die betaling op 23 juni 2025 heeft plaatsgevonden - niet heeft onderbouwd zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van het boekingsoverzicht dat de eerste periodieke betaling op 13 juni 2025 ten uitvoer is gelegd. De conclusie is dan ook dat op de datum van de eerste betaling door het UWV aan de deurwaarder, te weten 13 juni 2025, de verzettermijn gaan lopen.
Het voorgaande betekent dat de verzetdagvaarding in ieder geval binnen vier werken na 13 juni 2025 moest worden uitgebracht, uiterlijk op 11 juli 2025. De verzetdagvaarding is pas op 17 juli 2025 uitgebracht. Het verzet is daarom te laat ingesteld.
In de rechtspraak van de Hoge Raad is de regel ontwikkeld dat onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn onder omstandigheden achterwege moet blijven indien die toepassing tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Wanneer een bij verstek veroordeelde gedaagde pas na het verstrijken van de verzettermijn bekend raakt met het verstekvonnis, dan brengt het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een effectieve toegang tot de rechter met zich dat een nadere termijn moet worden gegund waarbinnen de veroordeelde alsnog verzet heeft kunnen instellen. Een nadere termijn van twee weken zal daarvoor in het algemeen voldoende zijn. Een uitzondering hierop vormt het geval waarin de veroordeelde, toen hij bekend werd met het verstekvonnis, niet ook bekend was met de tenuitvoerlegging van dat vonnis, zodat hij kon menen dat (zodra aan de voorwaarden van artikel 143 lid 2 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was voldaan) de reguliere verzettermijn van vier weken zou aanvangen. In een dergelijk geval dient de veroordeelde een nadere termijn van in beginsel vier weken te worden gegund, gerekend vanaf het moment waarop de veroordeelde bekend is geworden met het verstekvonnis.
In dit geval leidt toepassing van het bovenstaande er niet toe dat [eiser] alsnog op tijd is met zijn verzet. [eiser] blijft zelf onduidelijk over wanneer hij nu precies bekend is geraakt met het verstekvonnis. Bij verzetdagvaarding geeft hij aan dat hij in ieder geval op 19 juni 2025 bekend is geraakt met het vonnis. Een nadere termijn van twee weken helpt [eiser] dan niet. Het verzet is immers pas op 17 juli 2025 ingesteld, dus na het verstrijken van de termijn van twee weken. Voor het gunnen van een nadere termijn van vier weken is geen plaats, omdat de hierboven bedoelde uitzondering zich niet voordoet. Daarbij is van belang dat – zoals hiervoor is overwogen – aangenomen wordt dat [eiser] al op 13 juni 2025 op de hoogte was van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Er is dus geen sprake van een situatie dat [eiser] pas op de hoogte is geraakt van het vonnis, terwijl hij nog niet bekend was met de tenuitvoerlegging daarvan.
Kortom, het verzet is te laat en de kantonrechter verklaart [eiser] om die reden niet ontvankelijk in het verzet. Dit leidt ertoe dat het verstekvonnis in stand blijft.
[eiser] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
salaris gemachtigde € 577,00 (1 punt x € 577,00)
nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
-----------
Totaal: € 712,00
5. De beslissing
De kantonrechter
verklaart [eiser] niet ontvankelijk in het verzet tegen het vonnis van 19 februari 2025 met zaaknummer 11313755 CV EXPL 24-3395,
bekrachtigt het op 19 februari 2025 onder zaaknummer 11313755 CV EXPL 24-3395 tussen gewezen verstekvonnis,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 712,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.